Liever een zakenkabinet-Wijffels

Door de partijpolitieke profileringsdrift lost het kabinet-Balkenende IV nijpende kwesties niet op en is de kiezer ontevredener dan ooit, betoogt Hans Wansink....

Het vierde kabinet-Balkenende is ter wereld gebracht door informateur Herman Wijffels. De gewezen Rabobankier en oud-voorzitter van de SER is lid van het CDA, maar geniet vooral buiten zijn eigen partij groot gezag. Wijffels speelde een veel grotere rol dan informateurs doorgaans doen. Meestal zoeken zij naar een grootste gemene deler, maar in dit geval was die er nauwelijks. Wijffels zag zich dan ook genoodzaakt het nieuwe kabinet eigenhandig een missie en een agenda aan te reiken. Want het programma van Balkenende IV kon niet worden afgeleid uit de verkiezingsstrijd of de stembusuitslag.

Balkenende kreeg bij de Kamerverkiezingen van 2006 geen meerderheid om zijn coalitie met de VVD, zijn natuurlijke bondgenoot, voort te zetten. De VVD was bovendien door de aanhoudende strijd tussen Rutte en Verdonk, met Wilders als concurrent buiten de partij, niet stabiel genoeg om te kunnen regeren. Bos, de uitdager van Balkenende, was als kandidaat-premier door de mand gevallen.

Wijffels’ voorganger als informateur, Rein Jan Hoekstra, ook CDA, had het sloopwerk gedaan. Die was ervan overtuigd dat de PvdA binnenboord gehaald moest worden, en dat de SP buiten moest blijven. Hij slaagde er zonder al te veel moeite in Bos en Marijnissen uit elkaar te spelen. GroenLinks haakte uit eigen beweging af. Halsema wilde wijselijk geen avontuur met twee grote partijen aan haar rechterkant en haar directe concurrenten SP en Partij voor de Dieren buiten de regering. Bleef over de ChristenUnie, een winnaar van de verkiezingen en in programmatisch opzicht handzaam in de buurt van PvdA en CDA.

Het was niet hun eerste keus, maar CDA, PvdA en CU waren tot elkaar veroordeeld. Door bezuinigingen, hervormingen en forse economische groei was er financiële ruimte voor wat Wijffels ‘investeringen in de duurzaamheid en de samenhang van de samenleving’ noemde. Uitgaven voor het milieu dus, voor de oude wijken en vooral voor het kopen van consensus bij het ‘georganiseerde maatschappelijke middenveld’: gemeenten, belangenorganisaties, corporaties en sociale partners.

Wijffels geloofde in zijn coalitieakkoord, en vooral in de gemeenschapsgedachte die het fundament van de overeenkomst vormde. Toch lieten de coalitiepartners de moeilijkste dossiers (woningmarkt, pensioenen, AOW, flexibilisering arbeidsmarkt, onderzoek Irak, bestuurlijke vernieuwing, deltaplan onderwijs) bewust liggen. Van zo’n divers gezelschap progressieven en conservatieven viel niet te verwachten dat zij met doortastende hervormingen zouden komen. Het was, ondanks de bezielende inbreng van Wijffels, een gelegenheidscoalitie.

De belangrijkste weeffout van het nieuwe kabinet lag daarom niet in het lichte programma, maar in de zware bemanning. Een zakenkabinet-Wijffels was veel beter geweest dan het vechtkabinet-Balkenende IV. Een zakenkabinet met een laag politiek profiel zou een beperkt aantal kwesties kunnen aanpakken en intussen rustig kunnen werken aan de reparatie van de falende rijksdienst. Behoorlijk bestuur, een goed functionerende belastingdienst, scholen en universiteiten waar gepresteerd wordt en waar talent graag wil werken, een OM dat zijn zaakjes voor elkaar heeft, een behoorlijk wegen- en spoorwegnet: het wegwerken van achterstallig onderhoud is de beste manier om het vertrouwen van de burgers in de politiek terug te winnen.

Balkenende, Bos en Rouvoet hadden als fractievoorzitters in de Kamer het kabinet kunnen steunen en tegelijk als politieke leiders hun handen vrij gehad in de strijd met hun electorale concurrenten. Maar Balkenende wilde zijn achterban bewijzen dat zijn vierde kabinet een voortzetting was van de door het CDA in 2002 ingeslagen weg. Bos mocht van Balkenende geen vrije rol in de Kamer opeisen, maar moest zich als vicepremier maximaal committeren aan het regeerakkoord. Op zijn beurt wilde de PvdA-leider als minister van Financiën juist progressief Nederland demonstreren dat er in 2007 een nieuw begin was gemaakt. Rouvoet sloeg serieuze portefeuilles af om als junior-minister voor Jeugd en Gezin maximaal zichtbaar te zijn als voorman van de CU.

Het gevolg is dat de politieke leiders loyaal moeten samenwerken om het kabinet tot een succes te maken, maar ook het politieke profiel van hun partijen moeten aanscherpen door de confrontatie te zoeken. Dat is vragen om ongelukken, zoals de crisis rond het ontslagrecht duidelijk maakt. Wijffels had waarschijnlijk zonder veel moeite een akkoord met de sociale partners gesloten over versoepeling van de arbeidsmarkt in ruil voor 200 duizend banen voor langdurig werklozen. Nu blies de Tweede Kamerfractie van de PvdA uit angst voor de SP deze zaak tot onhanteerbare proporties op. Bos liet het partijbelang zwaarder wegen dan het kabinetsbelang en greep niet in. Precies hetzelfde gold voor Balkenende. Voor de ChristenUnie blijkt geen brugfunctie weggelegd. De partij staat in sociaal-economisch opzicht vlakbij de PvdA, maar is in ethische kwesties radicaler dan het CDA.

Pijnlijk bleek in de ontslagrechtcrisis ook dat het de fractievoorzitters Tichelaar (PvdA), Van Geel (CDA) en Slob (CU) aan gezag en chemie ontbreekt om corrigerend en bindend op te treden. Dit gezagsvacuüm van de coalitie in de Tweede Kamer verzwakt het toch al broze draagvlak van het kabinet.

Kon het coalitieakkoord van Wijffels nog rekenen op een welwillende houding bij een meerderheid van de kiezers, een jaar later staan PvdA en CDA zwaar op verlies. De teller van Maurice de Hond blijft voor de coalitie (80 zetels op 22 november 2006) op 59 steken, de politieke barometer van Interview/NSS staat op 68 zetels. Elk incident – de dubbele paspoorten, het afgeblazen referendum over het nieuwe EU-verdrag, de verlenging van de missie-Uruzgan, het ontslagrecht, het rapport-Dijsselbloem – versterkt het wantrouwen van de kiezers in de coalitie. Het resultaat is dat slechts 13 procent van de Nederlanders tevreden is over het kabinetsbeleid. Dat is het laagste cijfer dat ooit gemeten is.

Het rapport-Dijsselbloem, vorige week verschenen, was bedoeld om schoon schip te maken. Maar de zelfkritiek van Dijsselbloem lokte bij het electoraat juist een cynische reactie uit. Driekwart van de kiezers is het, blijkens een peiling van Maurice de Hond, met Dijsselbloem eens dat de kwaliteit van het onderwijs de laatste twintig jaar is gedaald. Dat is volgens 82 procent de schuld van ‘de politiek’. Toch verwacht slechts 30 procent dat ‘de politiek’ lering trekt uit het rapport-Dijsselbloem.

Het feit dat de drie partijen hun leiders naar het kabinet hebben gestuurd, pakt dus averechts uit. In plaats van de beoogde versterking van het prestige van het kabinet, heeft het tot ondermijning van het draagvlak geleid. De samenwerking met maatschappelijke partners zou onder een zakenkabinet-Wijffels niet zijn bezwaard met de hypotheek van de hoge verwachtingen. Nu is dat wel zo: die hypotheek belast een ontspannen omgang met het maatschappelijk middenveld, waar volgens het recept van Wijffels juist het ontbrekende draagvlak georganiseerd moest worden.

Zo heeft de PvdA uit profileringsdrang veel van haar ziel en zaligheid gelegd in de ‘prachtwijken’ van minister Vogelaar. Naar voren geschoven als boegbeeld van het PvdA-smaldeel in het kabinet, maakte zij een promotietoer langs alle veertig wijken. Maar door er een prestigeproject van te maken, lijden Vogelaar en haar partij grote politieke schade bij een uitkomst die onder de gewekte verwachtingen ligt. Door een onrealistisch hoge inzet te kiezen, namelijk in tien jaar 2,5 miljard ‘nieuw geld’ van de corporaties naar de 40 achterstandswijken, is dat risico erg groot. Te vrezen valt dat de corporaties hun hakken in het zand zetten, nu zij – bovenop de vennootschapsbelasting van Bos – een heffing van Vogelaar krijgen opgelegd omdat zij in gebreke zijn gebleven bij het nakomen van het akkoord.

De partijpolitieke profileringsdrift gaat onvermijdelijk ten koste van het gezamenlijk behartigen van nationale belangen. Een fusie tussen ABN Amro en ING paste perfect in de ambitie van de regering om van de Randstad een Europees financieel-economisch zwaartepunt te maken. Andere Europese of Amerikaanse regeringsleiders zouden onmiddellijk ingrijpen, maar Bos en Balkenende bleven aan de zijlijn toekijken hoe de bank aan een onvriendelijke overname ten prooi viel. Hoezo VOC-mentaliteit?

Nederland had een uitstekende onderhandelingspositie om in NAVO-verband extra steun af te dwingen of – net als in Irak – de missie in Uruzgan voor gezien te houden. Die positie werd op een klungelige manier verspeeld. Misschien nog erger is het gebrek aan concrete doelstellingen waarop de kiezer de zin van de voortgezette missie in Uruzgan kan toetsen.

Het kabinet riep de Raad van State te hulp om onder een nieuw EU-referendum uit te komen. Daarmee miste het kabinet bewust de kans de discussie over Europa naar zich toe te trekken. In plaats van de kiezers te overtuigen en te geloven in het eigen, dit keer wél geslaagde onderhandelingsresultaat, vermeed de coalitie de kiezers.

Hetzelfde geldt voor het debat over de nationale identiteit, integratie en de islam. In plaats van zelf een baken of tenminste een oriëntatiepunt te zijn, geeft het kabinet deze brandende kwesties uit handen, zodat de oppositie – Wilders voorop – ermee aan de haal gaat. Voor een zakenkabinet zou dat nog aanvaardbaar zijn, maar politieke leiders van regeringspartijen kunnen niet eeuwig de oppositie en de kiezers blijven ontlopen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.