Liefde aan de voet van een dreigende vulkaan

Frank Martinus Arion verrijkte de Nederlandse literatuur in 1973 met de roman Dubbelspel...

Dit verhaal, over vier mannen die in de voor ons toch enigszins exotische ambiance van het zondagsstille Curaçaose dorp Wakota een partijtje domino spelen dat uitmondt in een strijd op leven en dood, werd door de kritiek de hemel ingeschreven en het jaar daarop met de Van der Hoogtprijs bekroond.

Sindsdien werd Dubbelspel regelmatig herdrukt, altijd een teken dat de belangstelling voor een boek maar niet uitgeput raakt.

Vanzelfsprekend werd Arion, zo leek het althans, door dit succes gestimuleerd om voort te gaan met zijn literaire exploratie van de 'laatste resten tropisch Nederland'.

In 1975 verscheen Afscheid van de koningin, in 1979 Nobele wilden en toen werd het stil rond Arion, die inmiddels als (Leidse) neerlandicus naar Curaçao was teruggegaan om daar, ten slotte als directeur van het Instituto Lingwistiko Antiano, de taalvaardigheid van de lokale bevolking te vergroten.

Eerlijk gezegd zag het er niet naar uit dat hij ooit nog een roman zou publiceren.

Dat blijkt iets te voortvarend gedacht.

Vorige week verscheen, toch een beetje als een verrassing, een nieuwe roman van hem, De laatste vrijheid, waarin verteld wordt over de liefde van een wereldberoemde CIN-verslaggeefster, Joan Mikolai, voor de oudere, zwarte man Daryll Guenepou, die verlaten door zijn vrouw, maar in het gezelschap van zijn beide kinderen, op het Caribische eilandje Amber na jaren van politieke strijd voor de invoering van het 'Creool' in het onderwijs op de Antillen en elders, rust gevonden heeft.

Die rust wordt verstoord door een dreigende uitbarsting van een vulkaan op Amber. In hoeverre er van direct levensgevaar voor de plaatselijke bevolking sprake is, valt aanvankelijk moeilijk vast te stellen omdat de informatie daarover wordt 'gemanipuleerd'.

Een 'deskundige', de geoloog Arnold Brouce, weet de regering er in elk geval van te overtuigen dat het bij de vulkaan gelegen stadje Constance geëvacueerd moet worden. Mikolai arriveert om verslag te doen van de op handen zijnde ramp.

Tegen deze achtergrond ontvouwt Arion zijn ideeën, zijn ideeën over de liefde, over het 'vrouwelijke' in de man - Guenepou is in de ogen van zijn vrouw altijd een 'moeder' voor hun kinderen geweest -, over het 'mannelijke' in de vrouw en vooral over het belang van een eigen taal en cultuur in het Caribische gebied, dat wil zeggen een taal en een cultuur die zich niet door westerse invloeden laten ontwrichten.

Dat is op zichzelf allemaal heel nobel, en ook niet oninteressant of onsympathiek. Het bezwaar is alleen dat Arion die ideeën zo nadrukkelijk in zijn verhaal heeft gestopt dat ze er aan alle kanten uitpuilen en de vertelling als geheel haar spanning ontnemen. 'Vorm' en 'inhoud' gaan in deze roman geleidelijk zozeer kieren dat Arions verhaal steeds minder geloofwaardig wordt. Vooral de centrale figuur Daryll Guenepou, bij de creatie waarvan Arion, zo lijkt het, veel bij zichzelf te rade is gegaan, komt op de lezer aanzienlijk minder 'heroïsch' over dan misschien de bedoeling was. En dat een door de wol geverfde televisiester als Mikolai onmiddellijk voor hem 'valt', onderstreept niet alleen de ijdelheid, waarmee Arion de persoon van Guenepou onbedoeld heeft opgezadeld, maar ook de betrekkelijke naïviteit van dit geëngageerde boek (De Bezige Bij, ¿ 39,50).

Een andere roman uit het Caribische gebied - die onuitputtelijke bron van wereldliteratuur, zoals Arion terecht constateert - is veel simpeler en daardoor niet noodzakelijk beter dan De laatste vrijheid, maar wel overtuigender. Het is het verhaal dat Edwige Danticat, een debuterende schrijfster die in 1969 op Haïti werd geboren, vertelt over het leven van het meisje Sophie en haar moeder, die van haar zwanger raakte nadat ze als meisje was verkracht, vermoedelijk door een van de Tontons Macoutes, die voor de dictator Duvalier de bevolking de stuipen op het lijf joegen.

De moeder van Sophie is naar New York vertrokken en daar voegt het meisje zich bij haar, weggerukt uit het warme nest thuis met een tante en een grootmoeder, die haar verzorgen en koesteren. Voor Sophie is deze verhuizing naar een zo andere wereld niet alleen een schok, ze begint ook, naarmate ze ouder wordt, te beseffen hoezeer het leven van haar moeder is vernield als gevolg van de ervaringen in haar jeugd. Onder meer door stelselmatig Sophie's maagdelijkheid te 'controleren' brengt de moeder haar frustraties op haar dochter over.

Het is een schrijnend, en zo lijkt het, autobiografisch relaas, dit Adem, ogen, herinnering, dat niettemin geenszins sentimenteel aandoet, misschien wel omdat het getuigt van de wil van de schrijfster om bij alle berichtgeving over émigrés in de Verenigde Staten te laten zien dat het hier om individuen gaat, die om zeer geldige redenen hun land verlaten en niet collectief tot een 'politiek vraagstuk' kunnen worden gemaakt. Adem, ogen, herinnering (Wereldbibliotheek, ¿ 29,50) verscheen tegelijkertijd als een Abacus original paperback onder de titel Breath, Eyes, Memories.

Ook V. S. Naipaul komt uit het Caribische gebied, van Trinidad. Hij reisde aan het eind van zijn schooltijd naar Engeland om daar schrijver te worden. En dat wèrd hij, ondanks alle moeilijkheden die hij in dit opzicht het hoofd te bieden had. Frank Martinus Arion is in De laatste vrijheid niet erg positief over hem, voornamelijk omdat Naipaul niet alleen zijn thuisland verruilde voor het decadente Albion, maar zich ook innerlijk zozeer aanpaste, dat hij de 'achtergeblevenen' vaak zware verwijten maakt. Naipaul is, anders gezegd, een kritische geest, die gelooft in de verworvenheden van de westerse beschaving en geen enkele neiging heeft de ontwikkelingslanden te ontzien (of hun problemen uitsluitend in de schoenen van de voormalige kolonisatoren te schuiven).

In Een domein van duisternis en in India, een gewonde beschaving gaat hij terug naar het land waar zijn voorouders vandaan kwamen (voordat ze ruim honderd jaar geleen naar Trinidad emigreerden). En in beide boeken geeft hij een onopgesmukt, om niet te zeggen meedogenloos beeld van het India, dat hij op zijn twee grote reizen aantrof. Zowel Een domein van duisternis (¿ 39,90) als India, een gewonde beschaving (¿ 29,90) werd door Atlas opnieuw uitgebracht in het kader van een actie - samen met Contact - die bedoeld is om de zogenoemde 'reisliteratuur' onder de aandacht te brengen. Tussen de boeken van Cees Nooteboom, Arita Baaijens, Boudewijn Büch, Paul Theroux, Henry Kisor, Redmond O'Hanlon, Colm Tóibín en vele, vele anderen zijn de geëngageerde reportages van Naipaul zonder meer een hoogtepunt.

Nog steeds is het niet goed mogelijk de hausse die de Boekenweek heeft teweeggebracht enigszins verantwoord in te dammen en daarom pik ik er maar te hooi en te gras wat uit. De bundel van Plato bijvoorbeeld, waarin de boeken bijeen zijn gebracht, die Sokrates zijn faam, of zoals vertaler Gerard Koolschijn schrijft, 'zijn aureool' hebben gegeven.

Zelf heeft Sokrates, die vijf jaar na het einde van de Peloponnesische oorlog (431-404) werd terechtgesteld - onder andere omdat hij de jeugd 'bedierf' - nooit een woord geschreven, maar Plato heeft hèm, zijn leven, zijn proces en zijn bittere dood in de boeken Feest (Symposium), Euthyfron, Sokrates' verdediging, Kriton en Faidon zodanig tot leven gewekt, dat hij ook nu nog luid en duidelijk tot ons kan spreken (Athenaeum, Polak & Van Gennep, ¿ 59,-).

Beslist de moeite waard is ook de Spaanse 'klassieke' roman Het landgoed Ulloa van Emilia Pardo Bazán, een naam die hooguit degenen die Spaans gestudeerd hebben iets zal zeggen. Bazán, die leefde van 1851 tot 1921, was de eerste vrouwelijke hoogleraar in Spanje. Haar leven lang heeft ze er alles aangedaan om een lotsverbetering van haar seksegenoten te bewerkstelligen, die er - blijkens deze roman - niet best aan toe waren in het negentiende-eeuwse Spanje. Maar een 'tendens-roman' is Het landgoed Ulloa niet, al was het maar doordat Bazán de hoofdrol heeft toebedeeld aan een jonge priester, die op een vervallen landgoed in Galicië voor een weliswaar christelijk, maar ook menswaardig bestaan van de bewoners ijvert. Brute macht en (vrouwelijke) verleidingskunst brengen de kuise jongeling voortdurend uit zijn evenwicht (Bert Bakker, ¿ 34,90).

De schaal van de kaart, een debuut van de jonge Spaanse schrijfster Belén Gopegui, vermocht mij minder te bekoren. Het verhaal over een kleine geograaf in Madrid, die in verwarring raakt als een vrouwelijke collega zijn liefde beantwoordt, is zo'n chaos dat ik er maar geen vat op kreeg en het ondanks de lovende kritiek van El País - toch een heel betrouwbare krant - terzijde heb gelegd (De Bezige Bij, ¿ 36,50). Zo had ik tijd me te verdiepen in De zaak Sara Beugeltas van Koos van Weringh, een navrant verhaal over een joods meisje dat op 27 augustus 1934 werd vermist. Een dag later werd ze in een bananenloods aan het Amsterdamse Waterlooplein gevonden, vermoord. Het was een gebeurtenis, die bij het opkomende fascisme in de jaren dertig de oude joodse buurt danig in opschudding bracht (met kloppartijen tussen de bereden politie en de bewoners). Van Weringh is er met veel moeite in geslaagd de hele affaire, tot en met de arrestatie en veroordeling van de joodse dader, te reconstrueren (AP, ¿ 34,90).

Ik hield, door nog wat andere boeken over te slaan of weg te leggen, Onderstroom van Fleur Bourgogne bijvoorbeeld (Atlas, ¿ 25,-), zelfs tijd over om de herdruk te herlezen van het boek dat Jean Améry in 1976 schreef over 'de zelfgekozen dood': De hand aan zichzelf slaan (Atlas, ¿ 29,90), een bijzonder boek van een bijzonder man, zoals Jeroen Brouwers in zijn essay over Améry, Oefeningen in nergens bij horen (Atlas, ¿ 24,90) nader uitlegt.

Spiegelduister is een door Hans Boland vertaalde (tweetalige) bundel van de Russische dichter Jevgeni Rijn (die Nederlandse voorouders gehad blijkt te hebben, vandaar die zo Nederlandse achternaam) en die door niemand minder dan Joseph Brodsky wordt ingeleid (Uitgeverij Papieren Tijger, ¿ 29,90). Een verrassende, eveneens tweetalige bundel is ook Vreemde kusten/ Frjemde kusten van de Friese dichter Tsêbbe Hettinga, die voor het Nederlands door Benno Barnard werd bijgestaan. Op een bijgevoegde cd, De foardrachten, valt de stem de dichter te beluisteren (Atlas, ¿ 49,90).

Franz Josef Czernin schreef een kritische beschouwing over de belangrijkste naoorlogse literatuurcriticus in Duitsland, Marcel Reich-Ranicki: Marcel Reich-Ranicki. Eine Kritik (Steidl, ¿ 29,80) en bij Les Éditions de Minuit verscheen het eerste toneelstuk dat Samuel Beckett aan het eind van de jaren veertig in het Frans schreef, Eleutheria. Bij zijn leven heeft hij het nooit gepubliceerd willen hebben (¿ 36,55). En Hans Achterhuis, hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de Universiteit Twente, wijst in Natuur tussen myhthe en techniek onze milieufreaks erop dat ze zullen moeten wennen aan het idee dat we niet langer in een biotoop, maar in een technotoop leven (Ambo, ¿34,90).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden