Litteken in het weefsel van de stad

VISIONAIR WAREN ze zeker, de stadsbestuurders en ontwerpers in de jaren vijftig en zestig. In grootse scenario's werden hele wijken van de kaart geveegd om plaats te maken voor imposante kantoren, brede winkelpromenades, glimmende woonblokken en drukke verkeersaders....

Van roemruchte wijken als de Jordaan, de Kinkerbuurt, de Pijp, de Nieuwmarkt en de Dapperbuurt zou maar weinig overeind blijven staan. In andere historische steden, zoals Groningen, Utrecht en Delft, werden vergelijkbare ideeën ontwikkeld. City-building en een radicale sanering van de oude volksbuurten stonden centraal in de plannen tot modernisering. Den Haag ging daarin misschien nog het verst: wat Duitse vliegtuigen in mei 1940 in Rotterdam aanrichtten, werd hier uit vrije wil nog eens overgedaan.

Er is geen twijfel mogelijk dat de betrokken ontwerpers en bestuurders zich lieten leiden door hooggestemde idealen en verwachtingen. Architectuur en stadsplanning werden gezien als belangrijke middelen om de maatschappij te hervormen en het volk te verheffen. De architectuur was een van de pijlers van de gezonde en harmonieuze samenleving en daarin was geen plaats voor een buurt als de Amsterdamse Pijp. Deze dichtbevolkte volkswijk met haar smalle, hoge straten , ontstaan in een tijd dat de overheid nog nauwelijks greep had op de huisvesting en de revolutiebouw hoogtij vierde, gold al vele decennia als toonbeeld van de ordeloze en asociale negentiende-eeuwse woningbouw. 'Hier te moeten wonen moet de mens zwaarmoedig en zwaartillend maken', oordeelde de schrijver van de monumentale Geschiedenis van Amsterdam, prof. H. Brugmans, begin jaren dertig.

Welke radicale veranderingen de opvattingen over architectuur, huisvesting en stadsontwikkeling de afgelopen eeuw hebben ondergaan, vormt een van de hoofdthema's in het werk van Brugmans' geestelijke erfgenaam, Richter Roegholt. Zijn belangrijkste werk over de geschiedenis van de hoofdstad, Amsterdam na 1900, dat vier jaar geleden verscheen, is sterk vanuit stedenbouwkundig perspectief opgezet, en dat geldt ook voor zijn onlangs verschenen bundel Het goud van de wandelaar.

De artikelen in de bundel, die zonder uitzondering eerder - zij het in een andere versie - werden gepubliceerd, behandelen onderwerpen die min of meer gedwongen waren blijven liggen bij het schrijven van het eerste boek. Afgezien van een stuk over de manier waarop het Stedelijk Museum in het bezit kwam van de Malevitsj-collectie, komen in Het goud van de wandelaar eigenlijk maar twee thema's aan de orde: stadsontwikkeling, architectuur en volkshuisvesting; en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. De bundel krijgt daarmee samenhang, die ook de leesbaarheid ten goede komt - al blijkt bij nadere inspectie niet alles wat de wandelaar ziet blinken, ook werkelijk van goud te zijn.

In de artikelen over huisvesting, architectuur en planning laat Roegholt zien hoe het geloof in de moderne stad als symbool van vooruitgang en emancipatie in de jaren zestig begon te slijten. Daarop ontspon zich een taaie en heftige strijd tussen voor- en tegenstanders van de moderne stad; een verschil van inzicht dat niet in de eerste plaats werd uitgevochten in vakbladen of gemeentelijke commissies, maar in buurthuizen, op straat, rond de metro en ontelbare kraakpanden.

Deze omslag had ingrijpende gevolgen. Weliswaar kon geen van de betrokken partijen de volledige overwinning in deze strijd opeisen, het roer ging snel en radicaal om. De herbouwplannen verdwenen van tafel, niet alleen in Amsterdam, maar ook - en zelfs eerder, al suggereert Roegholt het tegendeel - in andere steden. Renovatie, inspraak en kleinschaligheid waren de nieuwe - bewonersvriendelijke - toverwoorden.

De verschuiving in het denken over architectuur, huisvesting en stadsontwikkeling staat uiteraard niet op zichzelf, maar weerspiegelt een veel bredere en diepere omslag in de samenleving en de politieke cultuur. Om dat te illustreren citeert Roegholt Rein Blijstra, een bekend journalist die zich als socialist een warm pleitbezorger van de rationele stad had betoond, maar begin jaren zeventig letterlijk van zijn geloof afviel: 'Wij socialisten willen het goede voor de mensen. Maar tegenwoordig zitten die mensen niet meer op ons te wachten. Ze weten zelf wat goed voor hen is. Waarom moeten wij een oude man in een volksbuurt dwingen volgens onze inzichten te verhuizen naar een doorzonwoning, terwijl hij nu in een goedkoop onderstukkie zit en daardoor geld overhoudt om een borrel te kopen?'

De geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog, waaraan niet minder dan de helft van de bundel is gewijd, levert de meest bewogen pagina's op. Roegholt is het sterkst in de passages waarin hij documenten en verhalen met zijn eigen herinneringen kleur geeft. In een aandoenlijk en met veel empathie geschreven stuk haalt hij de geschiedenis op van dikwijls anonieme helden die joodse kinderen voor de poorten van de hel weghaalden, en van de ouders van die kinderen, die zich voor een verschrikkelijk dilemma gesteld zagen.

Dezelfde betrokkenheid spreekt uit de stukken over de publicatiegeschiedenis van het dagboek van Anne Frank en het optreden van de historicus Ben Sijes als getuige in het proces tegen de oorlogsmisdadiger Rajakowitsch. Bijzonder is ook het artikel over de Jodenhoek, het stadsdeel dat gehavend en verwaarloosd - als een litteken in het weefsel van de stad - decennialang verwees naar de wonden die de geschiedenis hier had geslagen. Het heeft vele jaren geduurd voordat de wijk, waarvan een deel in de hongerwinter was opgestookt en de rest vlak na de oorlog grotendeels was afgebroken, weer enigszins was opgeknapt.

In een opmerkelijke passage probeert Roegholt de stemming op te roepen die hij er als 19-jarige student onmiddellijk na de bevrijding aantrof. Een betrekkelijk groot deel van de weinige joden die de oorlog hadden overleefd, keerde aanvankelijk naar de wijk terug, aldus Roegholt. De sfeer was onbestemd. 'Niemand, haast niemand, durfde de gebeurtenissen kaal zoals ze waren, onder ogen te zien.' Er werd niets gevraagd, er werd weinig gezegd. 'Zulke verhalen konden in het begin niet worden uitgesproken, omdat er geen klankbodem voor was. Er was geen bestaande context voorhanden waarin ze konden worden opgenomen. Ze pasten nergens in.' Daarom werd er over de jaren vóór de oorlog gepraat.

Van de oude jodenbuurt is weinig meer over. De geschiedenis heeft er sinds 1940 letterlijk en figuurlijk huisgehouden. Op vrijwel iedere plek heeft de geschiedenis haar sporen nagelaten: gedenktekens die verwijzen naar het onrecht en de gefnuikte verwachtingen, maar ook naar verzet en veerkracht, grote kantoren en kleinschalige woonblokken, publieke gebouwen, waaronder het stadhuis en het Muziektheater, naast een klein aantal historische panden als de Portugese en Nederlands-Duitse synagogen, waarvan de laatste in de jaren tachtig pas van de ondergang door verwaarlozing werd gered.

Frank van Vree

Richter Roegholt: Het goud van de wandelaar - Over de geschiedenis van Amsterdam.

Atlas; 199 pagina's; ¿ 39,90.

ISBN 90 254 2136 9.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden