Livius: 's Rijks geschiedschrijver

BIJ ZIJN LEVEN, in de dagen van Augustus, was hij al een legende - getuige het verhaal over een Spanjaard uit Cadiz, die omstreeks het jaar nul helemaal naar Rome zou zijn gereisd om hem één keer met eigen ogen te kunnen zien....

Jan Blokker

De anekdote laat in het midden of de Spaanse bewonderaar zijn pelgrimage meer speciaal ondernam uit eerbied voor de historicus, maar dat was in de oudheid eigenlijk de vraag ook niet: van de geschiedschrijver werden niet zozeer historiografische als wel literaire vaardigheden verlangd. En blijkbaar was Livius op dat punt voor zijn tijdgenoten een onverbiddelijk succesnummer.

Dat moet bovenal ook te maken hebben gehad met z'n onderwerp. Schrijvers genoeg die verhalen over het Romeinse verleden hadden verteld, maar nog niemand die zich had gewaagd aan het hele verleden: Ab urbe condita, dat wil zeggen alle zeven eeuwen vanaf de in mythologische nevelen gehulde stichting van de stad, tot aan het pas gevestigde keizerrijk uit zijn eigen dagen.

Zo'n alomvattende geschiedenis was nooit geschreven - en het moment waarop Livius ermee begon, leek geknipt. In de laatste halve eeuw voor onze jaartelling was Rome geteisterd geweest door politieke troebelen en zelfs burgeroorlogen, waaraan pas een eind kwam door de overwinning van de man aan wie als augustus (verhevene) de alleenheerschappij - lees: het keizerschap - werd toevertrouwd. De behoefte aan een 'nationale' terugblik op voorbije tijden van glorie en tegenslag, crisis en herstel, dreiging en triomf, was groter dan ooit, - en Livius liet zijn mede-Romeinen troost en vertrouwen putten uit het verleden, waarin de kleine nederzetting aan de Tiber zich ondanks talloze ogenblikken van dreigende rampspoed toch maar had ontwikkeld tot het machtscentrum van de wereld.

Hij heeft het niet kinderachtig aangepakt. Meer dan veertig jaar is hij bezig geweest: een levenswerk. Hij publiceerde zijn 142 boekrollen in groepen van telkens vijf: de pentaden. Je mag aannemen dat de afleveringen per keer op een warme ontvangst mochten rekenen - van Rome tot Cadiz. Dus je bent geneigd in de verte te denken aan de ceremoniën die gepaard pleegden te gaan met de verschijning van telkens een nieuw deel van Lou de Jong. Geschiedschrijver van het Rijk tenslotte. Van Livius' leven is nauwelijks iets bekend, behalve dat hij, eenmaal uit de provincie (Padua) naar Rome verhuisd, net als Vergilius en Horatius in hofkringen vertoefde, en de gunst van Augustus genoot. Hij schreef zeker niet in opdracht, maar wel in de geest van de keizer - de geest van het 'ethisch reveil' waaraan het imperium kennelijk toe was.

Zijn schrijfijver moet enorm zijn geweest - hij werd er bij tijden zelf doodmoe van. Vandaar de merkwaardige verzuchting waarmee hij zijn 31ste boek begon, toen hij besefte dat hij vijftien rollen nodig had gehad voor de eerste vijhonderd jaar van z'n geschiedenis, maar dat hij in de daaropvolgende vijftien rollen niet verder dan 63 jaar was gevorderd.

'Ook mij doet het goed', schreef hij, 'dat ik bij het einde van de Punische oorlog ben aangeland, alsof ik zelf deel heb gehad aan de inspanningen en gevaren. Het past natuurlijk allerminst dat iemand die durft te verkondigen dat hij de hele geschiedenis van Rome uitvoerig zal beschrijven, bij afzonderlijke delen van z'n groot werk vermoeid raakt.

'En toch, wanneer ik me realiseer dat 63 jaren - want zoveel zijn het er vanaf de eerste Punische oorlog tot het eind van de tweede - evenveel boeken bij mij in beslag hebben genomen als de 487 jaren vanaf de stichting van de stad tot het consulaat van Appius Claudius die de eerste oorlog tegen de Carthagers begon, dan voorzie ik nu al wat me te wachten staat: net als iemand die zich laat verlokken door het ondiepe water langs de kust en de zee in waadt, kom ik met elke stap voorwaarts in veel grotere diepte, ja in een soort afgrond terecht, en het werk lijkt bijna toe te nemen, terwijl het door het voltooien van de eerste delen minder groot leek te worden.'

Ook daarbij moet je even aan Lou de Jong denken, die ervan uitging dat hij zijn karwei in minder dan tien delen en een beperkt aantal jaren zou klaren, en die tenslotte meer dan 25 jaar nodig had voor bijna dertig banden. En die hoefde alleen maar de geschiedenis van het koninkrijk in de kortstondige Tweede Wereldoorlog te scheren.

In de oudheid moet Livius zijn gelezen als een bijbel - grotendeels overigens in handzame samenvattingen of uittreksels, want het veelvuldig kopiëren van de tienduizenden woorden originele tekst zou jaren dwangarbeid hebben gevergd. De oorspronkelijke tekst moet onder maar zeer weinig ogen zijn gekomen - en de verspreiding van al die résumés heeft op den duur de aandacht voor het 'oerboek' en het beperkt aantal 'oerkopieën' verloren doen gaan. Dat verklaart het feit dat van de 142 rollen tenslotte slechts 34 de eeuwen hebben kunnen trotseren. Maar dan nog: de complete Nederlandse vertaling van wat is overgebleven, beslaat nog altijd drie vuistdikke delen van bij mekaar meer dan vijfentwintighonderd pagina's.

De reusachtigheid van de onderneming dwingt nog altijd respect af.

Maar is het nog leesbaar, om niet te vragen genietelijk?

De geleerden zijn het erover eens dat Livius als geschiedschrijver niet erg au sérieux kan worden genomen. Zijn bronnen waren naast wat verspreide Romeinse (en vooral Griekse) voorgangers de senatoriale annalen die hij op hun woord geloofde, en zelden of nooit op hun betrouwbaarheid toetste. Hij schreef normatief en programmatisch: de Romein moest uit de deugden en ondeugden van het verleden de les leren dat de eerste steeds meer en de tweede steeds minder beoefend moesten worden. Scepsis was hem vreemd, een Tacitus was hij op geen stukken na. De 'romige volheid' van zijn proza (de kwalificatie is van de latere Quintilianus) had ten doel de Romeinse ziel te balsemen, de Romeinse trots en zelfverzekerdheid te bevestigen. Maar ook aan de waarde van dat proza is op den duur de nodige twijfel ontstaan. 'Dat van Livius' 142 boekrollen tellende opus driekwart is verdwenen', schreef de classicus Piet Gerbrandy in zijn vrolijke bundel Boeken die ertoe doen, 'lijkt me historisch noch literair een treurig stemmend verlies', en hij voegde daar - met alle respect voor de soepele vernederlandsing - nog aan toe: 'Laat de latinist zich nog gewillig afleiden door Livius' bedwelmend balkon, wie de vertaling leest merkt pas hoe ongelooflijk saai het grootste deel van deze boeken is.'

Bij de vorige twee vertaalde delen - Zonen van Mars (de boeken I tot X) en Hannibal voor de poorten (XXI tot XXX) viel het met die saaiheid nog wel mee. In de stichtingsgeschiedenis met haar aan het verhaal van Kaïn en Abel herinnerende sage van Romulus en Remus kon Livius nog profiteren van de mythologische (en wrede) sprookjesachtigheid, daar kon hij ook meer uit z'n duim zuigen dan dat hij zich aan enigerlei 'waarheid' verplicht hoefde te voelen: hij was als het ware nog in ondiep water langs de kust. En in de pentades over de Punische oorlogen had hij uiteraard de ingrediënten voor groot drama voor het oprapen: Hannibal, de olifanten, de paniek in Rome, het duel tussen een romantische veldheer en de effectieve vertragingstactiek van zijn Romeinse tegenstanders - dat kon bijna niet worden bedorven.

Maar in de laatst overgebleven boeken (XXXI tot XLV) wreekt zich de opsommerigheid van iets te veel veldslagen vooral vanwege de omstandigheid dat er eigenlijk zo weinig meer op het spel staat. Het gaat om de periode van 200 tot 167 voor Christus (nog meer tekst voor nog minder jaren!) - en het Rijk is in zekere zin 'verzadigd', wat het nog te doen zoekt, zijn pure veroveringsoorlogen ter consolidatie van de feitelijke machtspositie. Bij de veldtochten tegen de Macedoniërs gaat het niet meer om een strijd op leven en dood, maar om louter imperialisme: in de laatste uithoek van de al helemaal beheerste Middellandse Zee moeten de rebelse nazaten van Alexander de Grote nog even tot de orde worden geroepen - en Livius schrijft de notulen van de diverse expedities.

De desbetreffende boeken zijn door de vertaalster samengevat onder de titel Vrijheid voor de Grieken, wat misschien half ironisch is bedoeld. Weliswaar intervenieerden de legioenen - eeuwenoude smoes van veroveraars - 'op verzoek' van allerlei Griekse steden en eilanden die zich door de Macedoniërs bedreigd voelden, maar vrijheid brachten ze niet mee - Griekenland werd domweg ingelijfd bij de Romeinse provincia Macedonië, en los van de vraag in hoeverre Rome hellenistische invloeden onderging, waren de trotse Griekse steden van weleer domweg deel geworden van een Romeins wingewest.

Het is in die laatste bijna duizend bladzijden zoeken naar behartenswaardige passages. Tenminste één is onovertroffen: het hoofdstuk over de Bacchanalia, die in het jaar 186 door de senaat werden verboden, en die zijn beschreven en geduid als opkomst en ondergang van een sekte. Het is Livius op z'n best: geen romige volheid, maar koele, zakelijke informatie met op z'n ergst een licht moraliserend ondertoontje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden