Literair voyeurisme Bladeren in de foto-albums van Nederlandse schrijvers

Het zou niet gek zijn als De gevoelige plaat snel uitverkocht raakt, want dan kunnen de samenstelsters Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich gaan nadenken over een uitgebreide herdruk....

Een compliment. Want het spook van Mevrouw Nostalgie, die verlopen diva met haar overslaande stem en het brok in de keel, moet in de paar jaar dat Kuitert en Rotenstreich aan hun project werkten menigmaal op hun deur hebben gebonkt. Het duo heeft de snikkende theetante een enkele keer binnengelaten, maar haar verder in de coulissen laten scharrelen, waar zij op haar plaats is.

Een andere schertsfiguur die wel eens de kop om de hoek kan steken als een fotoboek wordt samengesteld, is de Guit. Met zijn olijke bijschriften maakt hij het voyeuristische genoegen dat het gesnuffel in zo'n plaatjesboek met bekenden is, onverdraaglijk. Het vermaak dat de geïllustreerde literatuurgeschiedenis Ik probeer mijn pen (1979) bood, werd door zulk commentaar vergald. Bij een foto van een man in een geheel wit kostuum: 'Cees Nooteboom, de dichter van o.a. Het zwarte gedicht'. . . Dan zou er in De gevoelige plaat naast het portretje van Andreas Burnier uit 1937 hebben gestaan: 'Nu al is te zien dat haar debuut Een tevreden lach zal gaan heten'

De oplossing die Kuitert en Rotenstreich voor deze dreiging vonden, treft doel: ze verzochten de afgebeelde figuren zelf om een toelichting.

Dat is een essentieel voordeel van dit album; de foto's zijn niet groot en in onnadrukkelijk zwart-wit afgedrukt, waardoor de teksten geen toegevoegd aardigheidje zijn maar eerder de kern van de zaak, die dan door kiekjes wordt verluchtigd. Zo wordt de kneuterigheid bedwongen. Het is aan de lezer en kijker om kreetjes te slaken. 'Gut, hier heeft Oek de Jong nog haar.' 'Ach, en daar heeft Remco Campert háár nog.'

Het wordt aan de schrijvers overgelaten of ze zich vertederend of bespottelijk willen presenteren. Maarten 't Hart die onthult dat hij heeft liggen legpuzzelen met Jeroen Brouwers dochter, of Rudolf Geel in vechthouding tegenover Gerrit Kouwenaar onder een verkeersbordje 'Forêts des Ecrivains Combattants', je weet niet of je erom moet huilen of lachen. Tom van Deel die verklaart dat Krol en Brakman zijn vrienden zijn, en op de bijgeleverde prent een gespreksavond leidt tussen de makkers in, die met gezichten als oorwurmen zitten te wensen dat het gauw afgelopen mag zijn, je houdt er de buik bij vast.

De gevoelige plaat telt vier afdelingen. In de eerste staan jeugdportretten. Een fascinerende sectie, want hier kunnen de betrokkenen vrijuit fabuleren over het paradijs van de onbewuste onschuld waar ze destijds nog niet waren uitgegooid. Robert Anker verricht de opening met een idylle van een jongetje op de rug gezien, die met korte broek en hoed de horizon tegemoet wandelt. Verderop laat Andreas Burnier in haar tekst het leven de eerste streep door de vastgelegde blijdschap halen (en daarom is het belangrijk dat zíj commentaar levert): de oudoom en oudtante die zo trots waren op het lieve meisje dat in 1937 voor het eerst naar school zal gaan, zouden zes jaar later in Auschwitz worden vermoord.

Esther Jansma schreef een poëtische bijdrage, Atte Jongstra (baby met zienersblik, 1957) Nicolaas Matsier (melancholieke padvinder, 1955) en Leo Vroman (een foto van zijn zwangere moeder: 'Ik verwachtte haar ook niet, ze bleef trouwens na mijn geboorte nogal onverwacht') zijn behoorlijk geestig.

'Niets zo bedrieglijk als de fotografie', verklaart Adriaan van Dis. Zo kennen we de schrijver weer, die liever zelf het perspectief kiest dan dat hij zich overlevert aan het gepretendeerd objectieve en gevoelige oog van de camera. Hij of zij weet het altijd beter. We krijgen wel zicht op de baard van de twintigjarige Vogelaar, de achterkant van C.O. Jellema (die hem een majesteitelijk gedicht ingaf), het decolleté van Nelleke Noordervliet, de existentialistisch bepluisde kin van Kousbroek (begin jaren vijftig) en de varkenskop van Leon de Winter (een echte, door de debuterende schrijver bij een abattoir betrokken, en bestemd voor zijn criticus Aad Nuis), maar het zijn de praatjes die de plaatjes de moeite van het publiceren waard maken, zodat ze een publiek buiten de intieme vriendenkring verdienen.

Met de drie andere afdelingen ('Debuut', 'Lotgenoten' en 'Buitenkant') komt het snoeven en afrekenen erbij. Ook dat zijn verhalen die je doorgaans aan de fotootjes alléén niet afleest. Geerten Meijsing krijgt een muilpeer toegediend van A.F.Th. van der Heijden, Kester Freriks neemt afstand van dezelfde lastpak met wie hij nog in 1993 een briefwisseling publiceerde. Dáár liggen mogelijkheden voor een uitgebreide herdruk: na Van der Heijden zou Geerten Meijsing zijn versie kunnen geven van dat tumultueuze literaire avondje in 1983 te Maastricht. En na Nooteboom moet K. Schippers uitleggen waarom hij ooit zo donker keek in het gezelschap van Cees, Harry en Simon. En na Hans Warren mag Mensje van Keulen komen zeggen wat ze met die vogelverschrikker in zekere Zeeuwse nacht uitspookte.

Sommigen grijpen de gelegenheid aan, een literator te gedenken die anders in het album had ontbroken. Siebelink eert Johan Polak en Bob den Uyl, Schierbeek denkt aan Faverey, en Martin Bril zet een verkreukelde Vaandrager gevoelvol bij. Andere contribuanten proberen met hun tekst de waarheid te vertekenen. Marijke Höweler doet of ze met haar succes Van geluk gesproken debuteerde, terwijl het onopgemerkte Tranen van niemand al jaren daarvoor was gepubliceerd. Volgens Renate Dorrestein verstomde de kritiek op de Anna Bijns-prijs als bij toverslag toen die in 1986 naar Josepha Mendels ging. Maar Bas Heijne heeft nog in 1989 geroepen dat die prijs een belediging is voor elke vrouw die schrijft. Dat Mendels de prijs alleen maar kon krijgen omdat ze 'een specifiek vrouwelijke stem' liet horen en 'de vrouwenwereld zonder laatdunkendheid' had beschreven, op die ongehoord beperkende eisen uit het juryrapport richtte zich de kritiek, door Dorrestein tendentieus als 'smaad', 'hoon' en 'getier' afgedaan.

Deze overwegingen zouden nooit zijn opgekomen als Kuitert en Rotenstreich het bij die tweehonderd fotootjes hadden gelaten. Nu is er een officieuze literatuurgeschiedenis in de vorm van een vederlicht bladerboek ontstaan. Carla Boogaards moet Bogaards zijn, maar dat ene oneffenheidje zal in de verhoopte herdruk ongetwijfeld zijn weggepoetst.

Lisa Kuitert en Mirjam Rotenstreich: De gevoelige plaat.

Literair album. Nijgh & Van Ditmar, ¿ 39,90.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.