Libero

Zijn nieuwe bundel is net verschenen. Columnist Marcel van Roosmalen ( 46 )

Marcel van Roosmalen is gestopt met roken. Hij is er helemaal depressief van, zegt hij terwijl we op de A1 richting het oosten rijden. 'Het schrijven gaat stroef. Ik kan alleen maar aan sigaretten denken.' Hij schreef er laatst over in zijn column in nrc.next. Een zwaktebod, vindt hij. 'Stukjes over mijn privéleven zijn altijd een noodgreep.'


Het liefst gaat Van Roosmalen (46) op pad voor een column. De reportage is zijn genre. Hij staat bekend om zijn verhalen die de lulligheid van het bestaan belichten, stukjes over het menselijk tekort, geschreven in zijn typerende droogkomische stijl, waarin hijzelf als observator centraal staat.


Zijn werk gaat vaak meer om de randzaken dan het daadwerkelijke onderwerp. Uit een column over een persreis van Danone naar Italië, waar de vrouwenschaatsploeg zich voorbereid op een nieuw seizoen:


'Ik wist niets van schaatsen en drinkyoghurt en dat straalde ik ook uit.


De rest ging meteen na het inchecken met een busje naar de training van de dames kijken. Ze gingen met gewichten om de heupen een heuvel beklimmen, aangekomen op de top dronken ze een drinkyoghurt.


Ik ging deze column schrijven.


Nu gaat de hele tijd mijn telefoon.


Dat is weer een vrouw van Danone, ze zitten met z'n allen een pizza te eten aan de boulevard. Niemand zit op mij te wachten, maar ze missen me toch.'


Zijn ironische distantie, desinteresse en onhandigheid leveren keer op keer ongemakkelijke confrontaties op met persvoorlichters, politici, marketingmensen en duurzaamheidstypes. IJdelheid, geforceerde blijheid, massahysterie en platheid zijn de zaken waar hij graag tegen ten strijde trekt. Mensen als Gordon, Heleen van Royen, Frans Bauer, Giel Beelen en Erica Terpstra moeten het ontgelden in zijn stukjes.


In de week dat hij stopte met roken, zette hij de laatste punt van zijn boek Schijt. Het laatste jaar van Theo Janssen (en Ester Bal). Het is zijn vijfde boek over Vitesse, de club die hij al zijn hele leven volgt. Eind juli ligt het in de winkel. 'Ik kwam de deur bijna niet uit in die laatste week. En dan val je terug op columns over wat je ziet op tv. Of over privédingen.'


Vandaag gaat hij wel op pad. Naar Varsseveld, een dorpje in de Achterhoek, toevallig de geboortegrond van Guus Hiddink. Of ik een dag mag meelopen, vraag ik hem een week eerder via de mail. Het antwoord is vintage-Van Roosmalen: 'Een dag is wat lang, maar prima.' Daarna vraagt hij of ik een auto en een rijbewijs heb. Zelf heeft hij geen van beide.


Aan de telefoon bespreken we de opties. 'Maandagavond ga ik naar het afscheid van Ester Bal, de persvoorlichter van Vitesse. Daar word ik dronken, dus kan ik je niet meenemen.' De rest van de week is onduidelijk. 'Er zit weinig structuur in wat ik doe. Meestal sta ik gewoon ergens, schijnbaar met zichtbare tegenzin en dan gebeurt er wat.'


Vrijdag gaat hij naar een voetbaltoernooi in Varsseveld, waar hij 'iets' moet doen met Alexander Büttner, voetballer van Manchester United (en voorheen Vitesse), en Theo Lucius, oud-PSV'er en nu uitbater van Café In d'n Ollie in Heeswijk. De organisatie vroeg hem eerst voor niets op te draven, maar dat weigerde hij. Toen werd hem 250 euro aangeboden. 'Dat krijgen de anderen ook.'


Hij is nog nooit in Varsseveld geweest, zegt hij, maar het lijkt hem een leuk dorp. Hij gaat twee columns schrijven, mailt hij een paar dagen later. 'Eén over dat sportcafé, de andere over hoe het is om gevolgd te worden door Haro Kraak.' Uitstekend, antwoord ik, dat kan ik mooi gebruiken voor mijn stuk. Mail terug: 'Nou prima.'


Bij Broodje Popov in de Amsterdamse Pijp haal ik hem die vrijdag op. Hij is te laat. Bellend komt hij tien minuten later aangelopen. Hij draagt een slobberige spijkerbroek en een paars T-shirt onder een zwart fluwelen jasje. In zijn hand houdt hij een oude Albert Heijn-tas met daarin een boekje om uit voor te dragen. Of hij dat moet doen, weet hij niet meer zeker.


Over die tweede column twijfelt hij nog, zegt hij even later in de auto. 'Ik kondigde het aan zodat ik de vrijheid heb om het te doen. Dan staat er tenminste wat op het spel. Anders zijn de verhoudingen scheef en ben ik de enige die op zijn woorden moet letten.'


Als we langs Velp rijden, het dorp waar Van Roosmalen is opgegroeid en zijn moeder nog altijd woont, zegt hij: 'Hier achter de bomen gebeurde 't. Het grote niets.' Hij vond en vindt Velp verschrikkelijk. 'Als er één dorp burgerlijk is, is het Velp. Mijn stukjes gaan daar smiespelend van hand tot hand. Dat vind ik typerend voor het dorp. Zo'n sfeertje van mensen die elkaar in de gaten houden. Er wonen verhoudingsgewijs de meeste bejaarden van Nederland. En veel ambtenaren natuurlijk.'


Zijn vader was één van die ambtenaren. Hij overleed vorig jaar aan slokdarmkanker. Veertig jaar werkte hij op het provinciehuis in Gelderland, waar hij verantwoordelijk was voor de dijken. Op de begrafenis sprak Van Roosmalen een paar van zijn oud-collega's. Toen kwam hij op het idee een roman over het ambtenarenbestaan te schrijven. 'Op de afdeling van mijn vader hadden twee mensen ruzie met elkaar. De chef stelde voor een gordijn tussen die twee op te hangen. Zo werden de dingen opgelost. Nou, dat vind ik cult.'


De voorbereidingen voor het boek verlopen dramatisch, zegt hij. 'Ik wil graag twee weken werken op de afdeling van mijn vader. Dat kan alleen als je een heel zielig verhaal ophangt. Ik heb ze nu verteld dat ik de dood van mijn vader nog niet heb verwerkt. Het enige wat ik wil, is die ambtenarensfeer proeven. Ik heb wel de werkelijkheid nodig als ik een roman schrijf.'


Hij deed het een keer eerder, een roman schrijven. Ook over de werkelijkheid: zijn lethargische studententijd in Nijmegen. 'Het is een totaal geflopte roman die ik altijd probeer te verduisteren.' Zijn ouders, die toch al niet snapten waarom hun zoon schrijver wilde worden, schaamden zich vanwege het beeld dat hij van hen schetste. 'Ze hebben de totale oplage weggekocht uit de boekhandel in Velp. Die boeken heb ik onder hun bed gevonden.'


Op de vraag in welke zin hij wel op zijn ouders lijkt, volgt een diepe zucht. 'Ik heb geen getroebleerde jeugd gehad hoor. Maar ik zag in hen vooral wat ik niet wilde worden. Zij hebben hun hele leven in de pas gelopen.' Even later: 'Shit, gaan we het opeens over mijn ouders hebben. Daar had ik niet op gerekend.'


Inmiddels woont hij in Amsterdam. Binnenkort gaat hij samenwonen met zijn vriendin Eva Hoeke, die een wekelijkse column heeft in Het Parool. Wie hun beider columns aandachtig leest, herkent soms dezelfde anekdotes. 'Ik was afgezet toen ik een ring voor haar had gekocht. Voor het blad Jan had ik daarover een column geschreven. Eva schreef er later ook over en toen waren die mensen van Jan woest. Ach, het zal wel.'


Als Van Roosmalen op pad gaat, bereidt hij zich zo min mogelijk voor. 'Als ik iets moet regelen, doe ik het op het laatste moment. Dan breekt de dag aan. In drie kwart van de gevallen heb ik geen zin. Dat is gewoon zo. Als ik het niet leuk vind, zeg ik dat meteen. Dat werkt onwijs goed. Dan gaan ze zeggen dat het wél leuk is. Dat vind ik al een geweldige reactie, dat schrijf ik meteen op.'


Zijn methode ademt gemakzucht. Van pragmatisme is hij niet vies. Hoor en wederhoor zegt hem niet veel. Als je wat tegen hem zegt, moet je er rekening mee houden dat het zomaar in zijn stukjes terecht kan komen. Toch geeft hij nog een milde versie van de werkelijkheid, zegt hij. 'Ik wil niet hele huwelijken uit elkaar trekken. Daar ligt voor mij de grens.'


Conflicten zijn hem niet vreemd. Nadat hij Gordons band LA, The Voices in een column 'erkende kutmuziek' noemde, stuurde de zanger een woedende brief naar nrc.next waarin hij Van Roosmalen vergeleek met een afkickende junk. Het deed hem niets, zegt hij nu. Al vindt hij het slap van zichzelf dat hij er daarna nog een paar columns aan wijdde.


Ook Aad van Toor, de acrobaat van Bassie en Adriaan, was ziedend na een interview van Van Roosmalen in de VARAgids. Op zijn website verbeterde Van Toor het stuk, waarvan volgens hem maar 10 procent klopte, zin voor zin:


'(Van Roosmalen) We reden de heuvels in.


(Aad) Ik nam de eerste weg rechts en reed onze straat in.'


'Achteraf had ik dat stuk beter niet kunnen schrijven', zegt Van Roosmalen. 'Maar dat die man zo boos is dat hij dat hele interview verbetert, vind ik wel weer geestig.'


Hij geeft toe dat hij zaken soms overdrijft. 'Je hebt zo'n citaat van Frederik van Eeden. 'Niets is geheel waar, en zelfs dat niet.' Dat is ook van toepassing op mijn werk. Natuurlijk is het niet helemaal waar. Je selecteert en je vergroot uit, enzovoort. Maar het is ook niet onwaar. Ik verzin geen quotes, maar ik trek ze wel met enige liefde uit hun verband.'


Op het terras van café De Molen in het centrum van Varsseveld wijst hij naar de tafel naast ons: vier mannen, ieder een pak sigaretten naast zich. 'Zij hebben zich erbij neergelegd dat ze hier op vrijdagavond zitten. Ik ben er jaloers op. Dat je om twaalf uur thuiskomt en tegen je vrouw zegt: 'Nou lekker gekaart in het café, morgen naar het voetbaltoernooi.' Dat zal ik nooit kunnen. Niettemin hebben ze een leuker leven dan ik.'


Zijn eigen leven draait vooral om de stukjes die hij moet schrijven. De deadline is zijn grootste vijand. 'Soms moet je een verhaal maken waarvan je weet dat het niet lukt. Dat stel ik dan met plezier uit. Vervolgens moet je de telefoontjes trotseren. Ik neem niet op. Op een zeker moment moet het wel, dat zijn niet de leukste uren.'


Ook nu verwacht hij een belletje. Hij moet om 21.30 uur bij de voetbalclub zijn waar hij wordt geïnterviewd. Het is inmiddels 21.10 uur en we moeten ons eten nog krijgen. Een paar minuten laten wordt hij inderdaad gebeld: 'Ik kom eraan hoor!' Om 21.20 uur bestelt hij nog een biertje. Waar de voetbalclub is, weet hij niet. 'Ik heb de verantwoordelijk volledig in handen van de chauffeur gelegd.'


De omschrijving van de serveerster: 'Als je over het spoor gaat, zie je het liggen', blijkt te kloppen. We lopen langs een felgekleurd luchtkussen de partytent in en Van Roosmalen neemt plaats achter een witte tafel naast Büttner en Lucius. Ze hebben ieder een eigen microfoon voor zich. Het tafereel heeft wat weg van een persconferentie.


Eerste vraag: 'Marcel, wat was je geworden als je geen schrijver was?' Voetballer, antwoordt hij. Dezelfde vraag aan Büttner, wat was hij geworden als hij geen voetballer was? 'Moeilijk', zegt de 25-jarige speler van Manchester United. 'De doel was altijd voetballer worden.' Dan aan Lucius, ooit veroordeeld voor de handel in illegaal vuurwerk, wat was hij geworden? Met een strak gezicht: 'Vuurwerkhandelaar.' De hele tent ligt dubbel.


In zijn column over die avond schrijft hij later: 'Waarom er over Theo Lucius nog geen boek is geschreven, is een groot raadsel.'


Via vragen over Vitesse ('waar is het misgegaan?'), salarissen in het voetbal ('waar houdt het op?') en het WK ('hoe ver komt Nederland?'), komt de interviewer uit bij het onderwerp politiek. Hij legt Van Roosmalen een dilemma voor. 'Wie is een beter mens: Wilders of Fortuyn?' Hij kijkt verbaasd. 'Zo denk ik niet, sorry.'


Na afloop krijgt hij een bloemetje. Als we teruglopen naar de auto, zegt hij: 'Dit was toch weer volslagen idioot of ligt dat aan mij? Man, wat heb ik zin in een sigaret.'


Ik denk dat we het beiden jammer vonden dat hij er geen opstak.


Naschrift: voor de coverfoto vroeg de fotograaf of Van Roosmalen een sigaret wilde roken. Dat deed hij graag, maar hij verzekert dat er van een terugval geen sprake is.


is een luis in de pels en observator


bij uitstek. Wat is zijn geheim?


V ging met hem op pad.











Boeken


Marcel van Roosmalen (Arnhem, 1968) noemt zichzelf stukjesschrijver. Drie keer per week verschijnt zijn column in nrc.next. Onlangs werden die columns gebundeld in het boek Ik ben (s)normaal. Eind juli verschijnt zijn vijfde boek over Vitesse: Schijt. Het laatste jaar van Theo Janssen (en Ester Bal). Als schrijver verwierf hij bekendheid met zijn boeken Op pad met Pim, een bundeling van HP/De Tijd-reportages over Pim Fortuyn, en Je hebt het niet van mij,


Een tragikomisch verslag van een jaar Vitesse, waarvoor hij bekroond werd met de Nico Scheepmakerbeker voor het beste sportboek van het jaar 2006.


Marcel van Roosmalen, Ik ben (s)normaal. Uitgeverij Meulenhoff, 15,00 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden