'Lieve Nederlandse lezers, ik ben geen gelukzoeker'

De Syrische journalist Linda Bilal (37) wil graag integreren in Nederland. Toch voelt ze zich soms ontmoedigd. Gebrekkige informatie over haar land is een van de hobbels op de weg.

Beeld Pieter Van Eenoge.

Lieve Nederlandse lezers,

Ik moet jullie iets bekennen: ik kan nog steeds niet goed fietsen. Zelfs kleine kinderen kunnen dat in dit land, maar ik vind het doodeng. Een fiets met zijwieltjes zou voor mij waarschijnlijk geschikter zijn. Maar waar vind ik zo'n ding voor een vrouw van 1.80 meter?

Linda Bilal (37) is een jaar en acht maanden in Nederland. Eerder schreef ze voor De Correspondent artikelen over haar integratieproces.

Ik zie hoe behendig jullie Nederlanders zijn met de fiets; ik wil dat ook, want ik wil hier thuishoren. Dus heb ik mijzelf op cursus gedaan: een intensieve fietsles. Ik wachtte op een ochtend op het zeldzame, geliefde licht van de zomerzon in het Noorden en ging naar de fietsenzaak, om mijn fiets klaar te laten maken. Mijn plan: een fietstocht langs de akkers ten noorden van Haarlem. Het gebeurde vervolgens in een oogwenk, het was maar een steentje op de weg. Nu schaam ik me voor mijn gebroken been, waardoor ik al weken op bed lig.

Wat er die dag gebeurde is simpel: ik viel van mijn fiets. Ik heb het jullie ook zien doen: vallen. Maar jullie zijn daar beter in. Ik weet niet hoe ik mijn gewicht zo moet verdelen dat ik mijn lijf kan beschermen tegen de klap. Ik viel met mijn volle gewicht op mijn been, het brak op twee plekken. Nu lig ik plat en heb ik nota bene mijn Nederlandse taalles moeten uitstellen.

Vallen kunnen we allemaal, in fysieke of overdrachtelijke zin. Het belangrijkste is dat we leren hoe te vallen, en hoe we weer opstaan. Ik wil weer opstaan, ik wil leren fietsen, ik wil iets betekenen in dit land dat mij opving. Maar het valt me soms zwaar in een omgeving die weinig weet heeft van de oorlog die ik ben ontvlucht.

In Aleppo presenteerde Bilal een ochtendradioprogramma. Deze foto is gemaakt op haar laatste werkdag.

Ik kreeg laatst een officiële brief; of ik wilde verschijnen bij een cursus. Wij nieuwe vluchtelingen worden constant onderworpen aan cursussen. De ene keer leer ik hoe we moeten oversteken, dan weer hoe we moeten omgaan met de paar honderd euro die we vrij te besteden hebben. Deze cursus was een verplicht onderdeel van het 'participatieverklaringstraject'. Een interessant woord, waarvoor ik tot op heden nog geen Arabische vertaling heb kunnen vinden.

Dit keer leerde de instructrice ons - een groep oorlogsvluchtelingen uit Syrië en Irak - over het belang van respect voor elkaars meningen, over de Nederlandse rechtsstaat. Daarna ging ze over op een ander onderwerp: terrorisme in het Midden-Oosten. Over Syrië noemde de instructrice het getal 1.441. Dat was volgens haar het aantal slachtoffers van terreur in 2016. De cursisten keken elkaar aan, maar niemand durfde iets te zeggen. Iedereen wilde gewoon zijn papiertje halen.

Aleppo

Ik wilde dat ook. Maar ik ben al tien jaar journalist, ik volg het nieuws over mijn geboorteland nauwgezet. Dus vroeg ik de instructrice naar de betrouwbaarheid van de cijfers. Zij antwoordde mij dat die honderd procent klopten.

1.441 slachtoffers. Waar kwam dit getal vandaan? Wie had besloten dat 1.441 'honderd procent' correct was? Ik zocht op Google en stuitte meteen op een rapport van Amnesty International, dat repte over 13 duizend doden in één gevangenis. Alleen al in mijn eigen stad Aleppo kwamen in 2016 bij vier aanslagen ruim drieduizend mensen om.

Toen ik de instructrice hiermee confronteerde, veranderde haar gezichtsuitdrukking. Ze werd boos en zei dat de cijfers misschien niet precies waren. Ik vroeg haar ons te vertellen welke bronnen zij had gebruikt, en een definitie te geven van de term 'terrorisme'. Ze antwoordde dat ze de verantwoordelijke persoon zo snel mogelijk om uitleg zou vragen. Het kan een simpel misverstand zijn, een foutje. Maar het is exemplarisch voor het probleem waar ik soms tegenaan loop in dit prachtige land.

Photoshop-oorlog

In de wijk waar ik woon, het rustige Haarlem-Noord, begroeten Nederlanders mij vriendelijk. Steeds vaker komen ze op bezoek in mijn kleine huisje om kennis te maken. De meeste mensen die ik over de vloer krijg weten weinig over de oorlog in mijn land, zijn verbaasd dat ik in Nederland ben. Sommige mensen die ik spreek hebben de verschikkelijke televisiebeelden wel gezien, maar hebben daar zo hun eigen theorieën over. Zo wist de installateur van mijn wasmachine zeker dat de oorlog in Syrië een 'photoshop-oorlog' was. De beelden waren gefabriceerd, het was allemaal nepnieuws.

December vorig jaar ging ik demonstreren bij de Russische ambassade in Den Haag, tegen de bombardementen op Aleppo. Ik kon die dagen mijn ogen nauwelijks afhouden van Facebook Messsenger, de app op mijn telefoon. Telkens keek ik of de bolletjes voor de namen van mijn vrienden nog groen waren. Een groen bolletje betekende dat ze online waren, dat ze waarschijnlijk nog in leven waren. Als het bolletje wegviel, stuurde ik een berichtje: waar ben je, leef je nog? Tijdens de belegering van Aleppo namen vrienden en kennissen alvast afscheid op Skype: dit zou weleens de laatste keer kunnen zijn dat wij elkaar spraken.

Toen ik die avond terugkwam van de demonstratie, trof ik mijn oude, gepensioneerde buurman op straat. Hij vroeg mij naar de tekst op het bord dat ik bij me droeg. Ik vertelde hem over de bommen en over het lot van mijn vrienden en kennissen. Mijn buurman wist niets over dit drama. Ik vertelde hem dat ik mijn stad was verloren. De tranen liepen over zijn wangen. Eenmaal thuis vroeg ik me af: hoe kan het toch dat een man die elke dag een krant op zijn deurmat krijgt, toch niet weet dat mensen in Syrië worden afgeslacht?

Die vraag stel ik aan de Nederlandse pers, aan de Nederlandse overheid. Is het mogelijk dat bij de aanhoudende berichtgeving over deze oorlog, de menselijke tragedie op de achtergrond is geraakt? Ik kan natuurlijk niet alle media bijhouden, ik weet dat veel Nederlandse journalisten hun best doen om het conflict zo goed mogelijk te verslaan en dat er Nederlanders zijn die wel goed op de hoogte zijn van de oorlog. Maar wat mij in het algemeen opvalt aan de Europese berichtgeving over Syrië is de eenzijdige focus op Islamitische Staat en president Assad. Alsof het een strijd is tussen de islamisten aan de ene kant en het regime aan de andere kant.

Een Syrische man loopt langs een vernietigde auto. Beeld afp

Klem

De realiteit is zoveel complexer. In Syrië strijden verschillende legereenheden en milities tegen elkaar, en dat deden ze al voordat IS werd opgericht. Wat mij vooral opvalt is dat de Europese media relatief weinig aandacht besteden aan de grote groep ongewapende burgers; mensen zoals ik, zoals mijn moeder en mijn oom, die klem zitten tussen verschillende strijdende milities.

Bij het Media-instituut in Syrië leerde ik als radiojournalist dat het belangrijkste nieuws verscholen ligt tussen twee berichten: 'Hond bijt man' en 'Man bijt hond'. De tweede categorie is zeldzaam. Maar soms lijkt het alsof de interesse van Europese media vooral naar het laatste nieuwsbericht uitgaat. De kranten staan deze week vol van de afschuwelijke aanslag in Manchester, dat is begrijpelijk, aanslagen in Europa komen niet veel voor. De cynische werkelijkheid is dat dit soort onmenselijke dingen elke dag gebeuren in Syrië, en daardoor minder nieuwswaardig zijn geworden.

Als er wordt geschreven over Syrië leggen de gewone Syriërs het doorgaans af tegen IS-strijders, tegen berichten over Europese Syriëgangers. Soms lijkt het of er alleen nog mensen met wapens over zijn in Syrië. Natuurlijk, het helpt niet dat er amper correspondenten ter plekke zijn, mijn land is te gevaarlijk voor journalisten. En ook als journalisten hun uiterste best doen om verslag te doen van het menselijk leed daar, bestaat er grote kans dat hun lezers en kijkers zich afsluiten. Berichten over dood en rampspoed in het Midden-Oosten vormen informatie die we wellicht liever overslaan, opdat we geestelijk gezond blijven.

Mede daardoor moet ik me in Nederland vaak verantwoorden voor het feit dat ik gevlucht ben. Ik heb zo veel bombardementen meegemaakt, dat ik aan het geluid van een overvliegend gevechtstoestel hoor of het een zwaar of licht bombardement wordt. Ik heb zo veel vrienden en kennissen verloren, dat ik het bijna niet meer kan bijhouden. Toch krijg ik geregeld de vraag: waarom ben je gevlucht uit Syrië? Waarom kies je niet voor opvang in de regio?

Er is geen veilige plek in Syrië. Ook inwoners van een relatief stabiele stad als As-Suwayda moeten vrezen dat de bombardementen elk moment weer kunnen beginnen. En de regio? Daar is het simpelweg vol. De helft van alle Syriërs is op de vlucht. Er is nergens plek.

Ergens kan ik het me wel voorstellen als mensen in Nederland bang zijn voor vluchtelingen uit Syrië. Mede door de berichtgeving over de oorlog denken ze bij vluchtelingen misschien aan IS-strijders, aan terroristen. Ze hebben misschien niet mij voor ogen, een vrouwelijke journalist die moest vluchten omdat ze met de dood werd bedreigd.

Schoonmaken

Lieve Nederlandse lezers, ik ben geen gelukzoeker. Soms wil ik niet eens gelukkig worden. Survivor's guilt, noemen ze dat. De schaamte en het schuldgevoel waardoor je overvallen wordt omdat jij nog leeft en de anderen niet. Omdat jij een huisje in Haarlem hebt, en je familie vreest voor bombardementen. Dat gevoel onderscheidt ons van economische migranten. Oorlogsvluchtelingen hebben last van diepe heimwee, soms willen ze zelfs dood.

Zelf wil ik zo snel mogelijk terug, dat willen de meeste Syriërs. Tot die tijd moet ik hier zijn, en integreren. Als ik niet hoef te struikelen over verkeerde informatie bereiken wij samen dat doel misschien eerder.

Ik droom er van weer te kunnen werken. Als ik mijn ogen sluit, ruik ik de radiostudio in Aleppo. Ik mis mijn stem op de radio. Ik mis zelfs de FM-frequentie: 94.9. Een gemeenteambtenaar raadde me aan om hier schoonmaker te worden. Ik ben heel slecht in schoonmaken, maar ik zal alles doen om niet afhankelijk te zijn van een uitkering. Ik moet de taal leren. Ik moet Nederlanders nog beter leren kennen. En ik moet leren fietsen, ook al blijf ik verlangen naar zijwieltjes, zodat ik me echt veilig kan wanen in dit mooie land.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden