Liever een levende eend dan een dode zwaan

Historicus, romanschrijver, journalist en vertaler Philipp Blom hield vrijdag de 30ste Van der Leeuw-lezing. Coreferent was schrijver Geert Mak. Dit zijn de verkorte teksten van hun lezingen.

aat me u een verhaal vertellen. Toen ik een jaar of negen was, bevroor voor het eerst in vele jaren de gracht van het kasteel in Detmold, het Duitse stadje waar ik opgroeide. De plaatselijke brandweer verklaarde het ijs veilig en de gladde vlakte werd opengesteld om te schaatsen.


Toen ik het ijs opging, ontdekte ik tot mijn verrukking dat ik kon wegzoeven waar anderen wankelden. Ik begon aan een verkenning van de vlakte, en merkte dat een deel was afgezet. Een groepje tevreden kwakende eenden peddelde rond in een wak. Ik ging naar het roodwitte lint dat om ze heen was gespannen. Iemand legde me uit dat de eenden dat wak nodig hadden om hun voedsel op te duiken en dat ze het openhielden door er in rond te peddelen en zo ijsvorming te voorkomen.


Ongeduldig ging ik een andere kant op. Een eindje verder op het ijs had zich een kluitje mensen gevormd. Nieuwsgierig wrong ik me naar het midden van de kring en daar zag ik het: een zwaan, zo sierlijk als een schilderij, met zijn vleugels uitgestrekt en zijn lange hals flauw gebogen, als het ware in volle vlucht in het ijs onder onze voeten gevroren. De mensen keken zwijgend toe, bijna met een soort devotie.


Er is een dilemma bij dit soort verhalen. Door mijn herinnering met u te delen, heb ik iets toegevoegd aan het weefsel van uw eigen herinneringen en daarmee uw wereld iets vergroot. Het beeld van die zwaan maakt nu deel uit van uw eigen associaties met de winter. Maar kunt u mij ook geloven? Weet u zeker dat dit is gebeurd?


Toevallig herinner ik me dit echt. Maar het interessante is dat het niet uitmaakt of het heeft plaatsgevonden. Niet voor het verhaal. Dat is goed of slecht, en goed of slecht verteld. U als luisteraar reageert niet in de eerste plaats op de feitelijke juistheid, maar op de verhalende kracht van dat wat u hoort. Dat roept bij u herinneringen op, schept beelden in uw hoofd.


U bent bereid mij te geloven omdat de krachtigste manier om een gedeelde wereld op te bouwen veeleer is door verhalen dan door harde informatie te delen, en omdat u zonder geloof geen dag meer zou kunnen leven. Ook al heeft u misschien nooit een voet op Antarctica gezet, u neemt aan dat het bestaat, omdat u er veel verhalen over hebt gehoord, verhalen die elkaar niet tegenspreken en die uit bronnen kwamen die u voor betrouwbaar houdt. U gelooft deze verhalen omdat u onmogelijk alles wat u hoort kunt verifiëren.


In een andere zin maakt het niet eens uit of het verhaal over de bevroren zwaan al dan niet waar is. Het beeld van de zwaan heeft zijn eigen poëtische waarheid, onafhankelijk van de feitelijke gebeurtenissen. Er is geen duidelijke grens tussen feit en fictie in de verhalen die wij scheppen, en die ons weer scheppen.


Het dier dat verhalen vertelt.


Wij kennen geen ander dier met het vermogen verhalen te vertellen. Dat doen we niet uit vrije keuze, maar uit noodzaak. Het is een deel van onze biologische bedrading om verhalen te vertellen, om in de omgang een vorm van waarheid te scheppen. Elk verhaal legt een structuur op aan de wereld om ons heen, een besef van zin en orde.


Als verhalen een oplossing voor wanhoop bieden, is het belangrijk te beseffen dat dit op heel verschillende manieren kan. Over het Midden-Oostenconflict en de botsende aanspraken van de Joodse Israëliërs en Arabieren op dezelfde grond heeft Amos Oz eens gezegd: 'Elke tragedie heeft twee mogelijke uitkomsten. De ene komt van Shakespeare, de andere van Tsjechov. Aan het slot van een Shakespeare-tragedie ligt het toneel bezaaid met lijken en hangt daarboven de geest der Gerechtigheid. Zo niet bij Tsjechov, waar uiteindelijk iedereen ongelukkig is, iedereen iets heeft moeten prijsgeven, niemand gerechtigheid heeft gekregen - maar iedereen nog wel leeft. Ik ben voor een Tsjechoviaanse oplossing.'


Twee verhalen

Literair historicus Erich Auerbach meende dat er in de westerse culturen twee manieren zijn om verhalen te vertellen, de Hebreeuwse en de Griekse. In de Hebreeuwse traditie zijn verhalen transformatief en moeten hun hoofdpersonen beproevingen ondergaan waardoor ze veranderen en tot een hogere vorm van waardigheid en inzicht kunnen komen.


Het volk Israël moest veertig jaar door de woestijn dwalen voor het zijn land waardig was dat zijn Heer had beloofd, Abraham moest bereid zijn om zijn zoon op te offeren, en Jakob om met de engel te worstelen en daarbij gewond te raken. Een logica die niet alleen in de christelijke martelarencultus doorwerkt, maar ook in de romantische verering van het tragische genie, van Prometheus tot Kurt Cobain.


Voor de Griekse mythologie was deze cultus van transformatief lijden onbegrijpelijk. Als Odysseus na een zoektocht van twintig jaar thuiskomt, is hij wel ouder, maar niet edeler en ook niets wijzer. Hij heeft twintig goede jaren verloren, maar is daar niet door getransformeerd. Lijden in de Hebreeuwse traditie mag transformatief zijn, het blijft wel gewoon verspilling.


Wij staan sceptisch tegenover deze verwerping van de persoonlijke transformatie. Uiteraard. Als postchristenen zijn wij meer Hebreeërs dan Grieken en wij proberen onszelf doorlopend te transformeren met strategieën die uiteenlopen van 'lijnen' tot yogalessen. Dat we niet beseffen waar deze neiging vandaan komt, is een voorbeeld van de grootste intellectuele val waar we in kunnen trappen - en geregeld inderdaad in trappen: die van de vertrouwdheid, de veronderstelling dat alles zo móét zijn omdat het zo ís, alleen maar omdat we ermee opgegroeid zijn en niet op alternatieven zijn gestuit.


Wat geloven wij?


Hoe kunnen we dan wel constructief leven met verhalen? Alleen als we mensen zien als de dieren die ze zijn, dacht de 18de-eeuwse filosoof, satiricus en schrijver Denis Diderot, kunnen we een waarachtig menselijke filosofie ontwikkelen. Die onze lichamelijke begeerte integreert in onze intellectuele en gemeenschapsdoelen, die geen vervulling zoekt in het overwinnen maar in het opvoeden van onze zinnelijke en irrationele aard.


Diderot leefde in en door verhalen. Voor hem bestond niets anders dan verlangen, empathie en de verhalen daar omheen. In zijn romans laat hij de lezer nooit vergeten dat hij een verhaal leest: 'U ziet, lezer', waarschuwt de auteur meteen aan het begin van Jacques de fatalist en zijn meester, 'dat ik u moeiteloos één jaar, twee jaar, drie jaar zou kunnen laten wachten op Jacques' liefdesverhaal, door hem van zijn meester te scheiden en elk van beiden bloot te stellen aan alle gevaren die ik maar zou willen.'


De schrijver speelt verstoppertje met het verlangen van zijn lezer om in het verhaal te verzinken en de confrontatie ermee wordt een ingewikkeld spel van verwachting en macht, van de bereidheid iets te geloven en een constructieve scepsis. Diderot wist dat verhalen noodzakelijk zijn voor ons begrip en ons voortbestaan, maar dat het wel gewoon verhalen zijn en blijven, aan de ene kant een samenzwering waaraan we meedoen, maar aan de andere kant in twijfel getrokken, in een voortdurende dialectische beweging.


Dat is geen eenvoudige of aangename positie om in te verkeren, maar het lijkt mij wel de enige mogelijkheid om een leven te leiden dat we als intellectueel volwassen mogen omschrijven: we hebben verhalen nodig als de lucht die we inademen, maar we moeten niet vergeten dat het maar verhalen zijn, oefeningen in interpretatie en vertaling die vergezeld gaan van hun eigen bagage, hun eigen waarden en eisen aan onze verbeelding en ons leven, en die net zo min een uiting van een letterlijke waarheid zijn als een willekeurige vertolking van een muziekstuk dat kan zijn.


Tsjechoviaanse oplossing

Geen van deze gedachten ging door mijn hoofd toen ik vele jaren geleden weg schaatste bij die dode zwaan. Maar nu denk ik dat die eenden in hun nabije wak een verhaal te vertellen hebben dat misschien wel net zo belangrijk is als dat van de zwaan. Terwijl ze rondpeddelden, leken ze minder edel en minder mooi dan die bevroren zwaan - maar ze leefden nog wel. Ze hadden als het ware een Tsjechoviaanse oplossing voor de gevaren van de winter gevonden.


Als cultuur zou het zo slecht nog niet zijn om een voorbeeld aan ze te nemen, ons niet te laten beheersen door ons instinctieve verlangen naar transcendentie, niet het ijs van een groot verhaal om ons heen te laten vriezen, hoe mooi dit ook mag zijn, maar onvermoeibaar en gezamenlijk het stromende element open te houden waarop we voor ons voortbestaan vertrouwen.


Die bezigheid heeft niets heldhaftigs; ze voorziet niet in ons aangeboren verlangen naar een Grote Waarheid en belooft ook geen definitieve verlossing en einde van de geschiedenis. Het is geen groots visioen, maar misschien moeten we, met Diderot, aanvaarden dat niet al onze psychologische behoeften kunnen worden vervuld, alleen maar omdat wij ze voelen. Misschien is de essentie van het leven wel minder heldhaftig, bescheidener maar ook menselijker dan wij in ons verlangen naar absolute Waarheden misschien veronderstellen.


Als ik de keus heb, ben ik liever een levende eend dan een dode zwaan.


Vertaling: Rien Verhoef


De Van der Leeuw-lezing is een initiatief van de stad, de provincie en de Rijksuniversiteit Groningen, de Stichting Martinikerk en de Volkskrant. Een boekje met de teksten en een interview met Blom is te bestellen op www.vkshop.nl


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden