Levensgrote poppen voor de camera

'Ze jaagt dieren en kinderen schrik aan', schreef Paul Eluard, 'ze doet wangen verbleken en maakt het gras wreder groen'....

Hans Bellmer (1902, Kattowitz-1975, Parijs) construeerde in de jaren dertig twee levensgrote vrouwenpoppen. De eerste kreeg de beschikking over een eigen kamer in zijn woonhuis, maar voldeed ten slotte toch te weinig aan Bellmers verlangen haar te kunnen plooien naar wat hij noemde de 'erotische anatomie' - niet te verwarren met de louter 'fysieke anatomie', die immers onafhankelijk is van de gepassioneerde verbeelding. Bellmers eerste pop had een romp uit één stuk. Zij kon zich niet wenden en keren, zoals wel zijn tweede creatie, die als het ware een driedimensionale puzzel van bolvormen was.

Bellmer deed met haar wat hij wilde. Hij bracht haar tot leven in zijn geënsceneerde foto's, maar niet op zo'n manier dat zij zelf ook maar enige invloed kreeg over haar lot. De pop treedt meestal op als weerloos slachtoffer: ontzield nog voor ze kon genieten van de adem die Bellmer haar zo verraderlijk inblies.

Zonder gezicht en van twee paar benen voorzien, hangt ze bijvoorbeeld tegen de onderste treden van een wenteltrap, getormenteerd tot en met. Of ze leunt met weggedraaide ogen achterover in een stoel, bloter dan bloot, met haar geprononceerde geslacht naar voren geschoven en haar gezicht verscholen achter een bolle borst, in een geknakte houding die wellustiger is dan de ontroerend kinderlijke strik in haar verfomfaaide haren aannemelijk maakt.

Volgens de berichten was Bellmer de enige indertijd levende kunstenaar die door de voorman van de surrealisten André Breton zonder omhaal als één van de zijnen werd erkend. Anders dan gebruikelijk hoefde hij zich niet theoretisch te verantwoorden - Breton viel meteen voor het werk dat hij van hem onder ogen kreeg. Foto's van Bellmer hangen vanaf dit weekeinde in de Rotterdamse galerie Cokkie Snoei, die het nieuwe kunstseizoen opent met een groepstentoonstelling die er op papier in ieder geval bijzonder intrigerend uitziet.

Snoei verenigt het werk van Bellmer met dat van Caude Cahun en Pierre Molinier: kunstenaars die beiden zichzelf zo'n beetje als levende poppen voor de camera plaatsten. Molinier (1900-1976) poseerde vaak gemaskerd, gehuld in netkousen of in een zijn taille samenknijpend corset. Hij manipuleerde met kunstmatige ledematen en dildo's en retoucheerde zijn momentopnames achteraf, om het hermafroditisch ideaal dat hij in beeld wilde brengen nog dichter te benaderen.

Claude Cahun (pseudoniem voor Lucy Schwob, 1894-1954) intussen, de enige vrouwelijke surrealistische fotograaf, treedt op als de tegenpool van Bellmers pop; als een marionet die de macht heeft overgenomen, die niet langer met zich laat sollen, maar op haar beurt het publiek misleidt en ringeloort. Ze portretteerde zichzelf als een theatrale en soms fatale verschijning, als een humoristisch en erotisch individu dat, strak terugkijkend naar de toeschouwer, in een voortgaande reeks gedaanteverwisselingen ontkomt aan elke voor vrouwen én mannen geijkte rol.

Wilma Sütö

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden