Literaire weldoeners in Nederland

ONDER HET kopje 'Dichter en Uitgever' plaatste een Nederlands gezinsblad in 1884 een cartoon waarin een dichter zijn beklag doet bij zijn uitgever....

De dichter moppert: 'Zeg eens, mijnheer, het horloge dat u mij als honorarium voor mijn dichtbundel gegeven heeft, gaat niet.'

Waarop de uitgever, die op een ladder voor de boekenkast staat, ook letterlijk uit de hoogte antwoordt: 'Nu, dan sta je er al net mee als ik; want uw dichtbundel gaat ook niet.'

De grap is nog steeds goed als voorbeeld van uitgeverscynisme, maar in 1884 zullen ze toch vooral om die rare dichter gelachen hebben. In haar boek Geven om te krijgen onderkent Helleke van den Braber dat er aan het einde van de negentiende eeuw vier modellen van schrijverschap zijn. Er zijn broodschrijvers en beroepsschrijvers, maar onze klagende dichter lijkt het best te beantwoorden aan het profiel van de 'autonome schrijvers'. Die richten zich op de 'hoge' literatuur, schrijven uit roeping, en verheerlijken de dichterlijke authenticiteit. Ze zijn zelfbewust: als ze een horloge verdienen, gaan ze ervan uit dat het loopt, ongeacht of hun bundel dat óók doet of niet.

We zouden de klagende dichter tot de Tachtigers kunnen rekenen, die, zoals Frank van der Goes het in 1890 omschreef, 'auteurs-zonder meer' wilden zijn. Onbedoeld is die omschrijving wat dubbelzinnig, want in vrijwel alle gevallen leidde die verheerlijking van de autonomie tot grote, soms langdurige financiële problemen.

Wie een deugdelijk horloge wenste, kon zich beter voegen naar model vier: de parttime auteur. Dat hadden vrijwel alle schrijvers in de negentiende eeuw gedaan: een goede betrekking en de kunst in de vrije tijd. Van den Braber citeert Jan Ten Brink, die in 1850 de status van de dichters verontwaardigd omschreef: 'Laat een man van genie verzen schrijven, men neemt er geen notie van, of de eerste vraag luidt: wie is hij? Wat is zijne betrekking?' Een dichter zonder betrekking behoorde in de opvattingen van 'de Nederlandsche maatschappij' tot de 'onbruikbare beesten'.

De Tachtigers, Willem Kloos voorop, hebben radicaal gebroken met dit model, dat door Van der Goes de 'auteur-burger' werd genoemd. Van den Braber gaat gedetailleerd op die ontwikkeling naar autonomie in, omdat het een van de belangrijkste factoren is waardoor in het begin van de twintigste eeuw het culturele klimaat geschikt is geworden voor de rentree van de weldoener, de mecenas en het mecenaat, in particuliere of geïnstitutionaliseerde vorm. De door de Tachtigers zo fel verdedigde onafhankelijkheid betekende immers ook een veroordeling tot een klein lezerspubliek, met alle financiële gevolgen van dien. Tegelijk echter wordt de 'auteur-zonder meer' door zijn radicale keuze interessant voor de mecenas. Van den Braber: 'De artistieke glorie van de schrijver straalt immers ook op de weldoener af.'

In 1910 richtte de schrijver Frans Hulleman zich tot Frans Mijnssen, een van de twee mecenassen die door Van den Braber uitvoerig worden beschreven. Of Mijnssen hem niet kon boeken voor een lezing. Hulleman had namelijk geld nodig om een winterjas te kopen.

Geven om te krijgen is heel vaak, behalve een uitstekend leesbare studie over dit tot nu toe slechts fragmentarisch belichte onderdeel van het letterkundig leven, ook onthutsend in zijn details, enigszins ontluisterend zelfs. Het gaat over de opkomst van de Vereeniging van Letterkundigen, en het daaraan verbonden Ondersteuningsfonds; over de wisselende opvattingen over financiële ondersteuning van auteurs; over de carrières van de twee belangrijkste particuliere weldoeners: de Amsterdammer Mijnssen en de Utrechter M.R. Radermacher Schorer. Maar het handelt tegelijk ook over horloges en winterjassen. Mijnssen betaalde de kosten die Jacques Bloem in 1939 moest maken om te verhuizen. Hij behoedde Lodewijk van Deyssel tweemaal voor een faillissement. Toen de man van Anna van Gogh-Kaulbach een nieuwe winkel moest inrichten, schoot Mijnssen te hulp.

Het is misschien wel de grootste verdienste van Van den Brabers boek dat het juist door de voortdurende invulling met zulke details - soms tot op het niveau van de boekhoudster - boven het brede gebaar van de complete academische studie uitstijgt tot de tastbaarheid van de simpelste dagelijkse noden. Een studie over het mecenaat tussen 1900 en 1950 is het, maar de verrassing is toch steeds weer dat dat mecenaat zich heeft moeten uitstrekken tot de doktersrekeningen, verhuiswagens, en winterjassen van zelfs zeer gekende schrijvers.

Frans Mijnssen (1872-1954) was een groot bewonderaar van Willem Kloos. Ooit, in zijn jeugd, had hij zelf een Willem Kloos willen worden. Toen dat niet tot de mogelijkheden bleek te behoren, werd hij toneelschrijver, verzekeraar, socialist, bestuurder van letterkundige fondsen en mecenas. Door zijn giften, inspanningen en bestuurlijke invloed, heeft hij veel bijgedragen aan het welzijn van Kloos en diens vrouw Jeanne Reyneke van Stuwe. Het meest tekenend voor Mijnssens oprechte bewondering is echter de partij sigaren die hij jaarlijks bij Kloos liet bezorgen. De grote kring van Mijnssens protégés wordt door Van den Braber gereconstrueerd aan de hand van de gastenlijst van het feest ter gelegenheid van Mijnssens vijftigste verjaardag. Zijn rol als mecenas heeft hij altijd in alle bescheidenheid en discreet gespeeld.

Ook Matthieu René Radermacher Schorer (1888-1956) was verzekeraar. In tegenstelling tot Mijnssen speelde hij zijn rol als weldoener zeer zichtbaar. Zijn villa aan het Wilhelminapark in Utrecht was vanaf 1928 een ware salon, waar behalve auteurs ook veel beeldend kunstenaars graag geziene gasten waren: Charley Toorop was een van zijn meest begunstigde protégés. De auteurs waren vaak afkomstig uit de kring rond het tijdschrift De Gemeenschap.

Radermacher Schorers netwerk wordt door Van den Braber geanalyseerd aan de hand van een album amicorum dat hem in 1948 werd aangeboden door 61 vrienden. Tot de letterkundigen die op zijn steun konden rekenen, behoorden onder anderen Jacques Bloem, Clara Eggink, Jan Engelman, E. Du Perron, H. Marsman, Adriaan Roland Holst en J.J. Slauerhoff.

Mijnssen en Radermacher Schorer maakten van het geven een schone, maar ook zakelijke kunst. Ze kregen er, zoals Van den Braber het noemt, 'cultureel kapitaal' voor terug; de inkomsten uit mecenaat zijn prestige, aanzien en de glorie die van de auteur afstraalt op de weldoener. Ze gingen zeer voortvarend en met de nodige zakelijkheid te werk.

Heel wat moeizamer verliepen de instelling van en de uitkeringen vanwege het Ondersteuningsfonds van de Vereeniging van Letterkundigen (opgericht in 1905). Over het jaar 1906-1907 kon het fonds 696,91 gulden uitkeren aan vijf ontvangers. 1932-1933 was het topjaar met iets meer dan drieduizend gulden voor 29 ontvangers. Van den Braber blijkt een voortreffelijke literair-historische accountant; zelfs aan een omrekentabel is gedacht om te kunnen becijferen wat de bedragen in de loop der tijd werkelijk waard waren.

Minder exact, maar even boeiend is de vraag wie van het fonds, zogezegd, nu wel een nieuwe winterjas kon kopen en wie niet. Het fonds beloonde graag aanvragers die de steun hadden van andere, invloedrijke leden als Van Deyssel en Leo Simons. Zelf ziek zijn en zieke gezinsleden strekten tot aanbeveling. Wie blijk gaf van 'artistieke nonchalance in geldzaken', zoals J.B. Meerkerk, maakte aanmerkelijk minder kans op steun.

Hoewel de literaire kwaliteit van het werk van de aanvrager in principe geen rol mocht spelen bij de beslissing, blijkt uit de overgeleverde stukken dat dat wel degelijk het geval is geweest. Vooral commissaris Ary Prins was er streng in. Hij schreef aan medecommissaris Frans Mijnssen: 'Wij hoeven van het fonds geen broeikas van gevallen dichters te maken.' Dat klinkt enigszins als de uitgever uit 1884 die zei dat de bundel ook niet gaat. Als particulier mecenas heeft Frans Mijnssen er later voor gezorgd dat het graf van Ary Prins een steen kreeg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden