Literatuur en geld,een moeizame lat-relatie

Minder Nederlandse literatuur, meer vertalingen, dat is de tendens in het Nederlandse uitgeefbedrijf. Grote concerns met veel overheadkosten spelen liever op safe met vertaalde bestsellers uit het buitenland....

VAN DE GROTE Duitse schrijver Thomas Mann is één roman nooit in het Nederlands vertaald: Joseph und seine Brüder. Wie het boek kent, heeft de verklaring bij de hand. Het boek is veel te dik. In de Duitse Fischer-editie telt het bijna tweeduizend pagina's. Daar beginnen uitgevers niet gauw aan.

Er worden in Nederland heel veel literaire boeken vertaald, niet alleen uit de gangbare westerse talen, maar ook uit het Ests, het IJslands, het Vietnamees, het Chinees of het Galicisch. Er wordt zelfs steeds meer vertaald. Weliswaar gaat het dan vooral om makkelijk toegankelijke Engelstalige boeken, maar de tendens is duidelijk. Zolang het met het vaderlandse uitgeversbedrijf gaat zoals het gaat - en dat is uiteraard afhankelijk van de conjunctuur, maar ook van verdere digitale ontwikkelingen - zal er steeds meer vertaald worden, en zal er steeds minder Nederlandse literatuur op de markt verschijnen.

Ook in dit geval ligt de verklaring voor de hand. Er zijn te weinig Nederlandse schrijvers of schrijfsters wier boeken zo goed verkopen dat de enorme uitgeefconcerns die de laatste jaren zijn ontstaan er hun overhead mee kunnen betalen. Misschien kun je ook zeggen dat minder en minder mensen malen om de eigen Nederlandse literatuur, waarvan ze ook langzamerhand de geschiedenis niet meer kennen. Een opvatting is ook dat vertalen gemakkelijk is: uit de buitenlandse grabbelton is altijd wel iets te halen dat redelijk valt te verkopen (want in de mode, een trend, of anderszins een gewild artikel), dus altijd kans dat je er een grijpstuiver aan verdient.

Eigenlijk is dit raar, want het produceren van een boek wordt door het vertalen niet goedkoper, integendeel. In de eerste plaats moet de Nederlandse uitgever rechten betalen aan zijn buitenlandse collega, bedragen die de neiging hebben almaar te stijgen nu er geen transactie meer geschiedt zonder de bemoeizucht van een agent (die ook een flink graantje mee wil pikken). In de tweede plaats moet de uitgever de vertaling betalen, en al doet hij z'n uiterste best daarop te beknibbelen, het is toch een redelijke soms gelds.

In de derde plaats zijn de redactiekosten bij een vertaling meestal hoger dan bij een oorspronkelijk Nederlands manuscript. Soms moet veel tijd in het fatsoeneren van een niet deugdelijke vertaling worden gestoken. Er zijn uitgevers die voor zulk werk nauwelijks geld overhebben (op redacteuren wordt steeds meer bezuinigd), maar het zal duidelijk zijn dat het resultaat van een dergelijke handelwijze voor de lezer een crime en voor de buitenlandse schrijver een affront is.

Hoe dit ook zij, niet te ontkennen valt dat er in Nederland aan de lopende band de allerprachtigste vertalingen verschijnen. Wie enigszins in literatuur geïnteresseerd is, heeft de voorbeelden voor het grijpen. De Don Quichot van een paar jaar geleden, De goddelijke komedie van vorig jaar, de twee boeken van Sándor Márai (Gloed en De erfenis van Eszter), Die gore klerezooi in de Via Merulana van Carlo Emilio Gadda, de novellen van Luigi Pirandello, In ongenade van J.M. Coetzee, Het bezoek van de lijfarts van Per Olov Enquist, de hele Duizend-en-één-nacht en ga zo maar door. Met gemak zou hier een opsomming van een kleine tweehonderd boeken te geven zijn - allemaal recent vertaalde of opnieuw vertaalde meesterwerken - waarvoor elke musisch ingestelde lezer z'n hand in het vuur zou steken.

Dat is geen overdrijving. Zeker niet. Maar het roept wel de vraag op hoe dat kan. Hoe kunnen er zulke, vaak kostbare, boeken worden uitgegeven? Is er zo'n groot publiek voor? Zien uitgevers in zulke gevallen af van elke vorm van winstbejag? Houden ze zoveel van deze boeken dat ze er álles voor overhebben en het 'kostenplaatje' maar even vergeten?

Dat is niet heel erg waarschijnlijk. Een uitgever die niet rekent, kan binnen de kortste keren met z'n plasje naar de dokter.

Interessanter is de veronderstelling dat het, nog steeds, heel goed mogelijk is bijzondere boeken uit te geven, als je maar weet wat je doet. Als je weet hoe je zulke uitgaven, soms met enige moeite en hoofdbrekerij, kunt financieren.

De vraag rijst of bij de hooggekwalificeerde vertalingen waarover we het hier hebben, buitenlands geld een stimulans is geweest. Geeft misschien bij tijd en wijle een forse duit in het zakje van de kant van een buitenlandse culturele instelling de doorslag?

Uitgever Koen van Gulik en redacteur Koos Hageraats van de Wereldbibliotheek hadden Joseph und seine Brüder al heel lang op hun verlanglijstje staan. Per slot van rekening had de Wereldbibliotheek Thomas Mann al in haar fonds, voordat De Arbeiderspers aan nieuwe vertalingen van zijn werk begon. Maar. . . de financiën, die vormden inderdaad een struikelblok. Alleen de vertaling al, becijferen zij tijdens ons gesprek, vergt een halve ton.

Dat is veel geld voor een kleine uitgeverij. Zulke hoge kosten kunnen betekenen dat de Nederlandse uitgave te duur wordt voor wat de consument bereid is te betalen. In zo'n geval kan een subsidie van een buitenlandse instelling helpen.

Voor Duitsland klopt men daarvoor meestal aan bij het dit jaar met de Goethe-instituten gefuseerde Inter Nationes. Die instelling is soms bereid een (klein) deel van de vertaalkosten te subsidiëren, maar of dat gebeurt, hoor je vaak pas laat - als het boek al in productie genomen is. De kans dat je geld krijgt, meestal zo'n 30 procent van de vertaalkosten, is trouwens gering.

Gerda Mentink van het Amsterdamse Goethe-Institut laat me zien dat voor het eerste halfjaar van 2001 aan Nederlandse uitgevers maar vijf keer een subsidie is toegekend (Maxim Biller en Paul Celan bij Meulenhoff, Victor Klemperer bij Atlas, en de briefwisseling van Schiller en Goethe bij Boom).

De onzekerheid of je iets krijgt en het lange wachten op een beslissing maken het onmogelijk je beslissing om een boek te vertalen van de buitenlandse subsidie te laten afhangen. Van Gulik: 'Dat doen we dan ook niet. Hoewel we in dit bijzondere geval wel een ontbindende voorwaarde in het contract met Fischer hebben laten opnemen, dat we ons kunnen terugtrekken, indien Inter Nationes niet over de brug komt.'

Het verhaal dat Van Gulik en Hageraats vertellen, hoor je ook van andere literaire uitgevers. Eric Visser van het bloeiende, inmiddels 'middelgrote' bedrijf De Geus in Breda leidt me langs de boekenkast waarin nagenoeg het hele fonds is uitgestald en wijst op tal van 'dikke' vertalingen: 'Pramoedya, Nâzim Hikmet, Amadou Hampâté Bâ, geen cent subsidie', zegt hij. Maar, geeft hij toe, de laatste jaren is men er bij zijn bedrijf toch wat meer op gespitst geraakt doordat tegenwoordig voor elk boek een sluitend financieel plan wordt gemaakt. Die calculatie houdt standaard rekening met de mogelijkheid van subsidie.

Dat wil niet zeggen, voegt hij eraan toe, dat de uitkomst van zo'n berekening altijd positief is. Integendeel, vaak dient zich in eerste instantie - voor de eerste druk in hardcover - een negatief saldo aan. Hij geeft als voorbeeld het tweede boek van de Afrikaanse verteller Amadou Hampâté Bâ, Jawel, commandant. De vertaling kostte fl 15.141,-. 'Van het Franse ministerie voor Cultuur ontvingen we, via Philippe Noble), fl 7.323,- aan vertaalsubsidie, waarmee we lang niet uit de kosten waren. Onze berekening viel dus negatief uit, maar het gaf niet. De verkoop overschreed onze verwachtingen. Maar, zeg ik er met nadruk bij: dit boek hadden we ook zonder subsidie uitgegeven.'

Een ander voorbeeld: Onafhankelijke mensen van de IJslandse Nobelprijswinnaar Halldór Kiljan Laxness (1902-1998). 'Dat wordt een boek van dik zeshonderd pagina's. De vertaalkosten belopen zeker twintigduizend gulden. We weten dat we niet meer dan drieduizend gulden uit IJsland krijgen. Toch weerhoudt ons dat niet.'

Kun je geld uit IJsland krijgen? Als je de weg weet, wel. Je kunt tegenwoordig uit bijna elk Europees land (en Canada!) wel geld krijgen, omdat men er overal toe is overgegaan een soortgelijke instelling als het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds in het leven te roepen. Rudi Wester, de directeur daarvan, kan je haarfijn uitleggen dat de meeste 'zusterinstellingen' van het Produktiefonds, in Denemarken, in Spanje, in Finland, in Duitsland, in Noorwegen, enfin noem maar op - ja, zelfs in Israël en Japan, alleen in Engeland en in Amerika doen ze niet aan zulk subsidiëren - nog lang niet de mate van bereikbaarheid, besluitvaardigheid en doelmatigheid hebben bereikt als wij in Nederland.

Een buitenstaander als de voortreffelijk Nederlands sprekende Fransman Philippe Noble - tegenwoordig als cultureel attaché aan de Franse ambassade in Den Haag verbonden - bevestigt dat volmondig. In Nederland bestaat ten aanzien van vertalingen en vertalers een oneindig veel helderder structuur dan in menig buitenland, zijn eigen geliefde Frankrijk niet uitgezonderd.

Als je de weg weet, berekent Koen van Gulik tijdens ons gesprek, zou je als uitgever wel een paar ton uit al die buitenlandse fondsen kunnen halen. Het probleem is alleen dat bijna niemand eraan begint: het is verschrikkelijk tijdrovend, omslachtig, bureaucratisch, en gebaseerd op regels die contraproductief zijn voor een ondernemer, wat een uitgever per definitie is. Alleen bij Meulenhoff, onderdeel van het PCM-concern, werkt een freelancer die zichzelf in de loop van de tijd wegwijs heeft gemaakt in buitenlands subsidieland.

Allemaal goed en wel, zegt Emile Brugman van Atlas (onderdeel van het nieuwe Bosch & Keuning Veen-concern), maar zelfs als je de weg weet, is het de vraag wat je dan helemaal binnenhaalt. Hij deed de in Duitsland veelbesproken oorlogsdagboeken van de romanist Victor Klemperer, twee delen gebonden. Brugman: 'Iedereen zei, je bent gek als je eraan begint, maar ik geloofde erin. Ik kreeg 10.000 gulden subsidie. Dat was niet doorslaggevend voor m'n beslissing. Ik zou het tóch gedaan hebben. De totale productiekosten waren 150.000 gulden. Ik maakte een oplage van 3500. Die is, mede dankzij de ECI, waar toen Joop Boezeman nog zat, helemaal verkocht.'

Ach, zegt Peter Nijssen van De Arbeiderspers relativerend: 'Het helpt soms in zoverre dat je het boek iets goedkoper kunt maken. Of iets mooier. . .'

Subsidie of niet, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Altijd zijn er uitgevers die 'het onmogelijke' willen. Zo droomt Peter Nijssen ervan ooit het nagelaten werk van de Italiaanse criticus Roberto Bazlen - een vriend van wijlen prof.dr. Jaap Oversteegen - uit te geven. Subsidie kan hier geen soelaas bieden. Emile Brugman wil binnenkort beginnen met de (her)uitgave van al het werk van William Faulkner, onbetwist de allergrootste Amerikaan van de twintigste eeuw. Subsidie - in het land van Faulkner houden ze er niet van - kan hij wel vergeten. Het project bewijst dat je, als het gaat om bijzondere boeken, niet makkelijk een tweedeling kunt aanhouden tussen concernuitgevers en zelfstandige uitgevers.

Wel tussen grote en kleine. Eric Visser: 'Als je heel weinig overhead hebt, en je bedrijfskosten dus heel laag zijn, kan subsidie van het grootste gewicht zijn. Bij een bedrijf als het onze vallen die bedragjes van een paar duizend gulden die je uit het buitenland krijgt, weg tegen de kosten die met je hele bedrijfsvoering, de zorgvuldige redactie van de boeken bijvoorbeeld, te maken hebben.'

Coppens & Frenks is zo'n kleintje. George Coppens werkt al jaren in zijn eentje aan zijn unieke fonds, dat in de meeste boekwinkels nauwelijks nog onthaal vindt. Te mooi, te duur. Coppens zou bij subsidie gebaat zijn, maar, zegt hij, ''t Is zo'n gedoe. Ik heb het wel nodig. Zo'n boek als Het zwarte bloed van Louis Gilloux kan eenvoudigweg niet zonder, al begon ik eraan toen ik nog niet wist of ik iets kreeg.'

De moeilijkheid is, zegt hij, dat je er nooit staat op kunt maken. Je weet nooit zeker óf je iets krijgt, of wannéér.' Hij zou graag het Franse meesterwerk Parmi tant d'autres feux. . . van Raymond Guérin in zijn fonds opnemen, 791 bladzijden, 25.000 gulden vertaalkosten. Zo'n boek zou bij hem, zonder subsidie, tweehonderd gulden moeten kosten. 'Dan kun je het wel vergeten.'

Een heel gedoe - dat vinden de andere literaire uitgevers ook. Gelaten accepteren ze de relatieve ondoordringbaarheid van de subsidiërende instellingen. Alleen als 'Europa' ter sprake komt, dreigen ze hun kalmte te verliezen. 'Europa' is in één woord verschrikkelijk. Een labyrint, niet door te komen. George Coppens vertelt dat hij een tijdlang 'in het systeem' zat, en dientengevolge jaarlijks een aanvraagformulier kreeg toegestuurd. Ineens hield het op, en wat hij ook ondernam om hierover met Brussel in contact te komen, het lukte hem niet.

Hetzelfde overkwam, vertelt schrijfster en vertaalster Barber van de Pol, de vertalers die in de jury van de prestigieus bedoelde Europese Aristeion-prijs voor vertaalde literatuur zaten. Zij brachten hun advies uit, en hoorden nooit meer iets. Later bleek de prijs een zachte dood te zijn gestorven.

Er was iets veranderd in Brussel. Wat er veranderd was, kan in elk geval één persoon in Amsterdam vertellen: Yvette Gieles, dit jaar aangesteld als coördinator van het CCP (het Europees Cultureel ContactPunt Nederland), onderdeel van de Sica, de stichting internationale culturele activiteiten. Daar moet men het Nederlandse 'culturele veld' wegwijs maken in Europa.

Gieles vertelt dat de abrupte veranderingen in het Europese culturele beleid te maken hebben met een nieuw 'kaderprogramma', dat alle kunstplannen voor de komende vier jaar inventariseert. Voor de literatuur - toch bij uitstek een mogelijkheid om de Europese integratie te bevorderen - is heel weinig plaats ingeruimd. Aanvankelijk, vertelt vertaler Peter Bergsma, directeur van het Vertalershuis in Amsterdam, was er helemáál geen plaats voor de literatuur ingeruimd. De literatuur was eenvoudigweg van de kaart geveegd. Met Rudi Wester organiseerde hij juli 1999 een conferentie in Amsterdam om hiertegen te protesteren.

Het hielp, maar niet veel. Yvette Gieles legt uit dat er de komende vijf jaar vijftig 'boekprojecten' door Europa gesubsidieerd kunnen worden. Daarop kan door 28 landen (alle lidstaten, plus Noorwegen, IJsland, Liechtenstein en de tien toetredende voormalige Oostbloklanden) een beroep worden gedaan. De aanvragen worden verdeeld over fictie, non-fictie, e-books en kinderboeken. De procedure is lang en ingewikkeld, en al kan nu het Amsterdamse steunpunt Nederlandse uitgevers hand- en spandiensten verlenen, erg veel aantrekkelijker is 'Europa' er, literair gezien, niet op geworden.

De enige bruikbare weg is nog steeds, zo blijkt, de individuele. Philippe Noble doet veel. Gerda Mentink bij het Amsterdamse Goethe-Institut helpt. Maar in feite doet een eigenzinnige uitgever het zelf. Het blijft, zegt Emile Brugman, een kwestie van interne subsidiëring. Gemma Nefkens bevestigt dat. Door het verkoopsucces van Het bureau van Voskuil kon Van Oorschot meer doen dan daarvoor.

De Franse bibliotheek, waarvoor Wouter van Oorschot werd geridderd door de Franse overheid, is voor de uitgever een 'verliespost'. Gemma Nefkens draait er niet omheen. Net als bij de poëzie, zegt ze, moet er geld bij (terwijl Peter Nijssen me kort tevoren nog had verteld dat De Arbeiderspers geld verdient met de poëzie van Anna Enquist, Herman de Coninck, Esther Jansma en Eva Gerlach).

Het blijft onvoorspelbare handel. Mark Pieters, verantwoordelijk voor Athenaeum-Polak & Van Gennep, aarzelt met het uitgeven van het eerste deel van Euripides' Verzamelde Werk. Zonder subsidie gaat het 100 gulden kosten. Hij heeft liever dat het 75 gulden kost, maar wie subsidieert een oude Griek? Europa?

Literatuur en geld - het blijft een wisselvallige lat-relatie.

Emile Brugman: 'Tegenwoordig willen de concernmanagers dat elk boek zichzelf bedruipt. Anders geef je het maar niet uit. Maar dat kan helemaal niet, nooit. Je moet altijd risico nemen.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden