Lobith ligt niet eens aan de rivier

Gorcum is zijn martelaren vergeten. Den Briel had een oecumenisch centrum zullen worden, à la Taizé. Een rondreis door historisch Nederland levert vooral nieten op....

VROEGER, toen kinderen op school nog geschiedenisles kregen, leerden we dat de Batavieren bij Lobith in ons land kwamen. Zij zetten de Betuwe in bloei, ontwikkelden de Batavus fiets, stichtten Batavia en lieten de koningin deze maand de VOC-repliek Batavia II dopen met water uit de zee waar de eerste was vergaan.

Tacitus prees de moed en deugden van de Batavieren; en Hugo de Groot, de rechtsgeleerde die per boekenkist uit fort Loevestein vluchtte, bewees in de eerste vaderlandse verhandeling over ons volkskarakter, Parallelon Rerumpublicarum dat de Batavieren geen primitief volk waren, maar verwant bleken te zijn aan de beschaafde Romeinen.

Toen zij de Rijn afzakten, veranderden zij samen met de Romeinen het onherbergzame moerasland in een land van dijken, wegen en steden. Volgens Hugo de Groot heeft de nabijheid van de zee ervoor gezorgd dat de Batavieren uitstaken boven de Germaanse broeders die nog in holen en hutten woonden. Toen Claudius Civilis knarsetandend in Nijmegen, de Burcht der Batavieren, in opstand kwam, vocht hij niet om macht en geld, maar om de eer.

Hugo de Groot, de humanist, was er trots op van de Batavieren af te stammen, en nieuwgierig toog ik naar Lobith om te zien waar deze kennelijk goede oosterburen de grens waren overgestoken. Dat viel niet mee. Lobith ligt zelfs niet aan de rivier.

Dus ging ik naar Tolkamer, het nieuwe dorp aan de rivier dat rond tolhuis en steiger is gebouwd. De allervriendelijkste meneer van het VVV zei: 'De Batavieren? Ik zou het niet weten. Wij weten zo weinig van onze geschiedenis.' Ik kwam niet verder dan de Batavenweg op de dijk en zag de rijnaak Jan Wandelaar voorbijvaren.

Toen klopte ik aan bij Jan van Benthem, de voorlichter op het gemeentehuis in Lobith. Hij zei: 'Natuurlijk spookt het altijd door je gedachten. Historisch klopt het, geografisch niet.' Al tweehonderd jaar stroomt de Rijn niet meer langs Lobith. De rivier had een andere loop genomen. Ook de splitsing in Rijn en Waal lag vroeger hoger dan nu bij Pannerden.

Van Benthem houdt van geschiedenis, hij nam mij mee naar de hal van het gemeentehuis en toonde oude gravures. Geen Bataven, maar wel de Fransen die in het Rampjaar 1672, ook komend uit Duitsland, bij Lobith de Rijn waren overgestoken. 'Kijk maar, de Rijn was al zo verzand dat ze konden lopen. Een schandvlek in de geschiedenis die we liever maar willen vergeten.' Lobith is nog belangrijker dan ik al dacht.

Ik reisde door naar het noorden, naar Heiligerlee, waar vermoedelijk Neerlands meest dramatische, sommigen zeggen, meest pathetische monument te vinden is. Adolf van Nassau, de jonge broer van Willem van Oranje, versloeg hier op 23 mei 1568 de Spanjaarden, maar liet zelf het leven. Het was de openingszet in een lange oorlog, die bewees dat met het winnen van de veldslag de oorlog nog niet was gewonnen. Die zou tachtig jaar duren.

Adolf wordt geëerd in de vierde strofe van het Wilhelmus uit hetzelfde jaar. Het monument, althans de eerste steen, stamt uit 1868, toen het derde eeuwfeest werd gevierd. Het is een uitbeelding van de stervende Adolf aan de voeten van de Nederlandse maagd met schild. De leeuw met de blik gericht naar de vijand houdt een poot op een oorkonde, waarop staat: 'Wat in de klauwen van de leeuw is, ontrukt hem geen mens.'

Op dat groots gevierde derde eeuwfeest declameerde Nicolaas Beets: 'Met Nassau, Oranje aan 't hoofd,/ Beveiligd door zijn staf en degen,/ Is ons geen voorrecht ooit ontroofd,/ Maar wel 't verloorne weer gekregen.' Het was niet zo maar een nationale herdenking. Zij was gebed in de tijdgeest.

In Het roemrijk vaderland; Cultureel nationalisme in de negentiende eeuw, schrijft de Leidse hoogleraar Jan Bank dat in die jaren zestig, toen Bismarck Duitsland hardhandig verenigde, er in het onzekere Nederland dat België verloren had, zowel de wens naar als de angst voor Duitse inlijving sterk leefde. Het Heiligerleefeest moest tonen, aldus een waarnemer uit die tijd, 'dat wij een vrij en zelfstandig volk wenschen te blijven en vooreerst niet de minste opgewektheid gevoelen het voorbeeld van Hannover en andere geannexeerde staten te volgen. Indien onze jubeltonen tot onze machtige nabuur zijn doorgedrongen - zoals waarschijnlijk is daar wij in de nabijheid der grenzen hebben feestgevierd - zal hij zich van die waarheid hebben kunnen overtuigen.'

Maar er waren ook vooraanstaande Nederlanders die zeiden dat het verkeerd was om, bij wijze van waarschuwing aan het adres van Bismarck, de Slag bij Heiligerlee te bejubelen, omdat die veldslag in feite een Opstand was tegen het wettelijk gezag.

De viering van Heiligerlee inspireerde ook de geuzen van Den Briel, waar vier jaar later, op 1 april 1872, ook het derde eeuwfeest gevierd moest worden.

Het eerste eeuwfeest was - niet zonder bijbedoeling - in het Rampjaar gevierd, en op het tweede eeuwfeest werd tijdens de officiële maaltijd het hoofd van Alva in varkensreuzel opgediend. Maar wat te doen in 1872?

Het kamerlid Hein wilde een standbeeld voor Tromp (die in Brielle was geboren), de pastoor wilde slechts een lokaal feest en inzameling van geld voor een nuttige inrichting, waarvoor allereerst een beroep op de koning gedaan moest worden, omdat zijn dynastie aan de vrijheidsoorlog van die dagen te danken was en hij daarvoor zijn dankbaarheid moest betonen. De feestcommissie koos voor een standbeeld van een nimf, die uit de zee verrijst en de prinsenvlag hoog houdt. Om de katholieken niet te kwetsen werd geen beeltenis van een watergeus gekozen. De gereformeerden waren wel gekant tegen het compromis van de 'heidense nimf die schadelijke nevengedachten kon opwekken', maar zij waren in de minderheid.

De pastoor, die tevreden was met de nimf, moest toch uit de feestcommissie omdat katholieken in den lande in verzet kwamen tegen het plan om de inname van Den Briel te vieren als een nationaal feest. De schrijver en strijder voor de culturele emancipatie van katholieken J.A. Alberdingk Thijm, vader van Lodewijk van Deyssel, schreef dat 'een katholiek die de watergeuzen toejuicht, het recht verliest om de verheerlijkte Martelaren (van Gorcum) te vereren en aan te roepen'.

De bisschop van Haarlem spoorde echter de gelovigen aan wel mee te doen aan de 1 april viering ter herdenking van de nationale onafhankelijkheid en gewetensvrijheid. In de zuidelijke provincies kwam het tot demonstraties met leuzen als: 'Weg met Oranje, Weg met Willem III, Leve Pius.' Ruiten van winkels waar boeken over de Tachtigjarige Oorlog werden verkocht, moesten het ontgelden.

Het feest in Brielle werd een daverend succes. Het bleef er rustig, de katholieke kerk was versierd en gedachtig aan de spreuk 'Op 1 april, verloor Alva zijn bril' bakte bakker Kemp Alva-brillen, zo staat in de pas verschenen uitgave De 1 aprilviering van het gemeentearchief van Brielle.

Na het vierde eeuwfeest in 1972 was er een kleine inzinking in het enthousiasme, maar in de afgelopen jaren is de aandacht voor de jaarlijkse 1 aprilviering met zijn historische optocht weer groot.

VAN HET voorbeeldig gerestaureerde Brielle reed ik naar Gorcum, op zoek naar de martelaren. Heel dom. De VVV had wel een brochure over de martelaren die geschreven was door stadsarchivaris

A.J. Busch, maar was er nog iets te zien, vroeg ik? 'Nee, helemaal niets.'

In de vroegere katholieke kerk aan de Haarstraat waren gebrandschilderde ramen geweest met voorstellingen van de martelaren. In 1984 werd de kerk veranderd in een flatgebouw. De ramen - uit de jaren dertig - werden verwijderd, en het voorstel van de burgemeester van Brielle om ze naar zijn stad te halen, waar de martelaren tenslotte zijn vermoord, en ze te plaatsen in de Catharijne kerk stuitte op onoverkomelijk verzet van de kerkeraad. Dat was te veel van het goede.

De ramen zijn opgeslagen bij een glazenier in Amersfoort en over hun lot, vertelde archivaris Busch, is verder niets bekend. Gorcum is zijn martelaren vergeten. 'Die episode was een zwarte bladzijde in onze vaderlandse geschiedenis. Na jarenlange vervolging van protestanten waren nu de rollen omgedraaid. Net als in 1945 na de Duitse bezetting, laaiden wraakacties op.'

Zo erg als de geuzen huishielden, ging het in Bevrijd Nederland godzijdank niet toe. Ofschoon Willem van Oranje gelast had de monniken ongemoeid te laten, werden zij gemarteld, bespot en opgehangen in de turfschuur van een door de Geuzen verwoest klooster. Vet werd uit hun lijken gesneden en als geneeskrachtige zalf verkocht. P.C. Hooft schreef dat de beulen oren, neus, en mannelijkheid afsneden en op hun hoed staken. Daarmee paradeerden zij fier door de straten.

Nog steeds worden de martelaren, zo niet in Gorcum, dan toch in Den Briel herdacht.

In de negentiende eeuw werd het vergeten martelveld in Den Briel door een bisschop incognito gekocht en in 1867, tussen de nationale feesten van Heiligerlee en Den Briel in, werden de martelaren heilig verklaard. Zij moesten met Bonifatius en Willibrordus de nationale heiligen van Nederland worden. Het is, zoals Wim Vroom, directeur Nederlandse geschiedenis van het Rijksmuseum schreef, nooit gelukt. Ook omdat de protestanten tot voorwaarde van erkenning van de martelaren als nationale figuren, stelden dat katholieken op hun beurt de verworvenheden van de Opstand tegen de Spanjaarden zouden beamen.

Maar bij de opkomst van de oecumenische gedachte in de jaren zestig - toen dominees op de bedevaart werden uitgenodigd, een portret van Willem van Oranje werd meegevoerd, en katholieken zich als tegenprestatie zondig de gruwelen van de inquisitie herinnerden - leek het toch nog in orde te komen. Den Briel moest een bezinningsoord worden, als Taizé in Frankrijk, maar de rechts-conservatieve katholieken dachten er anders over. De bedevaart naar Den Briel kreeg een bedenkelijke geur.

Dat is steeds weer een probleem bij herdenken van nationale gebeurtenissen, zoals we bijvoorbeeld zien bij de Steen van Warns, die Friese extremisten zich proberen toe te eigenen en het monument van Heiligerlee, waar koningin Wilhelmina graag in alle stilte haar voorvaderen herdacht, maar ook Mussert bloed en bodem had geroken. Zijn Adolf was een andere. NSB'ers maakten Michiel de Ruyter tot hun held, en tijdens de hoogtijdagen van het linkse anti-imperialisme werd Jan Pieterszoon Coen verguisd als boef en uitbuiter.

De angst voor griezelige uitwassen moet een van de redenen zijn waarom Nederlanders zo huiverig zijn (waren) voor nationale gevoelens en historisch besef.

In Heiligerlee komt een historisch museum dat vermoedelijk nog dit jaar geopend zal worden. Conservator Klaas Haan meent dat er vraag naar zo'n museum is. Hij gelooft dat veel mensen weer meer willen dan de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, die zo bepalend is geweest voor de gevoelens in de afgelopen decennia. Niet omdat men op de oorlog is uitgekeken, maar omdat er behoefte is ook meer van een verder verleden te weten.

Ongetwijfeld is er meer belangstelling voor geschiedenis. Boeken over geschiedenis verkopen goed. Ieder dorp en elke stadswijk heeft tegenwoordig wel zijn bloeiende plaatselijke historische vereniging, maar rondrijdend door het land valt het op dat geschiedenis een onderwerp lijkt te zijn dat niet verder reiken mag dan het geliefde tv-programma Van Gewest tot Gewest. Het is - natuurlijk met uitzondering van de oorlog - goed als het maar klein is. Geen grote nationale gedachte. Geen helden. Zelfs de grote zeehelden als Piet Hein, Michiel de Ruyter en Maarten Tromp zijn uit, zo bevestigde me een historicus die zich bezig houdt met het registreren van trends. 'Je ziet wel dat er weer belangstelling is voor de VOC.'

IK GING naar Barneveld, zag het bescheiden beeld van Jan van Schaffelaar, en las wat de burgemeester in 1982 - ter ere van de vijfhonderdste verjaardag van de legendarische reuzesprong - had geschreven: 'Wij zijn niet meer de luide toejuichers van het vaderlands heldendom. Wat dat betreft wist de negentiende eeuw beter weg met een figuur als Jan van Schaffelaar, die zich naar den eis - gehuld in blinkend harnas - van de tinnen stort. Wij zijn wat meer terughoudend in onze opvattingen over zo'n sprong, en eerder geneigd om alles wat van zulke oude verhalen niet onomstotelijk bewezen is dan ook beslist niet te geloven.'

Ach ja, had de grote Huizinga al niet gesproken over 'een relatief geringe neiging tot nationale zelfverheerlijking die samengaat met een zekere aandrang tot nationale zelfverguizing'? En was al niet door Baron Collot d'Escury in 1824 betoogd: 'De nederigheid des landaards vorderde geen standbeelden'?

Helden behoren 'gewoon' te zijn. 'Daarom', zo schreef de Amsterdamse hoogleraar, Herman Pleij, 'werd Willem van Oranje in een tv-serie bij de herdenking in 1984 perfect op maat gesneden van een modern soort burgerlijkheid, inclusief relatieproblemen.' Maar, zo las ik bij Jan Bank, ook al in die exuberante negentiende eeuw was er veel kritiek op het heroïsche beeld van Willem van Oranje te paard en met zwaard in rechterhand.

Koning Willem II had het ruiterbeeld in 1845 bij zijn paleis Noordeinde laten neerzetten. Maar Alberdingk Thijm was boos en schreef dat de Vader des Vaderlands 'geen zwierig en praalziek kavalier (was), dien men in krijgs- of feestgewaad moet voorstellen, ten prooi aan de nukken van een overmoedige oorlogsroes.'

Het was daarom een vreemde gewaarwording toen ik een paar jaar geleden onverwacht stuitte op een interview op de Amerikaanse televisie met de vooraanstaande historica Barbara Tuchman. Zij sprak over George Washington, 'mijn voorbeeld van een ware held en ik vergeleek hem met die vroegere revolututionaire held, Willem de Zwijger, die eens gezegd zou hebben: Het is niet nodig om te hopen om te kunnen volhouden. Een prachtige gedachte. Willem de Zwijger won, ook al duurde de revolte tachtig jaar. Dit kleine volk in een moerasland aan de rand van Europa dat niets had te verliezen dan het land dat zij zelf hadden gemaakt - deze mensen hielden het tachtig jaar vol tegen het machtigste imperium van Europa. Extraordinary story, really, the history of the Dutch.'

Je doet dan wat lacherig, maar het is merkwaardig dat vaak het buitenland op het Nederlands vernuft en het groots verleden moet wijzen. Busken Huet ontdekte in Parijs dat Rembrandt een genie was - wat men in Nederland niet wist - en zo werd hij geïnspireerd tot het schrijven van het nog steeds invloedrijke Het land van Rembrand (1882). En Overvloed en onbehagen (1987) van de Amerikaanse Brit Simon Schama over de Gouden Eeuw, maakte in Nederland zo'n indruk dat vaderlandse historici alle zeilen bijzetten om aan te tonen dat de hernieuwde aandacht voor de Gouden Eeuw natuurlijk niet alleen aan Schama te danken is.

Schama merkt op wat vaak alleen buitenstaanders opvalt, zoals bijvoorbeeld dat pleinen er zijn om over te steken en naar huis te gaan, en niet om militaire parades op te houden en standbeelden neer te zetten.

Zo zijn wij niet; misschien komt het door mijn lang verblijf in het buitenland, maar ik was oprecht geschokt toen, zeker in deze tijd van het herdenken van de oorlog, de eerste Nederlandse militair die in Bosnië sneuvelde, niet met gepaste eer op de voorpagina's van de serieuze kranten werd herdacht. Het plaatsen van de foto van de kist gedrapeerd met de vlag, liet men over aan de populaire pers en het Journaal, dat er mee opende 'omdat er geen ander nieuws was'.

Vrij onzinnig voerde men als excuus aan dat de twintigjarige jongen uit Lekkerkerk 'gewoon zijn beroep uitoefende', zoals, zei iemand, een buschauffeur of politieagent. Met het land verenigende rituelen en symbolen weet Nederland weinig raad. Het is ook zijn kracht, omdat de nationale identiteit en saamhorigheid zo vanzelfsprekend is, dat het plechtig uiten ervan volledig overbodig lijkt.

HET prachtige synoniem voor maatschappij, 'samenleving' en liefst 'de samenleving' is, dacht ik, onvertaalbaar.

Geschiedenis als bindend middel van de natie vinden wij onzinnig, het is traditie op traditie af te geven. De vraag is of je deze eigenaardigheid om je niet met je nationale cultuur te vereenzelvigen, moet koesteren. Of met andere woorden: moet je er trots op zijn dat je er niet trots op bent?

Vandaar ook dat toen Paul Brill, in navolging van de Britse krant The Independent, de lezers van de Volkskrant onlangs vroeg tien redenen te noemen waarom men als Nederlander trots was, de eerste brief al zei dat het beter was tien redenen te geven waarom je je als Nederlander schaamt. Het 'eigene' zit, meen ik, al eeuwen zo ingebakken - Holland is al zo oud en vanzelfsprekend - dat je het straffeloos mag verguizen. Daar kunnen andere landen jaloers op zijn.

Vaderlandse geschiedenis is zo gezien eigenlijk maar gevaarlijke ballast, en eindexaminandi zetten natuurlijk geen klassieken op hun boekenlijst, wat voor Fransen, Duitsers en Engelsen onbegrijpelijk is.

Toch merk je dat er meer protest komt tegen het slordig omgaan met het vaderlandse erfgoed, de taal en de cultuur. De wereld is weer in beweging en dus zoekt men vertrouwde veiligheid. De maatschappij bleek niet maakbaar, zoals men even dacht. Dus dan toch maar weer de ankers uitwerpen. Linkse intellectuelen koketteerden in de jaren dertig aanvankelijk met hun vaderlandloosheid, maar omarmden later de natie om de vreemde smetten van het nazisme af te weren. Jan en Annie Romein probeerden met hun succesvolle Erflaters van onze beschaving progressief en nationaal tegelijk te zijn, en een historisch houvast te bieden tegenover de Duitse dreiging.

Gevaar voor oorlog is er niet, maar niemand durft meer te zeggen dat oorlogen 'in het beschaafde Europa' voor altijd zijn uitgebannen. De wereld verandert razendsnel, alles schuift, globaliseert en de voorvechters van het grote Europa hadden in hun enthousiasme vergeten wat Albert Verweij al aan het begin van de eeuw zei: 'Want dit is het geluk van ons; wij die Europeanen geworden zijn, voelen ons gaarne weer Nederlanders. Wij voelen ons zo door land, lucht en levenswijs. Wij erkennen ons zo door afstamming, overlevering en denkwijs. Wij beseffen dat wij, zonder Nederlanders te zijn, waardeloos zouden zijn als Europeanen.'

President Mitterrand neemt afscheid met een majestueus monument in de vorm van giganteske boeken van glas en steen die worden dichtgeslagen. Zij doen dienst als Nationale Bibliotheek, het is de nieuwe trots der natie. Zoiets is bij ons ondenkbaar. Geen grootheidswaanzin.

Het ontbreken van monumentale architectuur is volgens Rudy Kousbroek een van de belangrijke redenen dat 'Nederland zo'n eigenaardige ondiepte heeft, alsof alles in elkaar is geflanst met hardboard'. Geen Versailles of Westminster Abbey en wie aan de Westertoren denkt, denkt aan Johnny Jordaan en tante Leen. Bij de jongste watersnood, waarbij schrijvers weer een gevoel van nationale saamhorigheid ontdekten, zocht men geen morele steun bij de Deltawerken als het nationaal monument, maar werd het kapotgedrukte duivenei in de hand van een evacué uit de Ooypolder het nationaal symbool van collectief medeleven.

De monumenten waar wij onze identiteit aan ontlenen, zei een hoogleraar in de kunstgeschiedenis, zijn eigenlijk nog altijd onze molens en klompen. Wij vinden dat leuk en pijnlijk tegelijk. Een in het buitenland wonend kunstenaar en familielid begreep wat hem te doen stond toen hem gevraagd werd het meeting point op Schiphol te maken, het nieuwe Lobith waar men nu ons land binnenkomt. Hij zette twee grote klompen, gehakt uit marmer, op een voetstuk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden