Lezer, lees mij niet meer, ik ben niets dan een nutteloze toeschouwer

Mijn opticien is geen dik mannetje en heeft geen varkensogen. Dat wil zeggen, ik loop al jaren met enige regelmaat de brillenzaak binnen en ik heb daar nog nooit een dik mannetje met varkensogen gezien....

Vanmorgen sla ik lusteloos een boek open dat door het huis slingert. Het is de biografie die Wim Hazeu schreef over Simon Vestdijk en die ik met horten en stoten lees. Geen levensgeschiedenis waar je vrolijk van wordt, de depressie walmt je tegemoet. En dan komt daar halverwege het boek geheel toevallig dezelfde brillenwinkel ter sprake waar ik vanmiddag naartoe moet.

Hazeu schrijft over de opticien die de brillenwinkel in het jaar 1945 bestierde. Die had blijkbaar een operaloopbaan achter de rug. 'Hij was een onooglijk dik mannetje met varkensogen en met een fantastische stem. Vestdijk pimpelde en roddelde graag met hem, over operazangeressen en over dorpsbewoners.' Dat dikke mannetje, besluit ik, kan onmogelijk familie zijn van de huidige opticien, maar ik zal vanmiddag toch even opletten.

Ik ben in een lusteloze bui. Dat komt door een kleinzielige winterdepressie, gecombineerd met de realistische vaststelling dat ik niets ben dan een nutteloze toeschouwer. Lezer, lees mij niet meer, schrijft Louis Couperus in zijn bundel Brieven van den nutteloozen toeschouwer. En ik zeg het hem na. Lezer, lees mij niet meer.

De schrijvende mens heeft geen enkel nut. Waarom weet ik niet, maar hier en daar staat deze dagen in de kranten vermeld dat Renate Dorrestein in Aerdenhout woont, 'ver van het echte leven'. Alsof er ooit schrijvers zijn geweest die in de buurt woonden van het echte leven. Louis Couperus? Simon Vestdijk? Welnee. Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het echte leven zich voornamelijk afspeelt op plaatsen waar geen schrijver of commentator ooit doordringt. In verdrags- en handelsorganisaties. In bestuurskamers van grote ondernemingen.

De schrijvende mens die zich buiten de deur waagt, blijft onherroepelijk steken in de voorportalen van het publieke domein. Levert hooguit commentaar op politieke schermutselingen die van marginale invloed zijn op het grote gebeuren. Wordt op zijn best gelezen door aardige mensen met een goede inborst die zelf ook machteloos in de wereld staan. Schildert op zijn briljantst wat schrijnende situaties en wat akelige machtsgrepen. Veel haalt het allemaal niet uit.

In deze lusteloze stemming zit er niets anders op dan mijn werktafel leeg te ruimen, in de hoop dat het nieuwe jaar verandering brengt.

Ik moet op de valreep nog mijn eerdere uitspraak herroepen dat eekhoorns rondrennen met hun staart omhoog - dat doen ze niet. Ik heb een lezer beloofd die fout te herstellen. En een andere lezer laat weten dat Isaac Newton niet als eerste schreef over dwergen die op de schouders van reuzen staan. De eerste was Bernardus van Chartres.

Verder dwaalt over mijn werktafel alleen maar ellende, ellende, ellende. Je wordt er misselijk van, zegt ook Couperus in zijn krantenstukken - 'ik, ten minste, kan niet meer mee.' En dan stelt de schrijver wanhopig voor het verzet tegen al die ellende maar gewoon op te geven. 'Lezer', zegt Couperus, 'ik verklaar u den oorlog. In Godsnaam, laat ons mee doen. Laat ons niet verstandig blijven. Laten wij elkaar naar de keel vliegen.'

Laten we elkaars hebben en houwen in brand steken, elkaar voor barbaar uitmaken, laten we de mensheid ervan overtuigen dat God aan één kant staat. 'Het is toch te zot in dezen tijd, dat ik u rustig een feuilleton schrijf en gij het rustig-weg leest. Leest mij niet meer, en schrijve ik u niet mijn brief vol nuttelooze toeschouwing. Laten wij op elkaar los gaan. Laat iedere lezer op iederen feuilletonschrijver losgaan en omgekeerd. Laat ieder individu op ieder individu losgaan. Laten de beesten er zich bij voegen.'

Op dit punt aangekomen begint mijn winterdepressie een beetje te betijen, want ik voel dat ik overdrijf. Louis Couperus schreef zijn brieven van de nutteloze toeschouwer in 1914, toen in Europa alle jonge mannen sneuvelden en toen in Rheims de kathedraal werd verwoest. Een krantenschrijver had toen het volste recht op depressie, maar nu, een kleine eeuw later, staat Europa er vriendelijker voor, dus hou op met zeuren, zeg ik tegen mezelf, en maak jezelf nuttig.

Mijn werktafel moet leeg en daarom neem ik de laatste onopgeloste kwestie van het jaar 2005 ter hand. De kwestie der dieren. Biologen Tijs Goldschmidt en Frans de Waal zeiden in een televisie-interview streng dat je niet om dieren mag lachen - maar Rudy Kousbroek schreef in zijn boek Verborgen verwantschappen dat genegenheid en humor juist het fundament zijn waarop onze relatie met dieren is gebaseerd.

Lachen om dieren, schrijft Kousbroek, komt voort uit de absurditeit die ontstaat wanneer je dieren vermenselijkt. Dat vermenselijken is onontkoombaar en stelt mensen in staat zich met dieren te identificeren en zich om hun welzijn te bekommeren. Bij zijn tekst over identificatie heeft Kousbroek een foto uit 1930 uitgezocht van een lachende, jonge boerin met een pas gewassen varkentje in haar armen.

'Iemand die zielsgelukkig is met een varkentje', schrijft Kousbroek. 'Ze denkt: wat een lief beest! En hij is van mij.' En zo lost de laatste onopgeloste kwestie van 2005 zich op als ik kijkend naar dat varkentje mijns ondanks in de lach schiet. Vooruit, zeg ik, op naar de opticien. Eens kijken of daar nog een dik mannetje met varkensogen rondscharrelt. En of hij een borrel met me wil drinken. In godsnaam dan maar op de wereldvrede, of op welke nutteloze kwestie dan ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden