Liefdesbrieven van een kampbeul

Fokko wist tot zijn ­pensioen weinig van zijn vader. Tot hij diens brieven uit de gevangenis ging lezen en zich moest verdiepen in het leven van de man die bekend zou ­worden als een van de SS’ers uit kamp Amersfoort. Aflevering 1: De doos van Pandora

Willem van der Neut. Beeld Simon Lenskens
Willem van der Neut.Beeld Simon Lenskens

Dit is de eerste aflevering van ‘Liefdesbrieven van een kampbeul’. De overige vijf afleveringen verschijnen in de Volkskrant. Nu al verder lezen of het hele verhaal beluisteren? Dat kan hier, mits je abonnee bent. Het verhaal is ingesproken door Gijs Scholten van Aschat.

1.

Voor het eerst naar de kleuterschool, achterop bij zijn moeder. Daar fietsten ze dan, dwars door Soest. Fokko moet net 4 zijn geworden.

Het was juni 1949, een prachtige zomerse dag. Ze zoefden langs de winkel van banketbakker Spikman, waar ze het beste ijs ter wereld verkochten. De gigantische kastanjeboom die ’s zomers zoveel schaduw bood. En de dierenwinkel van Blom, met z’n knaagdieren en vogeltjes. Fokko keek zijn ogen uit.

Hij woonde al zijn hele leven in dit dorp. De eerste paar jaar bij zijn grootouders. Later, toen ze weer vrij was, trok ook zijn moeder bij hen in.

Nu stapten ze af op de Duinweg. Ze volgden het pad naar het schooltje, dat een beetje achteraf stond. Zijn moeder droeg een groene ruitjesjurk met blauwe strepen, herinnert Fokko zich een heel leven later.

En hij herinnert zich nog iets. Dat andere ouders achteruit deinsden toen ze hen zagen. Alsof ze stonken. Of een besmettelijke ziekte hadden. Gesmoes, geroezemoes, mensen die elkaar aanstootten.

Later, tijdens het speelkwartier, wilden andere kinderen niet met hem spelen.

‘Dat mag niet van mijn ouders’, zou eentje hem hebben toegebeten. ‘Jouw vader zit in de gevangenis.’

‘Niet waar’, antwoordde Fokko met zijn ronde koppie, zijn blonde haren en zijn licht uitstaande oortjes.

Wist hij veel.

2.

Een kleine zeventig jaar zijn verstreken. Nu weet Fokko Dettmer het allemaal wel. Nou ja, niet alles misschien, maar genoeg, genoeg om er soms wakker van te liggen, genoeg om te kunnen erkennen dat zijn vader in de Tweede Wereldoorlog een schurk was.

Lang heeft hij het weggedrukt. Zijn hele werkende leven trok hij een muur op, zoals zijn vrouw het zegt. En met die muur probeerde hij alles buiten te houden. Niets wilde hij weten over de misdaden van zijn vader.

Pas na zijn pensionering in 2010 besloot Fokko een blik te werpen in de achteruitkijkspiegel. Toen las hij alle 270 brieven die zijn vader vanuit verschillende gevangenissen aan zijn moeder gestuurd had, tot vlak voor zijn ontsnapping.

Ook verdiepte Fokko zich in de processtukken die hij van een amateur-historicus had gekregen. Daaruit begreep hij dat zijn vader als bewaker in Kamp Amersfoort gevangenen had getreiterd, mishandeld en gefusilleerd. In 1948 had het Bijzonder Gerechtshof hem veroordeeld tot de doodstraf.

Ook las hij in de documenten dat zijn moeder ‘administratieve werkzaamheden’ had verricht in het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (PDA), zoals het kamp officieel heette. Daar hadden zijn ouders elkaar dus ontmoet, daar hadden ze ‘vele malen vleselijke gemeenschap’, zoals ook ergens vermeld stond. Clara Hendrika Lüschen – roepnaam: Erika - werd na de oorlog veroordeeld voor collaboratie. Ze zat tweeënhalf jaar vast.

Fokko is niet trots op zijn afkomst, zegt hij als ik hem ontmoet in het ruime appartement in Woudenberg, waar hij met zijn vrouw woont. Maar het is goed dat het hele verhaal een keer wordt verteld.

Willem van der Neut, in Brandpunt, 1966. Beeld privé foto
Willem van der Neut, in Brandpunt, 1966.Beeld privé foto

3.

Deze zoektocht begon met een terloopse vraag. Ik stelde hem aan Gertjan Dikken van het Niod, het instituut voor oorlogs-, Holocaust- en genocidestudies. Hij neemt daar oorlogsdocumenten in ontvangst van mensen die er nog voor hun dood vanaf willen. En van mensen die ze op zolders van gestorven dierbaren hebben aangetroffen.

Het was eind 2017, ik had Dikken voor de Volkskrant geïnterviewd over een aquarelletje dat door Adolf Hitler geschilderd zou zijn – wat later weer betwist werd – en stelde hem bij vertrek een laatste vraag.

‘Wat is het interessantste dat hier de afgelopen jaren is binnengebracht?’

Over het antwoord hoefde hij niet lang na te denken.

‘De liefdesbrieven’, zei hij. ‘De liefdesbrieven van een kampbeul.’

Of hij het precies zo zei, zo kernachtig, dat weet ik niet zeker. Ik heb geen aantekeningen van dat gesprek gemaakt. Wat ik wel weet, is dat ik direct gefascineerd was door het contrast. Waar kwamen de uitersten van goed en kwaad dichter bij elkaar dan in die paar woorden?

Zonder ook maar één van de brieven gelezen te hebben, wist ik dat ik een verhaal op het spoor was. En dus vroeg ik Dikken niet lang daarna of hij me in contact kon brengen met de zoon van de kampbeul, die de brieven aan het instituut had geschonken. Dat wilde hij.

Het bleek het begin van een indrukwekkende zoektocht, die me voerde naar de duisterste jaren van de Nederlandse geschiedenis, waarin duidelijk werd wie het hart op de juiste plaats had en wie viel voor de verleidingen van het kwaad.

Bij die zoektocht zouden onvermijdelijke vragen opdoemen. Heeft iedereen het in zich kampbeul te worden? Hoe kan een moordenaar lieve brieven schrijven? En kun je nog een normaal leven leiden nadat je mensen geëxecuteerd hebt?

Om zulke vragen te beantwoorden zou ik tientallen A4’tjes aan politiedocumenten en processtukken overtypen. Ik zou mezelf betrappen op een vleugje medelijden met de kampbeul. En ik zou een onbekend familielid vinden, dat een ander licht op de geschiedenis wierp.

Maar ja, dat wist ik allemaal nog niet toen ik het statige pand van het Niod verliet en mijn fiets van het slot haalde.

4.

Fokko zag op jonge leeftijd heel wat gevangenissen van binnen. Eerst zat zijn vader vast in Scheveningen, toen even in Utrecht, opnieuw in Scheveningen en vervolgens in Amsterdam. Nadat de doodstraf was omgezet in levenslang, belandde Willem van der Neut in 1950 in de strafgevangenis van Leeuwarden.

Dat die imposante gebouwen gevangenissen waren, drong destijds niet tot Fokko door. Zijn ouders en zijn grootvader hielden hem voor dat papa daar moest werken en dat hij dáárom niet bij zijn gezin woonde, zoals andere vaders in het dorp.

‘En als zij dat zeggen, dan geloof je dat’, zegt Fokko daar later over.

Elk bezoek voelde voor de kleine jongen als een wereldreis. De hele dag op pad, met bussen, treinen, trams – en dat allemaal voor een man die hij nauwelijks kende. In sommige gevangenissen zat zijn vader achter gaas of tralies, in andere aan dezelfde tafel. Altijd hielden bewakers toezicht.

In het voorjaar van 1951 moest Van der Neut opnieuw verkassen, ditmaal naar de Koepelgevangenis in Breda. Fokko herinnert zich ook nu nog hoe de stoomlocomotief hen de stad in trok. Daar zag hij de grote schoorsteen van De Faam, fabriek van suikerwerken. Ze gingen te voet van station naar gevangenis.

Binnen liet zijn vader hem de werkruimte zien, waar hij in zijn vrije tijd een houten auto en een houten zeilboot voor hem maakte. Ook ontmoette Fokko er andere oorlogsmisdadigers. Bij Josef Kotalla, eveneens kampbeul te Amersfoort, zat hij af en toe op schoot. Kotalla spaarde voor Fokko de stripboeken van Flipje. De zegels zaten bij de jam.

‘Voor mij’, zegt Fokko, ‘waren dat heel aardige mensen.’

5.

Hoe Fokko ervan hoorde? Ze zullen er thuis over gesproken hebben. Misschien was zijn moeder gebeld, door wie dan ook. Misschien was de politie poolshoogte komen nemen. Of ze hadden het op de radio gehoord, want het was direct groot nieuws.

‘Uit de strafgevangenis in Breda zijn gisteravond zeven tot levenslang veroordeelde politieke delinquenten ontvlucht’, zei de nieuwslezer op 27 december 1952. ‘Tijdens een filmvoorstelling in het gebouw hebben zij kans gezien via het ketelhuis op het buitenterrein te komen. Drie van de gedetineerden waren te werk gesteld als stoker, waardoor zij ter plaatse goed bekend waren.’

In een latere nieuwsuitzending lazen ze ook de namen voor van de zeven ontsnapte mannen.

‘De officier van justitie in Breda heeft meegedeeld, dat duizend gulden beloning wordt uitgeloofd voor hen, die aanwijzingen geven waardoor de mannen kunnen worden aangehouden.’

Willem van der Neut, geboren in Nieuwkoop op 6 januari 1919, werd als vierde genoemd.

Een week of twee eerder hadden Fokko en zijn moeder hem nog bezocht. Van der Neut had cadeautjes klaarstaan, die ze mee naar huis sleepten. Een knikkerspel onder andere, zo’n bord met spijkertjes, zelf gemaakt.

Het was de allerlaatste keer dat ze elkaar in de ogen keken. Fokko was zeven jaar oud.

6.

Fokko in de trein, een paar dagen voor zijn negentiende verjaardag. Met een stuk of twintig andere jongens uit het dorp tufte hij naar Utrecht, voor de militaire keuring. Hij was de enige van het stel die in dienst wilde. Werken bij de marine, dat leek hem wel wat.

Die anderen, zo herinnert hij zich, werden die dag allemaal goedgekeurd. En hij? Hij staarde in de trein terug naar een voorgedrukt papier waarop met rode inkt twee woorden waren gestempeld: voorgoed ongeschikt.

Fokko snapte er niets van. Vanaf zijn tiende voetbalde hij bij SEC, vanaf zijn zestiende in het eerste elftal, dat uitkwam in de derde klasse van de zondagamateurs. Geregeld was hij gekeurd door de sportarts. Nooit mankeerde hem iets.

Onderaan het formulier, dat hij altijd bewaard heeft, stond in kleine letters dat hij over het oordeel ‘desgewenst’ inlichtingen kon inwinnen bij zijn huisarts.

‘Ik dacht: het zal wel’, zegt hij daar nu over.

‘Had het met je vader te maken?’ vraag ik.

‘Dat zou best kunnen.’

‘Je moeder dacht van wel’, zegt zijn vrouw Mariët. ‘Dat heeft ze me verteld.’

‘Misschien hebben ze gedacht: laten we die jongen geen geweertje geven’, zegt Fokko. ‘Je weet nooit wat er in zijn bloed zit.’

7.

Hij bleef altijd op zijn hoede, bang dat iemand zijn geheim zou achterhalen, dat iemand hem zou beoordelen op het feit dat hij de zoon van een kampbeul was.

Na de ambachtsschool hielp Fokko zijn grootvader in de stoffeerderij achter het huis. Totdat de overbuurman hem op een dag een baan bij zijn bouwbedrijf aanbood, waar hij 85 gulden in de week kon verdienen met het plaatsen van kolommen en het monteren van wand-elementen.

In de avonduren volgde hij bijscholing, waardoor hij leerde tekenen en plannen. Hij klom op tot assistent-uitvoerder, uitvoerder, werkbegeleider en uiteindelijk tot hoofd werkbegeleider, waarbij hij zes of zeven uitvoerders aanstuurde.

En altijd zweeg hij over zijn vader - zijn echte vader, niet vader Dettmer, met wie zijn moeder in 1957 was getrouwd. Fokko zweeg tegen collega’s en klanten, tegen vrienden, kennissen en buren. Ja zelfs tegen Mariët, die er pas na hun huwelijk in 1969 over hoorde. Niemand hoefde het te weten, vond Fokko. Dan kon ook niemand bij een misstap zeggen: zie je wel, dat zat er dik in met zo’n vader.

‘Mijn moeder sprak er ook nooit over’, zegt Fokko. ‘Niet achterom kijken, zei ze altijd. De zon schijnt...’

‘...en er liggen appels op de fruitschaal’, zegt Mariët. ‘Dat zei ze bij alles. Maar daarmee los je natuurlijk niets op.’

Na 22 jaar stapte Fokko over naar een opleidingsbedrijf, waar hij eerst als bedrijfsleider werkte en later als directeur. Hij bleef er tot zijn pensioen.

In al die jaren sprak nooit iemand hem aan op het verleden.

8.

Nee! Kijk! Daar! Was dat hem?

Bijna zestig jaar nadat Fokko voor het laatst de Koepelgevangenis van Breda bezocht had, zag hij op televisie een aankondiging van een programma dat diezelfde avond nog zou worden uitgezonden. Daarbij kwam een gezicht in beeld dat hem bekend voorkwam.

Ja zeg, dit was hem, dit was Willem van der Neut. Bewegend. Pratend. Zijn vader in zwart-wit.

Het was 11 december 2011, Fokko en Mariët belden hun twee kinderen dat ze die avond naar Ivo Niehe moesten kijken. Zelf gingen ze er ook voor zitten.

Ze zagen hoe Niehe met journalist Aad van den Heuvel terugblikte op diens indrukwekkende journalistieke carrière. Daarbij kwam ook een reportage aan bod die Van den Heuvel in 1966 had gemaakt voor het actualiteitenprogramma Brandpunt. Hij had er ontsnapte oorlogsmisdadigers opgespoord, die West-Duitsland ondanks vele verzoeken nooit wilde uitleveren aan Nederland. De enige die Van den Heuvel een interview had toegestaan, was Willem van der Neut geweest.

Fokko en Mariët zagen hoe een wat schuchtere man in beeld verscheen - donkere bril op de neus, de haren achterover gekamd, zijn Nederlands doordrenkt met Duitse woorden. Hij zat voor een bloemetjesgordijn en antwoordde rustig op de vragen van Van den Heuvel. Fokko kon er niet met droge ogen naar kijken.

Na het programma hing hun zoon weer aan de telefoon. Hij was boos, herinnert Mariët zich later.

‘Wat een hond’, zou hij gezegd hebben. ‘Ik wil nooit meer iets over hem horen.’

9.

Het had weinig gescheeld of Fokko had de brieven die zijn vader vanuit de gevangenis schreef nooit onder ogen gekregen. Na het overlijden van zijn moeder in 1992 had zijn halfzus het pakket mee naar huis gesmokkeld, zonder hem over de vondst te informeren.

Toen Mariët erover hoorde, ging ze verhaal halen. Die 270 brieven behoorden Fokko toe, beet ze zijn halfzus toe. Van der Neut was zijn vader, niet de hare. Ze ging overstag. Kort na die uitzending van Ivo Niehe kreeg Fokko de brieven in zijn bezit.

Fokko begon te lezen. Over dagelijkse beslommeringen, over het werk dat zijn vader in de gevangenis deed, en over het eindeloze wachten tot zijn gratieverzoeken in behandeling genomen werden.

Maar dat was niet alles. Fokko leerde uit de brieven ook dat zijn vader al getrouwd was toen hij in Kamp Amersfoort met Erika aanpapte. En dat hij uit dat huwelijk al twee kinderen had, als het er geen drie waren.

Na een paar brieven schoof Fokko de stapel meestal terzijde. Dan had hij er genoeg van.

‘Soms greep het je zo naar de keel’, zegt Mariët, ‘dat je er een tijdje niets van moest hebben.’

‘Dan was ik er even klaar mee’, zegt Fokko.

‘Het is ook niet iets dat je gauw in de vriendenkring bespreekt’, zegt Mariët. ‘Alleen aan onze vrienden Jaap en Lotty heb je het verteld. Toen zat het je hoog. Ze schrokken, maar zeiden ook dat jij er niets aan kan doen, dat je een goed mens bent. Die vriendschap is er nog hechter van geworden.’

Fokko als baby Beeld Simon Lenskens
Fokko als babyBeeld Simon Lenskens

10.

Uit een verklaring die Willem van der Neut in 1947 aflegde, en die Fokko na zijn pensioen wist te bemachtigen:

‘Verschillende malen voerde ik over deze Joden het commando. Ik ben bij dit commando voeren op zeer wrede, beestachtige wijze tegenover deze Jodengevangenen opgetreden. Zo stak ik onder andere hun baard in brand of rolde deze op een potlood in een roterende beweging, tot zij kreunden of schreeuwden van pijn.’

11.

Tijdens een van mijn bezoeken aan Woudenberg haalt Fokko een prachtige houten kist tevoorschijn, die hij schertsend ‘de doos van Pandora’ noemt. Zijn vader heeft hem in de gevangenis voor zijn moeder gemaakt. Nu bewaart Fokko er knipsels, documenten en boeken in die met zijn vader te maken hebben.

Hij vist er een dvd uit, die hij in de dvd-speler schuift. De hele reportage van Brandpunt uit 1966 staat erop. Fokko heeft de opname na de uitzending van Ivo Niehe bij het Instituut voor Beeld en Geluid besteld. Samen kijken we ernaar.

Eerst vertelt Van den Heuvel het verhaal van de ontsnapping uit de Koepelgevangenis. Een filmavond. Een vluchtroute via de kelder. Klaarstaande auto’s.

Dan somt hij op in welke Duitse dorpen en steden de journalisten de zeven vluchters hebben teruggevonden. Voormalig SS’er Sander Borgers bleek veehandelaar in Leer, op nog geen veertig kilometer van het Groningse Winschoten. We zien hem een kalf naar een boerderij sleuren, handjeklap doen met een koper en twee koeien in de uiers knijpen.

‘Zoals alle anderen is hij weinig gesteld op publiciteit’, zegt Van den Heuvel in de voice-over. ‘Hij wilde ons nog wel zeggen, dat hij spijt heeft van zijn vlucht, omdat hij bij nader inzien een hekel aan de Duitsers heeft.’

Dan verschijnen de vakwerkhuizen van Uslar in beeld, een West-Duits stadje nabij de Oost-Duitse grens. Daar woont Willem van der Neut, vertelt Van den Heuvel, ‘eens berucht beul van het concentratiekamp in Amersfoort, die zoals de beschuldiging luidde: sigaretten uitdrukte op het gezicht van de gevangenen, die baarden in brand stak, ogen uitdrukte en deelnam aan vele executiepelotons.’

Over die gruwelijkheden stelt Van den Heuvel geen vragen – of ze hebben de montage niet gehaald. Wel spreekt hij met Van der Neut over de plannen om de Koepelgevangenis te ontvluchten en de hulp die de zeven gedetineerden daarbij kregen.

Van den Heuvel: ‘Zou u terug willen naar Nederland?’

Van der Neut, zonder een spoor van twijfel: ‘Ja, heel graag. Maar de mogelijkheid is niet da.’

‘Waarom wilt u terug naar Nederland?’

‘Ja, hoe zal ik het zeggen? Er is toch maar één land waar je geboren werd, daar wil mann toch steeds weer naar terug.’

‘U hebt nog een straf tegoed in Nederland. Houdt dat u bezig?’

‘O ja, also dat hangt altijd eroverheen. Ik was ter dood veroordeeld, had twee jaar in de dodencellen gezeten.’

‘Was u te zwaar gestraft?’

‘Also, nach Hollandse opvatting? Nee! Het enige wat ik sagen kann is: ik was in die tijd wat jong, heb me ergens bij aangesloten, heb dat meegemaakt. Nu dat ik ouder ben, wil ik dat niet meer doen. Ik heb nu meer verstand dan vroeger. Also, te zwaar? Nee.’

‘De gebeurtenissen in de oorlog houden u wel bezig nog?’

‘Ja, die houden je altijd bezig.’

Fokko en zijn moeder Erika. Beeld Simon Lenskens
Fokko en zijn moeder Erika.Beeld Simon Lenskens

12.

Fokko. Fokko’tje. Ons jongske. Van der Neut schreef in veel van zijn brieven aan Erika over hun zoon. Hoe benieuwd hij was hoe die er nu uitzag, dat hij een standaardje gemaakt had waar hij een foto van Fokko in kon zetten, dat hij baalde dat Fokko tijdens het bezoekuur niet op schoot kwam zitten.

Het raakte Fokko, toen hij die mooie woorden jaren later op zolder las. Soms welden tranen op in zijn ogen.

‘Fokko’tje, lieve jongen’, schreef Van der Neut bijvoorbeeld in 1949, ‘wat zou ik graag iedere dag met je ravotten en met jou en mama door de bossen wandelen. Jij op mijn schouder en mama aan mijn zij, dan zou ik mijn geluk niet op kunnen.’

Een jaar later: ‘Zeg ons jongske maar dat papa heel graag bij hem is en altijd naar hem verlangt, maar dat eerst het werk af moet. En dat als papa dan bij hem komt, gaat hij nooit meer bij hem vandaan.’

Weer een jaar later: ‘Tjonge wat zouden we fijn met elkaar kunnen spelen. Als het gaat sneeuwen, sleeën en sneeuwballen gooien. En ‘s zomers gaan wandelen en fietsen.’

En toch sloeg bij Fokko halverwege de stapel de twijfel toe. Want als zijn vader zo zielsveel van hem gehouden had, zoals hij keer op keer schreef, waarom had hij dan na zijn vlucht nooit meer contact opgenomen? Zeker die eerste jaren wist hij donders goed waar Fokko woonde - het adres had hij honderden keren op de brieven vanuit de gevangenis geschreven.

Waren die liefdevolle woorden in die brieven wel oprecht? Of was het toneelspel van een eenzame man? Fokko kon er slechts naar gissen.

13.

Uit een verklaring die Willem van der Neut in 1947 aflegde, en die Fokko na zijn pensioen wist te bemachtigen:

‘Omstreeks Juni 1944, de juiste tijd kan ik mij niet meer herinneren, heb ik, samen met de Hollandse Unterscharführer Van Doorn en de Hollandse chauffeur J. Burgers, die in de garage van het PDA werkzaam was, een gevangene ‘Leen van het Gasfabriekskommando’ genaamd, die was ontsnapt en opnieuw binnengebracht, zwaar mishandeld, blauwe ogen geslagen en een bloedende mond. Ik heb hier uit wraakneming gehandeld, daar hij van mijn commando was ontsnapt.’

14.

De duik in het koude bad der geschiedenis, die Fokko na zijn pensioen durfde te nemen, was pijnlijk. Maar het kon niet anders, hij moest wel, hij wilde weten waar hij vandaan kwam.

En dus ging hij op 19 april 2013 met Mariët naar de jaarlijkse herdenking bij Kamp Amersfoort. Ze waren uitgenodigd, nadat Fokko bij toeval in contact was gekomen met medewerkers van het herinneringscentrum. Hij had ze zijn verhaal verteld.

Een jiddisch koor zong. Job Cohen sprak. En een oud-gevangene vertelde over zijn ervaringen in het kamp. Hij had af en toe op de administratie mogen helpen, waar Fokko’s moeder ook werkte.‘Dat was indrukwekkend’, zegt Fokko me later. ‘Die man heeft daar stiekem de namen doorgekrast van gevangenen die op transport moesten.’

Fokko vertelt ook dat hij ongemak voelde. Zaten ze daar - tussen de oud-gevangenen, hun kinderen en hun kleinkinderen. Te hopen dat niemand hen zou aanspreken, dat niemand zou vragen waarom zij daar gekomen waren. Wat had hij moeten zeggen? Dat hij de zoon was van de bewaarder die hun vader een kogel door het hoofd had gejaagd?

Niemand stelde die dag zo’n vraag. En toch lieten Fokko en Mariët later weten dat ze geen uitnodiging meer wilden ontvangen voor de jaarlijkse herdenking. Die bijeenkomst was niet voor hen bedoeld.

Later bezocht Fokko samen met Mariët de Duitse Militaire Begraafplaats in Ysselsteyn, Limburg. Tussen ruim 30 duizend grijze kruisen vonden ze het graf van de man naar wie hij vernoemd was, een andere SS’er die zijn moeder had liefgehad en die gesneuveld was bij een bombardement: Fokko Kruize.

Pogingen om te achterhalen waar zijn vader begraven was, inclusief mailtjes naar de gemeente Uslar, mislukten. Uiteindelijk gaf hij dat op.

15.

‘Dat was het’, zegt Fokko vanuit zijn chesterfield bank.

Het scherm springt op zwart, de uitzending van Brandpunt is voorbij, Van der Neut heeft gesproken. In de woonkamer in Woudenberg praten we na.

Mariët merkt op dat Van der Neut een smalle ring droeg, iets wat mij ook opvalt als ik de beelden later terugkijk. ‘Een soort trouwring’, zegt ze.

Verder vindt ze het jammer dat Van der Neut wel zei dat hij Nederland miste, maar met geen woord repte over de kinderen die hij daar had achtergelaten. ‘Dat had ik gehoopt.’

‘Hij draait er in het interview in ieder geval niet omheen’, zegt Fokko. ‘Hij bekent schuld. Zijn straf vindt hij terecht.’

Zelf verbaas ik me er vooral over hoe gewóón Van der Neut is. Hij had aardrijkskunde kunnen doceren op het gymnasium. Biertjes kunnen tappen in de kantine van SEC. Stukken kunnen tikken voor een landelijk dagblad. Het is lastig voor te stellen dat deze man ooit gevangenen afranselde en doodschoot.

‘Je weet niet wat je zelf in zo’n situatie zou doen’, zegt Fokko. ‘Het was oorlog. Hij had sores aan zijn kop, met die vrouw van wie hij ging scheiden en die kinderen. En dan vocht hij ook nog aan het Oostfront, waar twee van zijn broers sneuvelden, van wie hij er één met de darmen uit het lichaam terugvond. Dan denk ik: godverdorie, hij had ook wel wat meegemaakt.’

‘Zie je dat als verzachtende omstandigheden?’ vraag ik.

‘Nee’, zegt hij. ‘Dat niet.’

16.

Uit een verklaring die Willem van der Neut in 1947 aflegde, en die Fokko na zijn pensioen wist te bemachtigen:

‘Verder heb ik gedurende de tijd, dat ik in het PDA dienst deed acht à negen maal deelgenomen aan het fusilleren van Nederlandse gevangenen, die voor zover mij bekend door de Duitse Bezettingsautoriteiten ter dood veroordeeld waren, wegens illegale activiteit.’

17.

Welke grote vragen hij nog heeft, vraag ik Fokko tijdens een van mijn bezoeken aan Woudenberg.

‘Ik zou willen weten’, antwoordt hij, ‘wat voor leven hij gehad heeft. Of hij gezond is gebleven tot aan zijn dood. En waarom ze niet bij elkaar zijn gekomen, hij en mijn moeder. Dat is een groot mysterie.’

Ondertussen groeit mijn eigen fascinatie voor de slechtheid van goede mensen en de goedheid van slechte mensen. Hoe langer we erover praten, hoe meer brieven en documenten ik lees, hoe benieuwder ook ik word naar de Duitse jaren van Van der Neut. Beterde hij zijn leven? Of was hij ook daar een bruut? Uiteindelijk komt Mariët met de oplossing.

‘Het is 360 kilometer naar Uslar’, zegt ze van achter de computer in de woonkamer. ‘Dat is best een keer te doen.’

‘O ja’, mompelt Fokko.

‘Waarom gaan jullie er niet samen naartoe, met de auto?’ zegt Mariët. ‘Jij rijdt graag, Fokko.’

‘Dat is best een goed idee’, zeg ik.

Dit is de eerste aflevering van ‘Liefdesbrieven van een kampbeul’. De overige vijf afleveringen verschijnen in de Volkskrant. Nu al verder lezen of het hele verhaal beluisteren? Dat kan hier, mits je abonnee bent. Het verhaal is ingesproken door Gijs Scholten van Aschat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden