Licht in de duisternis

Het licht op straat is saai, fantasieloos, kleurloos. Automobilisten zijn beter af dan voetgangers, die 's avonds hun weg moeten zien te vinden in de slecht verlichte straten....

WIE VANUIT België Nederland binnenrijdt, komt terecht in een donkere tunnel. België, daar doet iedere automobilist lyrisch over, is lichter dan Nederland.

De oorzaak daarvoor dateert uit 1958, het jaar dat de Wereldtentoonstelling in Brussel werd gehouden. Aanvankelijk besloot de organisatie de aanvoerwegen rondom Brussel alleen met hoge druk natriumlampen te verlichten, maar het plan werd uitgebreid. De rijkswegen baden van Brussel tot aan de grens in een oranje schijnsel, als een ster rond het Atomium. Mooi voor de chauffeurs, slecht voor de astronomen. Een behoorlijke Melkweg is voorbij Hazeldonk nauwelijks waarneembaar.

Denkt er wel eens iemand na over straatverlichting? Ja, maar dan voornamelijk over de technische kant, zegt Christa van Santen, de enige onafhankelijke adviseur in Nederland voor de openbare verlichting. Ze beoordeelt de kwaliteit van het licht op straat als saai, fantasieloos, kleurloos. Sinds de verantwoordelijkheid daarvoor is doorgeschoven naar de provinciale energiebedrijven wordt het er niet beter op. 'Vroeger was er wel eens gek bij een gemeentelijk bedrijf die een brug durfde aan te lichten. Nu zijn zij vooral geïnteresseerd over de hoeveelheid lux die op straat valt.' En daarmee worden de automobilisten beter bediend dan de voetgangers.

Dat het verkeer niet verblind mag worden of door rare schaduwen mag worden afgeleid, dat valt te begrijpen, maar waarom moeten voetgangers in het halfduister voortstrompelen? Ze wijst naar het voorbeeld bij haar op de gracht, in Amsterdam. De straatlantarens staan in een strenge ritmische orde aan de waterkant, tussen de bomen. Ze beschijnen niet eens de fietsenrekken, en al helemaal niet het trottoir. 'Vroeger werd je als voetganger nog wel geholpen door een bovenlicht boven een deur of een huislantaren. Maar particulieren zijn daartoe niet verplicht.'

Maar er is beweging in het onderwerp openbare verlichting. Begin deze maand organiseerde Philips een congres over het licht in de stad in het Amsterdamse wetenschapscentrum New Metropolis. Philips, logisch. Die levert het gros van de armaturen en lampen. Het was een ideeënuitwisseling, zegt Menno Dieperink, senior design consultant bij Philips. Als voorbeelden van onderzoek dienden steden met een verhoogde criminaliteit of met een hernieuwde aantrekkingskracht, bijvoorbeeld vanwege de Olympische Spelen. Want licht is, hoe je het ook bekijkt, de sleutel tot sociaal welbevinden. Hoe meer schijnwerpers, hoe kleiner de kans op verval. En zo kwamen er 24 scenario's op tafel, gebaseerd op 6 trends, hoe je een stad anders zou kunnen benaderen.

Dieperink: 'Wij wilden geïnspireerd worden, het zijn de inzichten in sociaal-culturele trends die ons op weg moesten helpen.' Grote namen deden mee. Alessandro Mendini, de man van het Groninger Museum bijvoorbeeld. Of de Weense architect Hans Hollein. Zij verrichten de aftrap. De stad en het stedelijk leven vragen om een andere invulling van de openbare ruimte.

In het boek City/People/Light, de weerslag van een onderzoek onder de topvijftien van de architecten, blijkt daar al iets van. Gevels die je met lichtprojecties telkens op een andere manier aanlicht, alsof er elke dag een andere filmvoorstelling wordt gehouden, dat is zo'n utopische gedachte. Of wat te denken van voetgangers die bij elke stap die ze zetten, sensoren in werking stellen waardoor hun voetstappen oplichten?

De stad is huiskamer en vliegveld tegelijk, is een conclusie die de ontwerpers trokken. Dat betekent dat je niet alleen schemerlampen moet neerzetten, maar ook spotjes op de wanden kunt richten. Licht is een middel om de dynamiek van het stedelijk leven te vergroten; de ene dag stralend, de andere dag intiem, nu eens traag, dan weer snel. Nu de techniek zo is verbeterd, kun je met licht manipuleren; dat betekent dat het volume of het uiterlijk van een gebouw er minder toe doen. Of, zoals een van de inleiders het zei: 'Licht wordt de structuur, je ziet niet langer het gebouw, je ziet het licht.' Op een slechte manier zie je dat al in brainparks langs de snelweg waar schril 'beveiligingslicht' de niet denderende kantoorarchitectuur onderdompelt.

Er is nog een andere betekenis die de openbare verlichting heeft gekregen. Het is, werd er op het Philips-congres gezegd, een instrument om een stad identiteit te geven. Aangezien steden steeds meer merken worden, die met elkaar concurreren om toeristen en bedrijven te trekken, is een opvallende illuminatie (het aanschijnen van gebouwen) een vorm van reclame.

H OEWEL Van Santen kanttekeningen plaatst bij de bemoeienis van Philips, 'die doet niks uit idealisme, is niet up to date, het zijn de Japanners van Nederland' - deelt ze de mening van de congresdeelnemers dat licht een marketinginstrument is geworden. En dat niet alleen. Er is ook meer behoefte aan goed en gevarieerd licht. Want de stad is in vijftien jaar tijd bijna dag en nacht het toneel geworden van amusement, festivals, uitgaande jongeren en, niet in de laatste plaats, een druk verkeerscircuit. Doofde pakweg vijftien jaar geleden na elf uur de binnenstad, tegenwoordig is er, onder meer door de verruimde openingstijden, meer en langer levendigheid op straat. Licht speelt dan ook een rol bij de sociale veiligheid. Goede verlichting helpt mee bij een prettige atmosfeer op een plein of op een straat.

In Amsterdam zijn twee pleinen recentelijk herschapen in huiskamers, door een mooi indirect, wit licht: het Spui en de Westermarkt. De ontwerper is Simon Sprietsma. Verlichting, zegt hij, ziet hij niet als iets louter functioneels. 'Je kunt het ook gebruiken om een onderdeel te accentueren. Op de Westermarkt heb ik spots op de bomen gezet. Jammer alleen dat ze vervolgens gekapt moesten worden, omdat ze ziek bleken.'

Hij heeft een hekel aan het oranje schijnsel dat uit de klassieke lantarens op de gracht komt. 'Te rossig.' Dat mag dan voor de rijbaan te verkiezen zijn, voor de atmosfeer is een warm wit licht beter. Op de gracht ontkom je misschien niet aan een historiserend beeld maar voor de Dam, die met de omliggende straten en dijken de komende jaren onder handen wordt genomen, zou hij graag voor een modern aanzicht kiezen. 'De Dam is altijd met zijn tijd meegegaan, eindigt nu met Cees Dam. Spoel je het bandje terug dan zie je uit elke periode wel een gebouw. Er is dus niet een stijlperiode waaraan je kunt refereren.'

Een goed en een slecht voorbeeld. Van Santen denkt na. Om met het laatste te beginnen. Ze zou, zegt ze even later, graag het Lange Voorhout in Den Haag anders inrichten. Voor de auto's die naar de flanken van 's lands mooiste boulevard zijn verbannen is goed gezorgd: egaal lage druk natrium. Maar in het midden moeten de voetgangers zich in het schemerdonker wagen, over een schelpenpad. 'Je kunt nog beter duisternis hebben dan een slechte verlichting.'

Over de lantarens op het Rokin en Damrak is ze, anders dan anderen, wel te spreken. 'Ik ga even voorbij aan het ontwerp. Het schijnsel op trottoir en rijbaan is goed. Ik houd ook meer van lampen die uit een paal ontspringen dan van een toparmatuur. En het slechtste van allemaal zijn wel bollampen. Die verlichten alleen zichzelf.'

N IET alleen de entree van Nederland vanuit België is berucht, op kleinere schaal weet Nederland geen raad met de pleinen. Je ziet soms alleen een zwart gat, was de kritiek die buitenlandse ontwerpers op een willekeurig marktplein gaven. Ogen passen zich moeilijker aan bij de overgang van licht naar donker dan omgekeerd, en dat is de reden waarom iedereen aarzelt bij een donkere steeg of een onverlicht trappenhuis. Van Santen: 'Het is niet erg dat er differentiatie in verlichting is en dat sommige straten donkerder zijn dan andere, als je maar naar lichtpunten kunt toelopen.' Er wordt, zegt ze, nauwelijks gebruikgemaakt van de mogelijkheid om met licht de ruimte af te bakenen.

Ze werd in haar carrière eens te hulp gevraagd door de gemeente Almere. Vooral vrouwen en meisjes durfden niet het fietspad tussen de diverse stadswijken te gebruiken. Er waren nare dingen gebeurd op het slecht verlichte pad. 'Ik ben het traject toen zelf gaan fietsen en wat bleek? Het lag niet zozeer aan de straatlantarens, maar aan de omgeving. Struiken, bomen en een rare zwarte plak die een plas bleek te zijn. Als je die omgeving zou aanlichten, zou je al een deel van het probleem kwijt zijn.'

Maar het kan allemaal nog heel anders. Laserstralen als bewegwijzering. Wuivende bossen van glasfiber, ook zo'n idee dat uit de Philips-workshops voortkwam. Of een meer dan levensgrote projectie van het portret van een bewoner op een lcd-scherm, om de herkenbaarheid van de buurt te vergroten. Iets nuttiger wellicht: verlichte vlakken in het plafond van een parkeergarage die de lege plaatsen markeren. Het wekt geen verwondering dat Las Vegas voor veel ideeën model heeft gestaan. Alsof het doorlopend Kerstmis is.

Ook Van Santen onderkent de dynamiek van de stad die je met licht accentueert, maar ze voegt een niet onbelangrijke functie aan de straatverlichting toe: de oriëntatie. Overdag mag een stad nog zo duidelijk in elkaar zitten, 's avonds kun je je richtinggevoel verliezen. 'Als je op een plein staat, mis je vaak de relatie met de omringende gebieden. Waar ben je, waar kun je naar toe?'

De illuminatie draagt maar een fractie bij aan de oplossing. Laatst was er weer een directeur van een bank in Noord-Brabant die zijn pand graag in floodlight wilde zetten. 'Dan denk ik, kun je nou niks anders bedenken? Ik leidde vorige week een groep Italianen rond door de stad. Die zagen al die lampjes op de bruggen. Dachten dat er een kinderfeestje gevierd werd.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden