Limburgs leed

Hij is wereldberoemd in Roermond, Heerlen en Sittard, maar daarbuiten goeddeels onbekend: zanger Arno Adams, de Limburgse Jaques Brel, al gruwt hij van die aanduiding....

Hij zat in de auto en moest ergens naartoe of kwam ergens vandaan - zo'n rit was het. Arno Adams zag flitslichten en verwachtte dat zijn hoofd ieder moment uit elkaar zou knallen. Op de radio hoorde hij You can't always get what you want van the Rolling Stones, en de Limburgse zanger vermoedde dat hij voorlopig helemaal niks zou krijgen.

Hij moest maar 'ns gaan liggen. Hij zette zijn auto langs de kant en schakelde de stoel naar ligstand.

Vier dagen was hij nu vader, terwijl de verkering met de moeder niks meer voorstelde. Zijn eigen moeder was net overleden. Hij zoop te veel, gebruikte allerhande drugs door elkaar en in het Maastrichtse casino vergokte hij zijn met onduidelijke zaakjes bij elkaar gesmokkelde contanten.

Hij had heel slechte kaarten, dat wil hij maar zeggen, en niet alleen in het casino. Er brak iets in hem, 't kraakte zelfs, en een onzichtbare scheur van kruin tot voetzool tekende zich af.

Dat dit moment via een omweg leidde tot de betoverende cd Ich weit desse d'r bus, is een wonderlijk verhaal. Maar het is dan ook het verhaal van Arno Adams, die aan het einde van de wereld, zoals hij Venlo noemt, zich verschuilt voor de grote doorbraak die zijn prachtige liedjes in Belfelds dialect rechtvaardigen.

Ut is wie ut is en ut geir wie ut geit It kump wie ut kump En ut blief echt neet wie ut is Neet mier as unne trein gemis.

Bloedvatenkluwen, vertelde de dokter hem nadat hij vanwege de aanhoudende, helse hoofdpijn toch maar naar het ziekenhuis was gereden. Hij had bloedvatenkluwen in zijn hoofd, een aangeboren kwaal, en die moesten worden weggebrand. Niet roken! Niet drinken!, verordonneerde de dokter nog. Maar meer consumeren dan ooit, zelfs na de operatie, dat is wat Arno deed.

De verslavingskliniek Paschalis werd zijn redding, vooral voor zijn voortbestaan als zanger. Want daar in dat voormalig klooster in Oostrum zat hij een half jaar zonder dope, drank en rouletteballetjes en werd hij erop gewezen dat hij niets meer was dan een verwarde man op middelbare leeftijd die verdomd weinig van zijn leven had gemaakt.

Orde! En wel snel! Hij kwam tot rust - ach, vooruit: tot bezinning - en schreef twaalf melancholische, meeslepende liedjes over verloren liefdes, verbroken vriendschappen, zelfmoorden en ander Limburgs leed - stemmig en jazzy aangekleed door producers Mike Roelofs en Léon Bartels. Een vrolijke jongen, nee, dat is Arno nooit geweest.

Waorum dreit de wereld veur id der neet eave snel Veur un paar ut paradies Veur de meiste un groete hel.

Het is een gure dag in Venlo en Arno kijkt uit op een blinde muur. Zelfs de heroïnehoeren die op deze drukke weg naar Duitsland tippelen, verschuilen zich vanwege het noodweer. De zanger bewoont antikraak een etage in het voormalig GAKkantoor en heeft een heel groot raam.

Hij ziet alles, ook wat hij niet wil zien, en vooral wat hij niet is geworden: een dakloze junkie. 'Ik zat er altijd een beetje tegenaan, maar uiteindelijk ben ik te ijdel voor dakloze', zegt hij, en verkruimelt een beetje wiet. 'Ben te bang om alcoholist of junkie te worden. Buiten slapen, da's niks voor mij. Ik blijf een ritselaar, en regel altijd wel wat. Nu heb ik een vriendin die zekerheid brengt. Dat zingen dat houdt me op de been en zorgt ervoor dat ik nu serieus wordt genomen. Da's niet niks.'

In Belfeld, een plaatsje verderop langs de Maas, werd hij geboren. Zijn vader werkte in een ijzergieterij en Arno zou zeker ook in een fabriek terechtkomen. Leerling op een kunstatelier, stond er nog aanlokkelijk in de advertentie. Maar in de praktijk moest hij als 16jarige in een beeldenfabriek aan de lopende band ezels en engeltjes beschilderen, net als het gewaad van Maria en de baard van Jozef.

Hij liet zich omscholen tot drukker, trouwde een meisje uit het dorp en kocht een huis. De gedachte dat hij op een dag briesend en verlicht het Limburgse land zou ontvluchten, had hij met de Maas laten wegstromen. Dit zou zijn leven worden - huisjeboompjebeestje - en ergens in 2005 zou hij 25 jaar aan de zaak zijn en een vulpen met inscriptie krijgen: Driewerf hoera voor onze Arno!

Toen hij vijf jaar later zijn vader vertelde dat hij zijn baan had opgezegd, zijn vrouw had verlaten en het huis met verlies had verkocht, stootte die woedend één woord uit: zatvreterie! Het kwam erop neer dat hij volgens zijn vader een verwende, volgevreten uitvreter was met wie het slecht moest aflopen.

'Het was mijn leven niet', zegt hij, en wrijft zijn hand over zijn verweerde gezicht. Het kwam ook door de jongens van het joekskapel in de Belfeldse dorpskroeg Het Witte Paard die zijn hoofd op hol hadden gebracht. Die gasten wilden echte soulmuziek gaan maken - je weet wel zoals Otis Redding en Sam & Dave - en ze zagen in hem een soort negerzanger met een bronstige schreeuw.

Wauw! Dat applaus, dat hij de eerste keer hoorde. Sodeju! Op die dorpskermissen waar hij optrad, was het ook nog seks, drugs en rock'n roll. Hij voelde zich een hele bink, met zo'n hip matje in zijn nek. Kijk daar, daar loopt de Belfeldse Mink Deville.

Na nog een rondgang als levende jukebox langs bedrijfsfeesten in België, Duitsland en ZuidLimburg wilde hij zelf liedjes schrijven. Eerst nog in het Engels, daarna in het dialect. Dat was zijn ware muziektaal. Want als je de mensen dan toch vertelt dat je een kreupele ziel hebt, kan dat het beste in de taal van je ziel.

Ho! Nou moeten we niet denken dat hij zo een echte schrijver is of zo poëtisch is aangelegd. Zijn vader Cor dichtte een beetje voor de liedjesavond van het Belfeldse carnaval en daar kwam zelfs een bundel van, compleet met voorwoord van de burgemeester: Mien gedachte in gedichte. Het is het enige boek dat Arno in huis heeft.

Hij houdt van mooie liedjes, dat wel, maar de teksten gaan aan hem voorbij. Freddie Quin, een zachtmoedige Duitse schlagerzanger, die beviel hem vroeger al, zoals hij nu nog dweept met de melancholie van Chet Baker, Tom Waits, Frank Sinatra en Ede Staal.

Dat ze hem een Limburgse Jaques Brel noemen, dat wordt ie weleens zat. Of de Leonard Cohen van Belfeld, of noem al die andere stemmen uit het zwartromantische genre maar op. 'Mensen praten me maar wat aan. Voorlopig ben ik alleen maar Arno Adams. Ik doe maar wat. En af en toe heb ik een zin die ergens op lijkt, en die schrijf ik in mijn schrift.'

Nae ut leave is neet leuk Wat een gezeuk Oke, ich heb wal us lekker ge neukt Maar ut blief un gevecht Alle leuke dingen slecht Hij kijkt naar buiten en ziet heroïnehoeren hun positie innemen. 'Ach, wat moet ik met geluk', zegt hij over het percentage leedwezen in zijn liedjes. 'Geluk is zes goeien in de lotto, anders niet. Ik ben nou eenmaal een verdrietige jongen. Heb ik daar zelf schuld aan? Ik had een lieve moeder, en was vroeger een zorgenkindje. Voor me ging een jongetje dood, en achter me ook. Moeder zei me: jij bent er gelukkig wel. Ik wilde altijd bij haar in het grote bed liggen en was er lang van overtuigd dat haar liefde een garantie was voor de rest voor mijn leven.'

'Toen ik erachter kwam dat het leven niet zo in elkaar stak, was het te laat. Ik probeerde me los te maken, en heb daar lang mee geworsteld. Daarnaast was er altijd strijd met mijn vader, tegen wie ik vroeger enorm opkeek, maar die niets van mij begreep.'

En dan is hij ook nog lid van de 'verwarde generatie'. Opgegroeid met de verworven vrijheden van de jaren zestig en zeventig, en nu heimelijk verlangend naar de bescherming van het oude dorp. 'Dat Limburg van mijn vader was zo gek nog niet. Moet je nou 'ns kijken? De kerken zijn leeg, en in de kloosters zitten van die alternatieve therapeuten. In de Maas kan je niet meer zwemmen en in Belfeld bestaat de Raad van Elf nog maar uit zes man.' De kloesters van welier zien neet mier

De sjeukes zien snel geteld door ozze leeve hier.

Het geluid van een landelijke doorbraak klinkt voor hem als twee openspuitende stiletto's: tsjik tsjik. Hij doelt daarmee op van die Hilversumse gladjanussen die voordat ze een woord hebben gezegd, hun attachékoffers op tafel leggen, openklikken en hem vervolgens toesissen: we gaan een héle gróte van je maken.

Ach, ga toch weg. Laat hem nou, met zijn verlegen manager zonder rijbewijs die in fietstassen de cd's vervoert. Wat moet hij met een doorbraak in Doetinchem, een optreden in zoiets als Gouda of op een regenachtige avond nog dat hele stuk met de auto naar Groningen? En maar afwachten of de mensen komen, en maar wachten of ze klappen, als ze 'm al verstaan.

Vroeger droomde hij ervan om een keer in Cambrinus in Horst te staan of in de Avenue in Venlo. Nu is Arno een zanger die meetelt in de provincie: hij werd uitgeroepen tot de belangrijkste Limburgse solozanger, won de INGPries veur ut Limburgs Leed en toert langs theaters in Roermond, Heerlen en Sittard.

Hij heeft het wel eens geprobeerd hoor, zo buiten zijn vertrouwde omgeving. De broer van Willeke Alberti had 'm uitgenodigd voor een optreden in Amsterdam. Er zou zelfs een duet met Willeke inzitten. Toen hij echter de kelder betrad waar het allemaal moest gebeuren, bleek hij te zijn geboekt als een Limburger die het Jordanese slijmgenre zou beheersen en was er geen Willeke te bekennen. Haha, hij heeft z'n somberste liedje zo pikkedonker mogelijk vertolkt. Zal ze leren.

Het liefst treedt hij alleen maar op in De Maaspoort in Venlo, laat hij het maar eerlijk zeggen. Lekker dichtbij. 'Ik hou ervan als mijn bestaan overzichtelijk is. Eigenlijk moet ik er niet aan denken dat het opeens gaat lopen. Ach man, handtekeningen uitdelen, clips opnemen, televisie. Da's niks voor mij. Als het te veel op werken gaat lijken, vind ik er niks meer aan.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden