Lieve Mijnheer Boorman!

'Maar niet te veel brieven schrijven, weinig brieven, zeer weinig en als 't kan helemaal geen brieven', zei U...

HELGA RUEBSAMEN

Wat zei U zelf over het schrijven van brieven?

Het is dus een waagstuk om een brief aan U te schrijven.

Laat ik dan niet met geflikflooi beginnen. Met 'Lieve Mijnheer Boorman' zal ik eindigen, na mijzelf moed in te hebben geschreven.

Lieve Mijnheer Boorman, dat wil ik pas schrijven op het ogenblik dat U bijna aan het einde van mijn relaas bent gekomen.

Op dat ogenblik grijp ik U bij de kladden en stoot het U toe, niet alsof het mij per ongeluk ontsnapt, maar uit het diepst van mijn ziel: Lieve Mijnheer Boorman, ik houd van U! Ik houd van U meer dan van alle boekpersonages die ik heb ontmoet in mijn leven. Ik zal U vertellen waarom: niemand wees mij op U als was U een leraar of zelfs maar een weldenkend man en toch was U de eerste in mijn leesboeken, die niet met praatjes kwam aanzetten over de goedheid van de mens in het algemeen en die van U in het bijzonder, U was de eerste die recht door zee zwom en mij zonder enige slag om de arm boudweg beval vooral niet op God te betrouwen. U zei waar het op stond en korter nog dan de Prediker het deed.

'Dit alles komt van de ijdelheld, de Mattos', sprak U tot Laarmans, die ik altijd heb benijd vanwege zijn innige verstandhouding met U, 'ieder wil nummer één zijn of tenminste doorgaan voor nummer één. De meesten gaan er nog liever voor door dan dat zij erop gesteld zijn het werkelijk te wezen. Jezus Christus, die gepraat heeft als had hij de wijsheid in pacht, heeft daar niets aan veranderd.'

Ik was zeventien jaar toen ik U leerde kennen en ik was ongenuanceerd in mijn adoratie, en dus gingen mijn in de boeken gevonden vrienden er allemaal uit toen U kwam. Zelfs Josef K., al mocht die later weer binnen, net als die eenzame ziel uit het souterrain. Maar de gebroeders Karamazov en vorst Myshkin, weg ermee! Anna Karenina opgedonderd!

Intussen zijn er vele jaren verstreken en U bent vanuit de twee boeken, waarin ik U leerde kennen, in mijn hoofd gaan wonen en mij zo vertrouwd geworden als was U mijn oom. Mijn oom Karel! Vertrouwd maar volstrekt onbereikbaar, want wie in mijn hoofd woont, zit opgesloten. Was U maar mijn eigen personage, dan kon ik U bevrijden, maar helaas. . . U bent niet van mij.

Ben ik in Antwerpen, dan meen ik U te zien lopen. Altijd voor mij uit, dat spreekt vanzelf.

Ik droom ervan om U in te halen, op de schouder te tikken en aan te spreken, maar ik besef meteen, zelfs in die droom, dat U mij niet ziet staan. Al zou ik de ideale vrouw zijn, Maria van Dam.

De ideale vrouw, die daarom in uw wereld, de wereld van uw schepper, onzichtbaar moest zijn.

Maar wacht eens even! U, ja, zelfs U heeft U wel eens zwak betoond.

Laarmans vertelt hoe U rouwde over de dood van Uw vrouw en hoe U toen uw best heeft gedaan om wat pret te maken. Maar, schrijft hij: 'dat viel niet mee, want hij zag er zo zwartgallig uit, dat zelfs de lichtste meiden van hem schrokken.'

Ik niet, hoor!

En dit is wat ik U per se in mijn brief wil schrijven: ik zou nooit van U zijn geschrokken, nooit, never, nooit, lieve mijnheer Boorman.

Wij waren pret gaan maken, geloof maar. Al was het voor mijn part in dat rare Antwerpse hotel vlakbij het station. Ja, daar waar al die handelsreizigers komen met hun dames, nou ja, dames, wat maakt het uit, wij waren daar vrolijk terecht gekomen. Beetje dronken was ik maar, want ik houd niet van stout, ook al is het gebotteld in Dublin.

Ik weet trouwens precies, hoe U daar toen stond, toen ik niet schrok! en U aansprak. Voor de Brasserie du Lion Royal, peinzend en met Uw enorm grote hoofd naar de grond toe gebogen, zodat het lichtste briesje Uw hoed al kon afpakken. U was tezeer in Uw verdriet verdiept om ervoor te gaan lopen, dus ik raapte het weggeblazen hoofddeksel voor U op!

'Mijnheer Boorman, alstublieft, uw Borsalino. .'

U zag mij toen eindelijk staan!

'Mijnheer Boorman, hier is Uw Trilby.'

U stak Uw hand zwijgend uit, maar ik had U de hoed niet gegeven. Die hield ik net zolang stevig vast, totdat ik U beet had.

En dan had ik, zo brutaal als ik durfde en zo koket als ik kon, U om mijn beloning gevraagd. Een kusje, een kusje maar? had ik gebedeld en de rest had ik wijselijk in het ongewisse gelaten.

Helga Ruebsamen

Dit is de zevende in een reeks brieven aan romanpersonages. De brief van Helga Ruebsamen is gericht aan mijnheer Boorman uit Lijmen en Het Been van Willem Elsschot ( Querido). Uit het oeuvre van Ruebsamen zijn nog leverbaar: De dansende kater, Op Scheveningen en Olijfje en andere verhalen (Querido). De brieven worden ook voorgelezen in de Avonden van de VPRO op Radio 5, dagelijks om 22.00 uur. Zaterdag op deze plaats een brief van Philip Markus aan de Revisor van Nikolaj Gogol.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden