Lijdzaam zelfbeklag

De romans van Leonardo Sciascia lijken veelal detectives, maar ze reiken aanzienlijk dieper dan de beschrijving van het op omslachtige wijze achterhalen van de dader van een slordig uitgevoerde moord gewoonlijk doet....

Michaël Zeeman

De cultuur is die van Sicilië, waar een moord een wat andere status heeft dan in de rest van de Europese Unie. Een vrouw of een belediging, dat is de concrete manifestatie van het motief om iemand om te leggen. Dat weet de leraar in Ieder het zijne ook wel. In het café of in de club waar de dorpelingen nakaarten over de dubbele moord op de plaatselijke dokter en de apotheker, is dat het eerste en enige waarnaar hun vrienden zoeken. Wie herinnert zich een krenking, van hoe lang her ook, die op de rekening van de dokter of de apotheker werd bijgeschreven en die nu vergolden is? Is er iets met een vrouw, hetzij een van de beide wettige echtgenotes, hetzij een derde wier familie de onregelmatigheden niet langer kon verdragen? Geld speelt geen rol, het is louter de eer die telt.

Daar kieren de traditie en de cultuur door het stelsel van individuele drijfveren heen. En het is, opnieuw, Sciascia, die die kier groter maakt, zo groot dat de vraag naar de persoonlijke schuld geleidelijk aan plaatsmaakt voor die naar de alomvattende en alles verklarende omstandigheden. Het is goed te zien aan de wijze waarop het gesprek over deze moord begint: niet bij de dader, maar bij het slachtoffer. Wat heeft die op zijn kerfstok gehad dat hij zo moest worden gestraft? Dat de moordenaar zijn redenen gehad heeft, en dat die redenen respectabel zullen zijn, weten de Sicilianen immers zo wel.

En dus is Ieder het zijne niet zozeer een detective, als wel een weemoedig eerbetoon aan Sicilië. We komen er niet eens precies achter wat de dader voor iemand geweest is. Een vakman, die handelde in opdracht - dat staat wel vast, want de politie vindt geen spoor, in elk geval geen spoor dat uitmondt in een arrestatie en een rechtzaak. Wel leren we de verhoudingen in een dorpje in de Siciliaanse provincie Agrigento goed kennen, het nimmer vermoeiende spel om de macht dat de clerus en de notabelen, de intellectuelen en de welvarenden met elkaar spelen. De vrouw van de dokter deed het met haar neef, een advocaat en een godloochenaar en een oplichter ineen, maar wel uit een oude en devote familie. Dat kon niet goed aflopen.

Waarom niet? Omdat dit Sicilië is - en in het bezingen van de eigenaardigheden van dat eiland steekt Sciascia hier Giuseppe Tomasi di Lampedusa, de ongeëvenaarde chroniqueur van het Siciliaanse levensgevoel, naar de kroon. Diens Tijgerkat is de Siciliaanse roman bij uitstek en de grootste Italiaanse roman van de 20ste eeuw, maar in Ieder het zijne lijkt Sciascia haast de uitdaging te hebben aangenomen daar nog iets meer over te zeggen. Hij flaneert langs en jongleert met Tomasi's motieven en opvattingen, zoals hij terloops ook in gesprek gaat met zijn collega Luigi Pirandello. Die kwam immers uit dezelfde streek, nabij Agrigento, bezocht dezelfde cafés, keek naar dezelfde wonderbaarlijke omgangsvormen.

Op de vraag naar de omstandigheden die die omgangsvormen, die cultuur hebben bewerkstelligd, ontsteekt een van Sciascia's helden in een oratie, die rechtstreeks verwijst naar het traktaat waarop de prins in De tijgerkat de enthousiastelingen van de Italiaanse eenheid en de parlementaire democratie trakteert. 'We zijn aan het zinken, beste vriend, we zijn aan het zinken', zegt hij. Het is de sfeer van zwartgallig en lijdzaam zelfbeklag, de diepe lethargie en scepsis waarin Sicilië en de Sicilianen zich al sedert de schepping wentelen - het mooiste land ter wereld, de rijkste en veelzijdigste geschiedenis van het historisch toch al zeer gezegende Italië, en geen spatje energie over om zichzelf uit 'de omstandigheden' te bevrijden. Nergens heeft de vermoeidheid zo'n schoonheid bereikt, de schoonheid van de lijdzaamheid.

'Dit land wordt verteerd door de afgunst', zegt een van Sciascia's personages. En ook dat is de uitdrukking van een gebrek aan energie. Wat een ander is, doet of heeft, is benijdenswaardig en verdient het mismoedig becommentarieerd te worden. Hij kan dat immers niet door eigen vlijt, talent of inspanning hebben verworven, het moet hem als uiting van de redeloos onrechtvaardige willekeur in de schoot zijn geworpen. De dynamiek van het Siciliaanse leven is allesbehalve dynamisch, hoe hard de echo's van geweerschoten er ook klinken en hoeveel bloed er ook op het plaveisel stroomt.

De incidenten die de ogenschijnlijke vertrekpunten zijn van Sciascia's romans, zijn bij nadere beschouwing slechts excuses om een geheel ander verhaal te kunnen vertellen. Dat is het verhaal van een fatalistische opvatting van de geschiedenis, van het bestaan als geheel. De dingen gaan zoals ze gaan en daar is niets aan te veranderen - want de omstandigheden van Sicilië zijn onveranderlijk. In talrijke dialogen en schijnbaar achteloos genoteerde commentaartjes verkent Sciascia dat levensgevoel.

Ieder het zijne verscheen bijna veertig jaar geleden, tijdens een van de vele geweldsgolven die over het eiland trokken. Een analyse bevat het niet, hooguit een duiding. Vijfentwintig jaar geleden verscheen het voor het eerst in een Nederlandse vertaling, bij de kleine en inmiddels ter ziele gegane Antwerpse uitgeverij Lotus. Die vertaling - van Jenny Tuin - is voor deze editie heel licht opgefrist door Frans Denissen (die inmiddels wat meer mensen elkaar laat tutoyeren dan Tuin deed, maar nog wel 'gelukken' schrijft voor 'lukken'; sommige dingen veranderen, ook in de taal, maar Denissen lijkt zich aan het Siciliaanse idee van betrekkelijke onveranderlijkheid te gewennen).

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden