Lévi-Strauss droeg kleren van de keizer met zwier

André Köbben is emeritus hoogleraar antropologie aan de Leidse universiteit. Hij onderkent dat zijn vakgenoot Claude Lévi-Strauss zekere kwaliteiten had, maar die lagen overwegend buiten de wetenschap.

Het gebeurde in 1972. Ik word opgebeld door een collega. Hij zegt: 'Ik ben lid van de commissie die de winnaar van de Erasmusprijs moet aanwijzen. Wij denken aan de antropoloog Claude Lévi-Strauss. Wat vind jij als antropoloog daarvan?'


'Mijn keuze zou het niet zijn. Die man heeft zijn verdiensten, maar hij is geen goede antropoloog. Ik kan mijn mening toelichten, maar dat zal weinig baten. Dat hij het wordt, staat nu eenmaal in de sterren.'


Zijn werk is door een stoet geleerden uit de meest uiteenlopende vakgebieden besproken: filosofen, linguïsten, historici, noem maar op. Steeds vol lof. Bijvoorbeeld. Een filosoof schrijft: 'Hij is een meesterdenker... hij verbluft als meeslepend verteller en borend graver van de menselijke beschaving... Hij legt de strengste wetenschappelijke eisen aan... Zijn boek Tristes Tropiques is een adembenemend reisverslag, subliem geschreven, het behoort tot de allergrootste werken van de 20ste-eeuwse Franse literatuur.' Als ik desondanks volhard in mijn negatieve oordeel, wordt het tijd dat ik vertel waarop dat is gebaseerd.


1955: Ik lees Lévi-Strauss' toen befaamde dissertatie, handelend over vormen van verwantschap in tribale samenlevingen.


1957: Twee vooraanstaande Amerikaanse onderzoekers gaan in op stellingen van Lévi-Strauss in genoemd boek. Zij behandelen Lévi-Strauss en zijn werk kritisch maar uiterst fair. Daarom heb ik jarenlang iedereen die het horen wilde hun werkstuk ter bestudering aanbevolen.


Waar gaat hun kritiek over? Er zijn tribale samenlevingen waarin de aangewezen huwelijkspartner van een man zijn moeders broeder dochter is. Deze huwelijksregel, zegt Lévi-Strauss, leidt tot een grotere mate van samenhang in de gemeenschap en is in die zin een 'betere' samenleving. Hoe komt het dat in sommige stammen deze regel bestaat, in andere niet? Lévi-Strauss veronderstelt dat in oeroude tijden in sommige groepen slimme mensen waren die het nuttige effect van die regel hebben voorzien, in andere niet. Voorwaar een koene veronderstelling! Die echter als onoverkomelijk bezwaar heeft dat zij nooit bevestigd noch ontkracht kan worden door proefondervindelijk onderzoek.


De genoemde Amerikanen leveren een andere verklaring die wel empirisch te toetsen is. Zij hebben zo'n toetsing ook uitgevoerd, hetgeen hun maanden van noeste arbeid heeft gekost. Lévi-Strauss heeft op hun studie gereageerd, jawel, met een nietszeggende voetnoot.


1962: Van de filosoof Jean-François Revel verschijnt het boek La Cabale des Dévots oftewel Het Gezelschap der Goedgelovigen. Daarin bindt hij de strijd aan met een reeks hele en halve filosofen, onder wie Sartre, Heidegger en Lévi-Strauss. Zijn bezwaar is dat zij met stelligheid uitspraken doen over zaken die zij onvoldoende onderzocht hebben. 'Goedgelovigen' noemt hij degenen die desondanks de beschouwingen van zulke geleerden klakkeloos voor waar aannemen. Dat doen ze vooral omdat deze geleerden hun ideeën zo meeslepend onder woorden weten te brengen. Meeslepend schrijven, is iets wat Lévi-Strauss als geen ander kon. Vandaar vooral het succes van zijn Tristes Tropiques.


Lévi-Strauss ontzegt Revel het recht te oordelen over zijn geschriften, 'want', zegt hij, 'ik heb geleefd in een inheemse samenleving. Hoe zou een buitenstaander daarover iets zinnigs te berde kunnen brengen?' Maar Revel wijst erop dat Lévi-Strauss slechts een minuscuul deel van zijn professionele leven besteed heeft aan onderzoek in het veld.


In 1964 houdt Lévi-Strauss in Londen de prestigieuze Huxley Memorial Lecture. Hij sprak over Crow-Omaha verwantschapsstelsels. Verreweg de meeste aanwezigen waren leken op antropologisch gebied en zullen er geen snars van begrepen hebben.


De genoemde stelsels komen betrekkelijk zelden voor. Maar toevallig heb ik zelf ooit onderzoek gedaan in zo'n samenleving. Ziehier hoe ik daarop geattendeerd werd;


Met mijn vaste informant ben ik in zijn moeders dorp. Terwijl wij zitten te praten, loopt een meisje van een jaar of vijf ons voorbij. Hij roept haar bij zich, zet haar op zijn knie en zegt met een voilà-gebaar: 'dit is mijn moeder'. Wat blijkt? De zusters van zijn 'echte' moeder spreekt hij aan met dezelfde term als haarzelf. Dat geldt voor vele samenlevingen. Maar het bijzondere van deze samenleving is dat voor alle vrouwen en meisjes in mannelijke lijn diezelfde term wordt gebruikt.


Maar nu Lévi-Strauss. Hij beweert dat samenlevingen met een dergelijke terminologie een sprong vooruit betekenen in de evolutie van de mensheid. Hij doet dat aan de hand van een spitsvondige en vergezochte redenering. Wij (twee medewerkers en ikzelf) hebben zijn theorie onderzocht. Dat heeft ons maanden werk bezorgd. We hebben aangetoond dat samenlevingen met een zodanige terminologie helemaal niet de bijzondere plaats innemen in de geschiedenis, die Lévi-Strauss aan hun toeschrijft. Onze inspanningen hebben geresulteerd in het enige artikel in mijn lange loopbaan dat volstrekt onbegrijpelijk is, behalve voor een handjevol ingewijden.


Amusant was (vonden wij) wat er gebeurde toen wij een overdruk van ons artikel aan hem hadden opgestuurd. Per kerende post kregen wij een briefkaart: 'To acknowledge with thanks receipt of your paper with which I most utterly disagree! Cordially, Claude Lévi-Strauss'.


In 1975, krijg ik, als tijdschriftredacteur een artikel te beoordelen van P.L. Aspelin, een Amerikaanse antropoloog die onderzoek had gedaan bij de Nambikwara, een indianenstam in het Amazonegebied waarmee Lévi-Strauss in 1938 contact gehad heeft en waarover hij schrijft in Tristes Tropiques. Aspelin toont pijnlijk nauwkeurig aan dat wat Lévi-Strauss over hen vertelt kant noch wal raakt. Wij nodigen Lévi-Strauss uit een repliek te schrijven. In een korte reactie complimenteert hij Aspelin met zijn onderzoek maar gaat niet in op diens kritiek.


Lévi-Strauss heeft een omvangrijk oeuvre op zijn naam staan. Daarvan heb ik lang niet alles gelezen. Neem zijn Mythologiques. Vier boeken over mythen, meer dan 2.000 pagina's omvattend. Ik had me voorgenomen daarvan althans een deel te lezen, maar heb de lectuur al spoedig gestaakt. Zijn interpretaties leken mij wel zeer arbitrair. Zozeer, dat ik me nauwelijks kon voorstellen dat een ander tot dezelfde uitkomsten zou geraken. Lévi-Strauss geeft dat zelf toe waar hij schrijft: 'het doet er niet toe of de gedachtegang van die indianen zijn vorm krijgt door het medium van mijn denken, of omgekeerd de mijne door hun denken'. Iemand heeft dat 'a splendidly egotistical passage' genoemd.


2008. Het jaar van Lévi-Strauss' honderdste geboortedag. President Sarkozy feliciteert hem namens het Franse volk. Hij was lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Het bestuur vraagt mij een rede te zijner ere te houden. Ik sla die uitnodiging beleefd af.


2009. Het jaar waarin Lévi-Strauss overlijdt. Zijn dood is wereldnieuws. In Nederland wordt hij door de KNAW op passende wijze herdacht.


In 2010 verschijnt een biografie van de hand van Patrick Wilcken, getiteld: Claude Lévi-Strauss (New York: The Penguin Press, 404 pagina's). De auteur geeft onomwonden te kennen dat Lévi-Strauss nooit echt antropologisch veldwerk verricht heeft. Hij licht zijn uitspraak toe met een verslag van de acht maanden die Lévi-Strauss in 1938 heeft doorgebracht in het Amazonegebied. Hij maakte deel uit van een karavaan van 20 mensen (van wie 5 onderzoekers) en 35 zwaar beladen lastdieren. Zij trokken moeizaam en langzaam door het gebied, maar bleven nergens lang. Dat alleen al maakte gedegen antropologisch onderzoek onmogelijk. Voor communicatie met de inheemse bevolking was Lévi-Strauss aangewezen op tolken die Portugees spraken, maar zijn kennis van die taal was pover. En het belangrijkste, hij had een hekel aan die indianen en zij aan hem.


Betekent dit dat onze biograaf een negatief oordeel over Lévi-Strauss heeft geveld? Toch niet. Want, schrijft hij, dank zij zijn geniale intuïtie is hij toch erin geslaagd een boeiend beeld te schetsen van de bevolkingsgroepen in dat gebied. Dat het relaas van Lévi-Strauss wellicht grotendeels aan zijn fantasie ontsproten is, komt blijkbaar niet bij hem op. Het werk van Aspelin kent hij niet. Hij noemt hem tenminste niet, net zo min als de andere critici van Lévi-Strauss. Hij maakt slechts gewag van drie 'Angelsaksische' antropologen, die aanvankelijk waardering hadden voor Lévi-Strauss, maar uiteindelijk gebrouilleerd raakten met hem. De biograaf meent dat hun onenigheid vooral voortkomt uit een verschil van wetenschappelijke stijl: de Angelsaksische die nuchter en precies versus de Franse die meer literair en filosofisch zou zijn - een veronderstelling die nader onderzoek zou behoeven.


Claude Lévi-Strauss was een uitzonderlijke persoonlijkheid. Een briljant auteur, inventief en fantasierijk. Maar behept met de hooghartige overtuiging van eigen onfeilbaarheid. Die werd, naar valt aan te nemen, bevorderd en in stand gehouden door een wereld omspannende Cabale des Dévots.


'Wetenschap', zo luidt een bekend gezegde, 'is georganiseerd scepticisme'. Leven en werk van Lévi-Strauss en de interactie van hem met de intellectuele elite om hem heen, laten ons zien dat niet iedereen in de wetenschap naar dit principe handelt.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden