Liever een plantsoen dan alweer een parkeerplaats

Lezers van de Volkskrant en deskundigen zijn het massaal eens: laat het beheer van de openbare ruimte niet op zijn beloop; steek er meer tijd, creativiteit en energie in....

‘Wat verstaan we tegenwoordig onder de openbare ruimte? Een hufterproof hanghok voor jongeren!’ Volkskrant-lezer Van der Wiel uit Culemborg wond er geen doekjes om. De liefdeloze omgang met de publieke ruimte doet hem pijn. Op de website van de Ruimtelijke Agenda deed hij zijn beklag, samen met honderden anderen. ‘Het groen wordt opgeofferd aan parkeerruimte en bebouwing’, schreef een lezer uit Barneveld. ‘Dat heet inbreiden en de overheid heeft de schuld’, voegde een lezeres uit Rotterdam toe.

Scepsis en irritatie voerden de boventoon bij veel deelnemers aan de Ruimtelijke Agenda. Toen de Volkskrant begin maart lezers om een reactie vroeg, gaven honderden gehoor. Aan de stellingen van het panel van wijzen voegden lezers er tientallen toe. Meer dan tienduizend stemmen werden uitgebracht.

De boodschap was duidelijk. Het gevoel dat alles op z’n beloop wordt gelaten en dat niemand zich nog bekommert om onze omgeving heeft veel Volkskrant-lezers in de greep. Dit gevoel omvat veel meer dan een protest tegen de verrommeling van het landschap. Hans Mommaas, hoogleraar vrijetijdswetenschappen en lid van het panel van wijzen, omschreef het goed. ‘We moeten ons meer bewust zijn van de invloed van ruimtelijke ordening op ons gemoed.’

De einduitslag van de Ruimtelijke Agenda vloeit hier logisch uit voort. Op nummer 1 eindigt de oproep meer energie te steken in hoogwaardige openbare ruimte, zoals pleinen, parken en ander groen. Het panel van wijzen zette deze oplossing vol overtuiging bovenaan. Zoals panellid en econoom Kees Koedijk zei: ‘Uit enquêtes komt groen als eerste met stip naar boven. Tegenargumenten? Geen!’ ‘Het is goed voor de gezondheid en welbevinden van burgers’, voegde bestuurskundige Mark van Twist daar aan toe.

Eerder hield hoogleraar politicologie Maarten Hajer al een pleidooi voor meer kwaliteit in de omgeving. ‘Het valt of staat ermee dat het kwaliteitsbewustzijn omhoog gaat, zowel bij burgers als bij bestuurders’, zei hij toen hij werd gevraagd om plannen voor een mooier Nederland. ‘In Rotterdam heeft Riek Bakker ervoor gezorgd dat de harpbrug van Ben van Berkel werd uitverkozen. Drie keer zo duur, toch ruimschoots de moeite waard.’

Meer energie steken in de openbare ruimte is dus een oproep aan iedereen die met de ruimte van doen heeft, niet alleen aan bouwers, planologen of aan gemeenteambtenaren. Dat maakt de oplossing juist zo aantrekkelijk, meende het panel. Het hoeft niet per se zoveel geld te kosten als de harpbrug. ‘Twee zitbanken op een pleintje kunnen een wereld van verschil maken’, aldus milieu-econoom en panellid Wim Hafkamp.

De oplossing werd aangedragen door Mariet Schoenmaker, directeur conceptontwikkeling bij projectontwikkelaar AM. Veel mensen hebben het niet naar hun zin in de stad. Dan moet je de publieke ruimte, datgene dat van iedereen samen is, in kwaliteit verbeteren, betoogde zij. In de Volkskrant zei ze: ‘Ik denk dat we op een keerpunt staan. Mensen willen weg van de cultuur van afrekenbaar, meetbaar en rationeel. We moeten durven spreken over waarden als schoonheid, geschiedenis, beleving en trots. Dat vergt een andere mentale houding.’

Mark van Twist, panellid en bestuurskundige, waarschuwde wel dat dit mooie streven vaak niet wordt gerealiseerd. ‘De projectontwikkelaar zegt: ‘ik wil meer winst halen uit mijn project’, de gemeente zegt: ‘ik wil geld verdienen aan de grond’ en de wethouder zegt: ‘hier hebben mensen niet voor gestemd, dus laat maar’. Het bestuurlijk krachtenveld zit in de weg’, aldus Van Twist. Om deze oplossing kans van slagen te geven, zullen al deze partijen hun gedrag moeten veranderen.

Een andere mentale houding is volgens het panel van wijzen hard nodig. Ruimtelijke problemen zijn niet langer het exclusieve domein van politiek en bestuur. Het zijn algemeen maatschappelijke kwesties, die bemoeienis vragen van alle betrokken partijen, hoe lastig dat soms ook is.

Het is de reden waarom woningcorporaties en andere maatschappelijke partijen een prominente rol spelen in de verkozen oplossingen, zoals bij nummer 2 op de lijst. Deze oplossing luidt dat woningcorporaties de bewoners van slechte wijken intensief moeten betrekken bij de verbetering van de buurt, in plaats van voor hen te beslissen wat er moet gebeuren.

De oplossing is afkomstig van Marc Eggermont, directeur van de Brabantse woningcorporatie Woonbedrijf. ‘De bewoners maken de wijk en niemand anders’, zei hij in de Volkskrant. Zijn corporatie is actief in drie van de veertig achterstandswijken van minister Vogelaar. Opbouwen lukt volgens Eggermont alleen als de bewoners medeverantwoordelijkheid nemen. Dat betekent: geen vaste procedures maar oplossingen per geval. ‘Zo’n benadering vergroot de sense of belonging’, zo verklaarde panellid Sadik Harchaoui, tevens directeur Forum, zijn steun voor dit plan.

Als al die maatschappelijke partijen een rol opeisen, is er dan nog een taak weggelegd voor de overheid? Wat moeten ministers, gedeputeerden en wethouders doen om de ruimte te verbeteren? Een beetje coördineren aan de zijlijn? Het rijksbeleid is weliswaar gedecentraliseerd, maar in de praktijk leidt dit vooral tot onduidelijkheid. Niemand schijnt meer te weten wie waar over gaat. De centrale overheid zou zijn greep op de ruimtelijke ordening weer moeten versterken, vinden veel Volkskrant-lezers blijkens hun stemgedrag op de website. Maar het panel was het daar slechts gedeeltelijk mee eens.

Over het nut van een dominant aanwezige overheid verschillen in Nederland de meningen fundamenteel, in het panel van wijzen, in de beroepspraktijk, en ook in het land. Tijdens de zeven openbare debatten rees steeds weer de vraag: hoe gaan we de problemen oplossen? En elke keer bleek dat drie verschillende generaties ieder hun eigen benadering kiezen.

Bram van de Klundert, adviseur van de Ruimtelijke Agenda, beschreef zijn indrukken in een column voor het vakblad Landwerk. ‘Eén grondtoon hoorde ik overal: vooral jongeren verwachten weinig van overheid, politiek of planning. Eerlijk gezegd was ik nogal verontrust over de manier waarop met ergernis en minachting over de rol van de overheid werd gesproken.’

Inderdaad gaven de jongeren, veelal studenten, blijk van weinig fiducie in planning of centraal beleid. Ieder geval is anders, behandel het dan ook als zodanig, zeiden ze. Tegen de babyboomgeneratie leken ze uit te roepen: wees niet zo somber. Maar vijftigers en zestigers maakten toch een benauwde indruk. Waarom is de centrale overheid op een zijspoor beland, vroegen ze zich af. Wie hoedt dan het algemeen belang? Of, om met panellid en universiteitshoogleraar Rudy Rabbinge te spreken: ‘Vroeger had je in Nederland geen vol gevoel, ook al wonen er veel mensen. Maar door de principes van de ruimtelijke ordeningspolitiek los te laten is dat gevoel van ruimte verdwenen.’

Een oplossing die aan dat gevoel tegemoet komt, is nummer 4: ruil de versnipperde ruimtelijke ordening in voor een integraal beleid met duurzame ontwikkeling als uitgangspunt. Bedenker hiervan is Theo Beckers, hoogleraar duurzame plattelandsontwikkeling in Tilburg. De ruimtelijke ordening is gekaapt door vakidioten en technocraten, zegt Beckers met zoveel woorden. Het wereldje is verkokerd, iedereen redeneert vanuit zijn eigen deelbelang. Landbouw, Vrom en Verkeer en Waterstaat gaan ieder hun eigen gang. Alleen een moderne vorm van politiek leiderschap kan hieruit een uitweg bieden. Duurzaamheid is daarbij het samenbindend uitgangspunt.

‘Jubeljargon’, oordeelde panellid Mark van Twist tijdens de beslissende vergadering van het panel van wijzen in Den Haag. Integraal beleid klinkt mooi, maar in het ruimtelijk beleid moeten de belangen juist botsen, zodat de beste beslissing valt. ‘Maar dat gebeurt nu juist niet in Den Haag’, wierp Klaas van Egmond, directeur Milieu en Natuurplanbureau en medepanellid tegen. Inderdaad, bevestigde econoom Kees Koedijk: ‘Er is geen enkele regie meer. Dan maar beter een integraal beleid.’ Hij gaf Beckers zijn hartelijke steun.

Dat nam niet weg dat een andere oplossing er met de derde prijs vandoor ging. ‘Besteed de nationale landschappen aan’, een oplossing die was aangedragen door een lezer van de Volkskrant (zie ook pagina 2 van dit katern), eindigde net een treetje hoger. ‘Een VVD-oplossing’, zei Van Twist. ‘Maar wel een mooie manier om de confrontatie van belangen te organiseren’, repliceerde Wim Hafkamp.

Gebruik het marktmechanisme om op de meest efficiënte manier je doelen te bereiken. Het is de typische oplossing van de huidige generatie bestuurders, die zich precies bevindt tussen de jongeren en de babyboomers. In hun optiek moet de overheid vooral het marktproces goed organiseren en zelf niet te veel hooi op de vork nemen. Als je nu maar vastlegt wat je belangrijk vindt, kunnen anderen het uitvoeren.

Tijdens de openbare debatten bleek dat voor de aanwezige ambtenaren een belangrijk argument. De kwaliteit van de ambtelijke diensten loopt terug, ingenieursbureaus en projectontwikkelaars kapen de ambitieuze mensen weg. Wat resteert, heeft de handen vol aan de lopende zaken.

En zo biedt de Ruimtelijke Agenda oplossingen voor drie generaties en voor drie politieke stromingen. Het integrale leiderschap voor de PvdA, de aanbesteding van de nationale landschappen voor de VVD en de belangrijke rol voor maatschappelijke organisaties voor het CDA. Het zijn allemaal deeloplossingen; praktische suggesties waardoor allerlei mensen geïnspireerd kunnen raken om bij te dragen aan een mooier Nederland.

Vernieuwende concepten of unificerende beginselen heeft de Ruimtelijke Agenda niet opgeleverd. Dat kan ook niet anders als je op zoek gaat naar oplossingen en burgers daarbij intensief betrekt. Dan raak je nooit ver verwijderd van wat burgers echt beroert.

Oplossing nummer 6 is daarvan misschien wel het beste voorbeeld. In de lezerspeiling eindigde het vraagstuk van de mobiliteit helemaal bovenaan. Het openbaar vervoer zou een volwaardig alternatief moeten bieden voor de auto, vond men. Misschien dat de lezers dan gemakkelijker de overstap zouden maken van de auto naar de trein.

De oplossing om autoluwe wijken te bouwen, gaat wat dat betreft een stapje verder. Hier zeggen burgers zelf: wij dringen ons autogebruik terug, zodat er meer ruimte overblijft voor speeltuin en groenvoorziening. Het is een oplossing waarbij de gemeente, de woningcorporatie, de ontwikkelaar, het openbaar vervoersbedrijf en de bewoners de handen ineen slaan en samen een oplossing vinden waar iedereen mee kan leven. Zulke wijken bestaan en floreren. Ze zijn een voorbeeld van de spirit waarin de Ruimtelijke Agenda wil eindigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.