Live from the seventies

Het livealbum beleefde zijn glorietijd in de jaren zeventig. Het bijna volmaakte voorbeeld ervan, Live In Japan van Deep Purple, is nu heruitgegeven.

Toen Deep Purple in augustus 1972 voor het eerst in Japan op tournee ging, stelde de Japanse concertboeker voor om een aantal optredens op te nemen (twee in Osaka, een in Tokio) en er een live-elpee van samen te stellen. Leuk voor de Japanse markt.


De Engelse groep, een van de beste livebands van dat moment, ging akkoord en was zo tevreden over de kwaliteit van de opnamen dat ze die toch maar even aan hun platenlabel lieten horen: willen jullie dit niet wereldwijd uitbrengen? Antwoord: nee, want live-albums verkopen niet.


Uiteindelijk deed men het toch maar. Made In Japan (totale kosten: 3.000 dollar) haalde een miljoenenverkoop en is nu, bijna 42 jaar later, heruitgegeven als luxe box: de drie volledige optredens waaruit de originele dubbel-elpee werd samengesteld, plus een mooi boek en wat aardige parafernalia.


Made In Japan is een haast volmaakte concertregistratie van een superieure rockband op de top van zijn kunnen: een livealbum dat de fysieke ervaring van het rockconcert voelbaar maakt en waar de energie nog altijd van afspat. Het staat altijd in het vaste rijtje klassieke liveplaten, met Live At Leeds van The Who, Rock 'n Roll Animal van Lou Reed en nog een paar.


Dat vaste rijtje klassiekers bestaat steevast uit livealbums uit de jaren zeventig, in het bijzonder de eerste helft van dat decennium: de glorietijd van het livealbum. Die valt eenvoudig te verklaren. De jaren zestig leverden veel geweldige platen op, maar nog niet zo heel veel groepen die ook machtige podiumbands waren. Tegen 1970 ontwikkelden 'oude' groepen als The Who en The Rolling Stones zich op dat vlak stormachtig en stond een nieuwe lichting op, aangevoerd door hardrockpioniers als Led Zeppelin en Deep Purple: technisch uitstekend onderlegde rockbands met charisma, die veel complexere rock maakten dan de beatgroepen die vijf jaar eerder het aanbod domineerden.


Parallel aan die ontwikkeling ging de techniek met sprongen vooruit, zowel de geluidskwaliteit voor de concertbezoekers als de mogelijkheden het geheel goed op te nemen, te mixen en op plaat te zetten.


Toen The Beatles in 1964 en 1965 enkele Amerikaanse optredens opnamen, werd daarvoor een recorder met maar drie sporen gebruikt. Dan ben je gedwongen verschillende instrumenten en zangpartijen op hetzelfde spoor op te nemen. Na het concert kan de mixer nog wel naar de juiste verhoudingen tussen de sporen zoeken, maar aan de verhouding tussen de partijen die samen op één spoor staan, kun je niets meer veranderen. Met andere woorden: in de jaren zestig moest tijdens het concert ter plekke worden gemixt. Op gevoel.


Tegen 1970 was de achtsporenrecorder de standaard. Ook Made in Japan werd op acht sporen opgenomen: zang, gitaar, bas en het geluidsbepalende orgel van Jon Lord elk op een eigen spoor, plus twee sporen voor de drums en - heel belangrijk - twee voor publieksgeluid. In de jaren zestig deelde het publieksgeluid vrijwel per definitie een spoor met een zangstem of instrument, met het bekende 'verzuipen' van zang of muziek als gevolg.


Elke Nederlandse vakman kan je uitleggen hoe dat werkt. Producer/mixer Guido Aalbers, die in het Soestse studiocomplex Studio41 zijn eigen GieSound Studio runt: 'Rond 1970 werd het gebruikelijk om publieksgeluid op een apart spoort op te nemen, maar daarnaast komt het publieksgeluid natuurlijk ook binnen op de andere microfoons, die een zangstem of instrument opnemen. Op Made In Japan had je dus twee publiekssporen, maar vanuit de zaal komt ook het zaalgeluid van de band nog eens binnen. Dat noemen we spill. Dan krijg je dat enigszins wazige, galmende effect dat je ook op Made In Japan hoort en dat je als concertgevoel ervaart.


Opname op acht sporen maakte een, in vergelijking met vijf jaar eerder, tamelijk grondige mixage mogelijk - en dat van bands die live toch al veel beter klonken, zichzelf op het podium beter konden horen en (in het geval van bijvoorbeeld Deep Purple) ook beter konden spelen dan The Beatles in 1965.


Jan Schuurman van het Spakenburgse Van Mobile Studio's: 'In de jaren zestig was het wel mogelijk om op meer dan drie of vier sporen op te nemen, maar die apparatuur was enorm groot. Die reed je niet zomaar even een concertzaal of stadion binnen. Rond 1970 kwamen de analoge mobiele studio's voor acht sporen. Die pasten in een vrachtwagen.'


Meer mixmogelijkheden leiden uiteraard tot meer cosmetische ingrepen achteraf: een valse solo of een valse zangstem kun je achteraf opnieuw inspelen of -zingen: een overdub. Dat was in de jaren zestig (met verschillende partijen op één spoor) amper te doen. In de jaren zeventig kon het. Berucht is bijvoorbeeld Alive! (1975) van de Amerikaanse rockband Kiss, waarop vrijwel alles overdub is en het publieksgeluid onnatuurlijk werd opgeblazen.


Aalbers: 'Tegenwoordig worden de meeste livealbums opgenomen op 48 sporen. Dat is een beetje de standaard, maar je kunt desgewenst gebruikmaken van honderden sporen. Als je John Mayer opneemt, werk je zeker met meer dan honderd sporen. Digitaal, uiteraard, waar alles in de jaren zeventig nog analoog was. Ook aan afzonderlijke sporen kun je nu makkelijk schaven.'


De vraag dringt zich op waarom niet alleen de decennia vóór de jaren zeventig minder goede klassiek geworden livealbums opleverden, maar de decennia ná de jaren zeventig ook. Waarom leidde de voortschrijdende techniek niet tot steeds meer onvergetelijke liveplaten?


Guido Aalbers: 'Dat is natuurlijk een smaakkwestie, maar in het algemeen streven bands nu meer naar perfectie. Dat begint al op het podium, waar vaak computers meelopen zodat alles elke avond in hetzelfde tempo gaat. Tijdens het mixen kun je ongeveer alles wegmoffelen. In de jaren zeventig kon je wel goed het concertgevoel vastleggen, maar nog niet elk detail vlakstrijken. Het ging meer om de energie, de bands hadden wat meer attitude. Artiesten die nu een liveplaat maken, zijn vaak geneigd op safe te spelen.'


Deep Purple: Made In Japan (Deluxe Edition). Universal.

Nederland

Nog voor Made In Japan bracht de Nederlandse band Shocking Blue een in Japan opgenomen livealbum uit: Live In Japan (1971). Concertplaten opnemen in een volle buitenlandse zaal is prestigieus. At The Rainbow (1973) van Focus en Live (1977) van Golden Earring werden opgenomen in het beroemde Rainbow Theatre in Londen. Wel in eigen land opgenomen: Cha Cha (1978) van Herman Brood & His Wild Romance.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.