Literatuur in gesloten envelop

DOOR DE intimiteit van het schrijven en lezen ervan wordt elke brief in de beeldende kunst in onze verbeelding gemakkelijk een liefdesbrief....

'Ik ben bang dat U moet stoppen met het schrijven van uw kleine liefdesbrieven aan mijn echtgenoot, zo lang als hij en ik samen wonen. Het is een van die dingen die in onze wereld niet gepast zijn. U bent erg jong. Zou U uw echtgenoot niet vragen U de onmogelijkheid van zo'n stituatie te verklaren? Zorgt U ervoor dat ik U niet opnieuw hoef te schrijven. Ik houd er niet van mensen de les te leren en ik haat het gewoonweg hun manieren te leren.'

Een subtielere manier om bij een ander een steen door de spiegel te gooien, is nauwelijks denkbaar. Geen woede om een ongeoorloofde verhouding, maar een les in goede manieren. Het verfijndst is natuurlijk het advies aan de prinses, haar man om explicatie te vragen! Lieflijkere vernijnigheid is nauwelijks denkbaar. De brief lijkt een heel kort verhaal van de grote schrijfster. Het aardige van het briefje is natuurlijk dat Middleton Murry het zonder twijfel te lezen heeft gekregen. Wat een zoete wraak is de schending van het briefgeheim.

De eerste kleine rol voor een debuterende acteur was eens het 'opbrengen' van een brief. Maar welke gevolgen had die onbeduidende handeling vaak niet. De inhoud van de brief leidde meestal tot een keerpunt in het stuk. De brief als onverwachte en ongewenste boodschap, een ingreep van elders. Soms echter ook als een helpende daad van buiten. De toeschouwers worden even buiten het geheim van de brief gehouden, wat spanning oproept. De grote kracht van de nog ongeopende brief wordt zichtbaar. Elke brief kan een bombrief zijn. Op het toneel, als in de hele cultuur, is de brief al lang verdrongen door de telefoon, die een voortdurend ingrijpen van buiten en daarmee versnelling van de actie mogelijk maakt. Aan het telefoneren heeft onze briefstijl zich aangepast. De grote, zorgvuldig geschreven brief is historisch geworden. En de envelop die het geheim omsluit, is haar magische kracht kwijt. De fraaiheid van de oude briefopeners - die sleutels tot het vertrouwelijke - bewijst veel. Velen beschouwen de achttiende eeuw als de grote tijd van de epistolaire kunst. Onder de grote briefschrijvers zijn de vrouwen in de meerderheid. De zorgvuldigheid van stijl en de geestrijkheid van de formulering - de brief als een vorm van superieure conversatie - bepalen mede die grootheid. En hoe werd er niet achter de hand gefluisterd, want de gossip bloeide in die brieven. Tot ons geluk, want we zouden, zonder die correspondenties, de hebbelijkheden en avonturen van velen niet kennen.

ONS GELUK is natuurlijk onrechtmatig, maar we voelen geen schaamte, want we zijn niets liever dan ongewenste lezer. 'Beschouw deze brief als een heilig geheim', schrijft de schilder Benjamin Robert Haydon aan de dichter Keats. Keats bewaarde de brief, zijn correspondentie werd helemaal uitgegeven en het geheim werd ontheiligd. Ik las de brief en betrapte mij op ieder gebrek aan gêne. Een van tranen natte wanhoopsbrief van John Betjeman las ik niet zonder genoegen. En een heel mooie liefdesbrief van de Amerikaanse romanschrijfster Edith Wharton aan haar minnaar Morton Fullerton las ik met een licht gevoel van geluk. Terwijl ik in The Oxford Book of Letters zat te lezen (de genoemde brieven staan daarin), dacht ik soms dat de uitgever op zijn minst de katernen gesloten had moeten houden. Een dergelijk boek hoor je open te snijden. Als een envelop. De gedachte hield niet lang stand.

Er staan 328 brieven in, de eerste is uit 1535, de laatste van 450 jaar later: een door Philip Larkin op zijn sterfbed gedicteerde brief aan Kingsley Amis (ook al dood). 'Well, the tape draws to an end', staat er tegen het einde. En dat wordt heel dubbelzinnig, als heel veel mededelingen in brieven waarvan wij - latere lezers - weten dat die de laatste zouden zijn.

Zijn mijn plezier, geluksgevoel, gebrek aan schaamte te rechtvaardigen? Er staan natuurlijk ook heel wat minder persoonlijke brieven in de collectie, maar die eens strikt vertrouwelijke, - ben ik bij het lezen ervan geen indringer of voyeur? Ze zijn al lang uit de envelop, kan men zeggen, en heel wat van de opgenomen brieven zijn al kort of lang publiek bezit - de Engelsen zijn met de publikatie van persoonlijke correspondenties nooit zuinig geweest, met de uitgaven van dagboeken niet minder. Men lijkt te wachten op de ontsluiting van elkaars geheimen, maar ook te schrijven voor de toekomst van de onthulling. Alle schuldgevoelens worden hierdoor geneutraliseerd: geen briefschrijver of hij heeft werk van zijn brief gemaakt. De liefdesbrief van Edith Wharton is zeer fraai geschreven, heel goed gecomponeerd ook. Betjeman laat zijn tranen heel zorgvuldig biggelen, en Keats' 'geheimschrijver' laat zijn taal de waarheid van zijn grote gevoelens liegen. Wie een brief schrijft - de bloemlezing leidt tot die conclusie - doet er alles aan om een zo goed mogelijke brief te schrijven: hij wil de ander raken, overtuigen, onderhouden, maar hij wil vooral zichzelf helemaal overbrengen. En daarvoor is stylering onvermijdelijk. De vaak schitterende vorm van de brieven geeft het schaamrood weinig kansen. Schrijvers - en er zijn veel schrijvers onder de briefschrijvers - verloochenen zichzelf, in hun correspondentie, als schrijver nooit.

Maar er is nog iets anders dat de voyeur in ons niet met de ogen doet knipperen. Van vele briefschrijvers is maar een enkele brief opgenomen. Dat heeft zijn consequenties: je kent nauwelijks de omstandigheden waarin de brief is geschreven, van de ontvanger weet je doorgaans helemaal niets, laat staan van zijn reactie. De brieven komen haast op zichzelf te staan, krijgen iets tijdloos, maar ook iets onpersoonlijks, bij alle individuele kenmerken en vertrouwelijke mededelingen.

De grote auteur van romans in brieven, Samuel Richardson, schreef ook Letters Written to and for Particular Friends, Directing the Requisite Style and Forms to be Observed in Writing Familiar Letters. Dat moet een grandioos boek zijn; drie brieven eruit werden in de bloemlezing opgenomen. De titel is misleidend, want suggereert een instructieboek. De brieven betreffen allerlei situaties in het leven, de schrijvers zijn 'een moeder', 'een gentleman', algemene figuren dus. In hun brieven karakteriseren ze zichzelf niet alleen, ze spiegelen ook zeden en gewoonten van een tijdperk. De brieven zijn fictie, elke brief wordt een kort verhaal. Juist de isolatie van bijna alle brieven uit de bloemlezing geeft die brieven het karakter van Richardsons brieven. Ze worden onpersoonlijk, al staat er de naam van een bekende auteur of andere historische figuur onder. Ze beginnen het karakter van fictie te krijgen, representatief voor een bepaald soort brieven te worden, zoals ook de schrijvers een vertegenwoordigend karakter krijgen. Tegenover fictie voelt niemand zich onbescheiden.

DE BLOEMLEZING bevestigt bestaande oordelen: Horace Walpole en Lady Mary Wortley Montagu zijn de allergrootste briefschrijvers. Beiden schreven in de achttiende eeuw en deden de geest van hun tijd alle eer aan. Beiden namen ook de tijd: ze schreven lange brieven en nog vele ook. Hun brieven zijn niet een 'bijprodukt' van hun geest, maar een zelfstandige literaire uiting. Ze geven zichzelf minder prijs dan anderen; hun brieven zijn ook geestrijke en geestige nieuwsbrieven. Ze willen misschien in de eerste plaats op een superieure manier onderhoudend zijn. De brief om de brief lijkt het vaak. Juist de lichte afstandelijkheid (die ook de humor mogelijk maakt) maakt de brieven zo bekoorlijk.

Het voor sommigen niet helemaal vaststaande oordeel dat Shaw de grootste briefschrijver van de moderne tijd is, kan zelfs deze bloemlezing bevestigen. Shaws correspondentie is ontzagwekkend groot. Lang niet alles is nog uitgegeven. Hij schreef duidelijk heel graag brieven, maar hij had ook een niet aflatend plezier in het formuleren. Hij lijkt niet te schrijven om een ander te informeren, maar om zichzelf te plezieren. En vele rollen te kunnen spelen. En geestig te kunnen zijn. De allerongewoonste (ook in dit boek waarin enkele heel mooie brieven als doodstijdingen of als reacties op het overlijden van iemand staan) is wel de condoleancebrief die hij aan Helen Harris, de vrouw van de beruchte en geduchte Frank Harris, schreef:

'Men heeft mij zojuist getelefoneerd, dat U aan het einde bent gekomen van het vreemde avontuur getrouwd te zijn met Frank.

'De dood kiest niet altijd het passende ogenblik wanneer er voldoende geld in huis is om zijn kosten te betalen. Vandaar het ingeslotene. (. . .).

'Nu kunt U een nieuw leven beginnen met de wijsheid verworven uit uw eerste ervaring; hijs de vlag die halfstok hangt, op, naar de top, en weg met de melancholie.'

Daar zou Richardson jaloers op zijn geweest, want hoe voorbeeldig is deze brief! Maar wanneer Shaw H.G. Weloos over de dood van zijn eigen vrouw, Charlotte, informeert, draait zijn geest niet om zichzelf; hij is bijna voornaam in zijn smart. Maar wat een stylist, juist in zijn beheersing.

Een ander oordeel wordt ook bevestigd: Edward Lear was een van de alleramusantste briefschrijvers, Henry James een der zorgvuldigste en stijlvolste, Johnson een van de beste. Oscar Wilde, toch ook een groot briefschrijver, krijgt weinig kans met die ene brief aan de directeur van de gevangenis van Reading. Keats krijgt ook niet alle gelegenheid zijn grootheid als briefschrijver te tonen. Hier wordt een belangrijk bezwaar zichtbaar: in een volledige correspondentie versterken en verhelderen brieven elkaar. Een paar brieven kunnen velen tekort doen, hoe goed ze ook zijn gekozen. De twee brieven van Sir John Evelyn zijn prachtig, maar in de context van zijn werk - zijn dagboeken bijvoorbeeld - laten ze pas hun eigenheid zien. Bij meer briefschrijvers wreekt zich de isolatie. Alleen wie de Engelse literatuur en geschiedenis grondig kent, zal de bloemlezing voldoende kunnen waarderen. Ik zou haast zeggen dat de samenstellers, de grote literatuurwetenschapper en -historicus Frank Kermode en Antita Kermode, te veel weten om voor derden een bloemlezing van brieven te kunnen maken.

EEN DER oudste gemeenplaatsen uit de correspondentie moet het excuus voor het late schrijven zijn. Nogal wat schrijvers beginnen met die verontschuldiging. En enkelen blijken meesters in het formuleren ervan, soms zo uitgebreid, dat de lezer over hun hele leven wordt ingelicht. Het belangrijkste excuus is het gebrek aan rust. De brief eist tijd en concentratie. Naarmate deze tijd nadert, wordt het begin van de brieven directer, de stijl wordt ook eenvoudiger, gehaaster zelfs. De brief zelf is het excuus voor het late antwoord! De brief heeft het in de cultuur duidelijk verloren. In hun Introduction laten de auteurs de tijd van de grote briefcultuur beginnen in 1700 en eindigen in 1914 (het meest beslisende want alles scheidende jaartal van de nieuwe tijd). Een vervolg op deze bloemlezing zien zij niet in het verschiet. Geen bloemlezing van faxen, geen Oxford Book of E-mail. De cultuur is onpersoonlijker geworden, vluchtiger ook. Ieder zal met Shaw zeggen: 'Ik heb zo veel te schrijven, dat ik geen tijd heb om te schrijven.' De achttiende-eeuwse briefschrijver had de tijd, zijn lezer ook. Zelfs het nieuws had de tijd. Europa moet er nooit zo rustig bij gelegen hebben, onder een heldere lucht, als in die eeuw, toen de pennen niet krasten, maar over het papier zwierden.

De allermooiste brief is uit 1603. Sir Walter Raleigh zit in de Tower, wachtend op zijn executie. Hij schrijft een lange afscheidsbrief aan zijn vrouw: 'Ontvang van je ongelukkige echtgenoot deze, zijn laatste regels, deze woorden, de laatste die je van hem zult ontvangen.' Schitterend zijn de adviezen voor de keuze van een nieuwe echtgenoot. Terwille van het kind en zijn nagedachtenis. Hij zou overigens pas vijftien jaar later geëxecuteerd worden! Wat gebeurde er in die tussentijd? Het boek laat je voortdurend op beslissende ogenblikken in de steek. En dat is heel pijnlijk.

'Geachte Frank en Anita Kermode, ik heb nog weinig tijd. U misschien ook. Maakt U nog een tweede deel, waarin wij te lezen kunnen krijgen hoe het verder ging. Mijn bewondering voor Uw boek is groot - dank nog voor de prachtige brieven van Emily Dickinson - maar dat elke brief een belofte is van een volgende, zoals U beter dan ik weet, betekent dat U ons tekort heeft gedaan, op de allerelegantste manier overigens. Ik verwacht geen antwoord, maar een boek. Ik moge verwijzen naar de fraaie smeekbrief van Henry Cockburn, aan zijn broer die wijnhandelaar was. Hij vraagt om perfecte whiskey. Als die er niet is, dan behoeft hij niets. U heeft ons één perfecte fles geleverd. Ik wacht op de tweede. Met gevoelens van alle verschuldigde hoogachting.'

The Oxford Book of Letters, Edited by Frank Kermode and Antita Kermode, Oxford University Press, ¿ 63,80.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden