Levenbrengend water uit Beierse pomp

Op de dag dat de motorpomp arriveerde, veranderde het leven. We schrijven 1 juni 2008, een historische dag voor de bewoners van Morikoyra, een dorp op drie uur rijden van het mythische Timboektoe. Iedereen stond die dag te kijken naar de aankomst van dat vreemde, groene apparaat dat over het zand naar het dorp werd gereden. De vrouwen klakten met hun tongen, de jongens sloegen op hun trommels, de meisjes zongen hun mooiste liederen, de mannen klapten in hun handen – het was alsof het Malinese voetbalelftal zojuist de Afrikacup had gewonnen.

Lang gewacht, maar daar was hij dan, de dieselpomp 3M4-1, van Motorenfabrik Hatz, uit het Duitse Ruhstorf. Een apparaat dat het leven van de bevolking van Morikoyra een stuk makkelijker zou maken. Met de pomp kon het levenbrengende water uit een rivierarm van de Niger naar de rijstveldjes van het dorp worden gepompt.

Dat het water zo makkelijk naar de velden kon worden gepompt, had niemand gedacht. We zetten de pomp in het water, zegt dorpsbewoner Hamadoun Amadou Touré, we sloten de slangen aan op onze irrigatiekanaaltjes, we startten en daar kwam het water. De ogen van de boer glinsteren van plezier. ‘We hebben dat eerste jaar, in december, een recordoogst aan rijst gehad. Zes ton per hectare. Zes ton!’

Amadou Touré kan er nog niet over uit. De mannen die naast hem staan, gekleed in hun lange gekleurde boubous, knikken enthousiast. De vrouwen, met hun zwarte, modieuze hoofddoekjes en hun blauw gemaakte lippen, willen ook wel wat kwijt. ‘We hadden dat jaar ook een overvloed aan tarwe, anijs, okra en meloen. En dan die tomaten die van de velden kwamen – ze waren zó groot!’

De hitte hangt stijf boven het land rond Morikoyra, een vlek die slechts op oude Franse koloniale topografische kaarten is te vinden. In het noordoosten moet Timboektoe liggen, iets dichterbij liggen Goundam en Diré. Die plaatsen zijn vanaf hier, dit gehucht vol zandkleurige huizen, niet te zien. Wie vanaf het trappetje onder de minaret van de uit lemen bakstenen opgetrokken moskee, uitkijkt over dit duinlandschap, ziet zand, zand, en nog eens zand. Slechts een paar vermoeide bomen, vol stoffige bladeren, doorbreken het blikveld. Heel in de verte is er een in de warmte trillende glinstering. Daar ligt een plas water, een restant nog uit de regentijd. Nog verder ligt de Niger, de derde rivier van Afrika.

Hier, in dit land waar de hitte welhaast ondraaglijk is, gaat het savannelandschap van Afrika over in de woestijn, de Sahara. Elk jaar wordt het droger, de sécheresse is onmiskenbaar. De woestijn rukt op, het zand blaast naar het zuiden. Voorheen vruchtbaar land wordt zand, als we niets doen, dan rukt de woestijn elk jaar een kilometer op, zegt Yorya Cissé, ‘milieuchef’ met de rang van luitenant in Kondi, ook al zo’n oververhit plaatsje dat niet ver van Morikoyra gelegen is.

Cissé, die de bevolking bewust moet maken van de gevaren van desertifaction, de verwoestijning, kan gloedvol vertellen over ontbossing, het belang van het aanplanten van de eucalyptusboom, het aanleggen van duinen en de ‘rustdagen’ waarop het verboden is om te vissen in de Niger, om de visstand wat rust te gunnen.

Cissé moet soms praten als Brugman. Besluit het ene dorp te stoppen met het kappen van bomen, gaat het andere dorp onverdroten voort met het verzamelen van brandhout. Dat is een bron van ergernis, van handgemeen soms. Cissé begrijpt het best, het hout is nodig om te koken, om voedsel te bereiden, om te overleven dus. Maar het mág niet. ‘Alle neuzen moeten in een richting staan, wil de bevolking in dit gebied overleven.’ Er liggen, in het noorden, waar de woestijn aan haar opmars is begonnen, al genoeg in het zand verdronken dorpen. Dus is het zaak om opnieuw bomen te planten, om nieuwe, hout besparende oventjes (foyers améliorés) te gaan gebruiken, en om duinen op te werpen tegen het oprukkende woestijnzand.

Vooral dat laatste is echter prijzig. Mali, een van de armste landen ter wereld, kan zich geen kostbaar Deltaplan veroorloven. Terwijl de parallellen met Nederland opmerkelijk zijn. Vecht Nederland tegen het water, Mali strijdt tegen het zand. Worden aan de Nederlandse kust duinen versterkt met helmgras, in de woestijn van Mali worden duinen ‘gefixeerd’ met in de zon gebleekt hout, dat het zand op zijn plaats moet houden. Op sommige plekken lijkt het hier wel op Noordwijkerhout; duin na duin, met in vierkanten geplante rijen hout. Arbeiders, tulband op het hoofd, zonnebril voor de ogen, kappen het hout met hakbijlen in de juiste lengte – 1.20 meter – en steken het recht in het zand.

Milieubaas Yorya Cissé wordt in zijn kantoortje in Kondi, waar wederom een dorp is uitgelopen om de bezoeker te verwelkomen, geflankeerd door de stokoude dorpschef, Ibrahim Allasane. Vroeger, zegt deze, hadden ze niet eens in de gaten dat het kappen van bomen verwoestijning tot gevolg had. ‘We kapten maar raak, aan het aanplanten van nieuwe bomen dachten we niet eens. Nu weten we wel beter. Je hoeft mij niet meer te motiveren. Alleen als we elkaar de waarheid vertellen, kunnen we hier blijven.’ Dan ook zullen de jongeren niet langer wegtrekken, naar Libië om te werken, of nog verder pogen te reizen, naar het verre ‘paradijs’ Europa.

Een simpel voorbeeld van het bewust maken van de bevolking? Bij de alfabetiseringslessen voor volwassen worden in Kondi de letters gekoppeld aan belangrijke woorden. Neem de letter ‘T’, die staat voor Touri, wat boom betekent. Cissé: ‘Dan leg ik uit hoe belangrijk een boom is voor het behoud van het land.’ Of de ‘S’, die staat natuurlijk voor Sahel. ‘Dat zijn interessante discussies hoor, waar het heet aan toe kan gaan. Maar iedereen is zich nu wel bewust van de ernst van de situatie.’

In Morikoyra wordt de bezoeker meegevoerd naar een binnenplaatsje waar onder een dekzeil de Hatz 3M4-1 is neergezet. In het droge seizoen wordt het apparaat niet gebruikt, maar straks, in juli en augustus, als het water in de Niger stijgt en de rijstplantjes worden ingezaaid, gaat de pomp weer naar de dan weer volgelopen rivierarm. Dan gromt de motorpomp de hele dag, van acht uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds, met een uurtje rust tussen de middag. Alleen als het regent kan de pomp uit.

Hoe deden ze dat vroeger? Hamadoun Amadou Touré: ‘Dan wachtten we op de regen. Kwam die niet, of te laat, dan had iedereen honger en trokken de jonge mannen weg. Toen was er ook vaak ruzie, want wie kreeg het eerste spaarzame water vanuit de kanaaltjes?’ En nu? ‘Nu heeft iedereen water, en iedereen te eten.’

Dankzij die magische motorpomp uit het verre Beieren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden