Literair façadisme

Volgens Koen Peeters is de Brusselse bouwstijl bij uitstek het façadisme. 'Achter versterkte gevels schrapen bulldozers het inwendige leeg. De cleane uitholling van het verleden,' luidt de omschrijving in Acacialaan, de vijfde roman van de relatief onbekende Vlaming (1959)....

Zo ambtelijk als Robert de zaken aanpakt, zo literair is de uitwerking die Peeters er aan geeft. Adressen zijn controleerbaar, daar is niets metafysisch aan. Maar de lezer trekt prompt zijn wenkbrauwen op, als Robert zijn intrek in de Brusselse villa La Chasse neemt, nadat hij daar het lijk van niemand minder dan Maurice Gilliams heeft aangetroffen. Zat die daar? Voorwaar een buitenkans voor een literair toerist: wonen op de plek waar je bewonderde auteur zijn laatste jaren heeft gesleten. Blikken kunnen werpen op de royale achtertuin, die uitkomt op het Zoniënwoud. Robert verkavelt een flink stuk van de tuin, en in het woud daarachter zouden zich geheime wapenopslagplaatsen bevinden, maar daar zie je vanaf de voorkant aan de Koningin Elisabethlaan niets van. Een typisch Brussels staaltje van façadisme, hebben we zojuist geleerd.

In het kwadraat, wel te verstaan. Want Maurice Gilliams heeft nooit in de Belgische hoofdstad gewoond. In de war gebracht door de zelfverzekerdheid waarmee Robert zich uitspreekt, heb ik zelfs Annette Portegies aangeschreven, die de biografie van Maurice Gilliams voorbereidt. 'Ik durf er mijn hand voor in het vuur te steken dat Gilliams zijn hele leven niet uit Antwerpen weg is geweest', antwoordde zij geruststellend: 'Toen hij tachtig was en een veertig jaar jongere minnares had, heeft hij wel overwogen met haar naar Brussel te verhuizen, zo blijkt uit zijn (ongepubliceerde) dagboek - maar daar is het uiteindelijk nooit van gekomen. Zijn eigen vrouw lag al maanden in een Antwerps ziekenhuis namelijk, en hij kon het niet over zijn hart verkrijgen haar na meer dan veertig jaar in de steek te laten.'

Zo hoor je nog eens wat. Het schrijven van een roman is voor Koen Peeters het optrekken van een façade - in zijn geval: doen alsof je je aan de feiten houdt - maar dan met een totaal ander doel dan de Brusselse bouwheren beogen. Het verleden moet niet stiekem worden uitgehold, het moet door middel van een doorzichtige vervalsing juist worden opgezocht. Zo kun je in direct contact komen met de mentaliteit van, bijvoorbeeld, reeds twintig jaar geleden overleden schrijvers. Of met je eigen vader: die van Robert ligt op zijn sterfbed in een ziekenhuis, waar de zoon hem regelmatig opzoekt. Vader heeft zijn eigen leven nauwkeurig geboekstaafd, tot en met telefoongesprekken aan toe, maar is niet bij machte er nog een afgerond geheel van te maken. Dat mag Robert doen. Hij zit thuis met de dossiers en gaat aan de slag; kort de tekst in, en verandert het vertelperspectief zodanig dat zijn vader tot hem lijkt te spreken: 'Ik raakte in gesprek met mijn vader, hij knikte bevestigend en ik was ontroerd.' Met andere woorden: al laat Robert nog zo vaak merken dat hij zich baseert op documenten en straatnamen, het gaat hem om iets anders. Om het verleden te laten leven in de vorm van een verhaal. Zó kan er een ontroerend contact tot stand komen.

Acacialaan is daarom een roman te noemen die is opgebouwd volgens de Brusselse methode. Peeters wil zijn verwantschap in mentaliteit uitdrukken, die kan worden gekarakteriseerd als een elegant midden tussen de volkse betrokkenheid van Louis Paul Boon en de voorname afzijdigheid van Maurice Gilliams. Gezelle, Claus en de schrijver-criticus Jan Walravens mogen ook meedoen, maar dan aan de zijlijn. Helaas voor ons Hollanders komt Willem Frederik Hermans niet om de hoek kijken, terwijl je zoiets zou verwachten in een roman waarvan de titel doet denken aan De tranen der acacia's, de grote roman van Hermans uit 1949 waarin Arthur Muttah kort na de bevrijding in Brussel op zoek gaat naar zijn vader. Acacia's, Brussel, de vader! Het kan toch niet anders of Koen Peeters moet hebben geweten dat er diverse lijnen zijn te trekken tussen zijn roman en die van Hermans? Krijgen we niet te horen. Déze façade moeten we voor eigen rekening nemen.

'Schrijvers zijn slechte gidsen, die enkel zichzelf verbergen' staat ergens tegen het eind. Van die stelling uitgaand, is Koen Peeters eigenlijk nog een verrassend openhartig schrijver. Zijn roman is een verkapte poëticale verhandeling. Hij misleidt de lezer, maar geeft ook aan waarom hij dat doet - en dan is er feitelijk van misleiding geen sprake meer. De interpretaties van de wijze waarop en de geestesgesteldheid van waaruit Boon en Gilliams opereerden, zijn mooi en overtuigend. Lezend in Vita brevis van de laatste komt Robert 'onder de indruk van zijn eenzaamheid, zijn koude afzijdigheid, het idee van maatschappelijke onbruikbaarheid. Hij verschaft kunst in beelden die je je herinnert als dromen. Alsof je een kamer ontdekt in je eigen huis, alsof mensen leven als helden. Er gebeurt niets in zijn boeken, maar wel op zeer heroïsche wijze'. Boon tekende zijn personages naar het leven, maar erkende ook al dat hij zich 'heel wat vrijheden veroorloofde'. In zijn boeken haakte hij naar vrijmoedigheid en antiburgerlijkheid, riep de droom op van volksmensen: dat ze 'niet meer als machines zullen werken, maar dat ze zullen werken uit liefde', zoals hij in Vergeten straat schreef. En hij toonde met veel gevoel de mislukking van die droom.

Peeters laat Robert door volkswijken en verstilde stadsdelen wandelen, pendelend tussen de charmante rauwheid van Boon en het welluidend estheticisme van Gilliams. Deze roman kan worden bezien als een postmodern, intertekstueel spel, typisch het product van een writers' writer, of vooral bedoeld voor een ver ingevoerd lezer. Maar als dat het lot is van Acacialaan, doen de talloze potentiële andere lezers zich tekort. De lenige formuleringen - nergens hilarisch maar steevast stijlvol en besmuikt humoristisch -, de 'honderdzeventig existentiële vragen' waarmee het boek besluit, het afscheid van de laconiek-optimistische vader en Roberts onorthodoxe schrijfcursus die schijnbaar logisch met elkaar vervlochten zijn, maken de lectuur tot een bizar avontuur dat het zou verdienen ook door literair minder onderlegden nagelopen te worden. Tevreden en zonder spoortje van uitputting kun je dit curieuze literaire reisje voltooien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden