Leven voor de illusie

Vóór alles was Gerry Montagne artiest: goochelaar, poppenkastspeler, jongleur, equilibrist, zakkenroller. Zijn zoon en kleinzoon, documentairemaker Cherry Duyns en theatermaker Don Duyns, halen herinneringen op aan een man die als geen ander 'parade kon maken'....

Door Marian Buijs

De deur van de stationsrestauratie gaat open, er stapt een man binnen die zo groot is dat je bang bent dat hij in de deuropening blijft steken: Cherry Duyns. Hij gaat bij zijn zoon Don aan het tafeltje zitten: 'Doe mij ook maar zo'n koffie met scheerschuim.'

Don legt een ietwat beduimeld plakboek op tafel. Cherry slaat het open. Krantenartikelen en foto's. Overal duikt dezelfde man op: knap, donker, gekleed in een smetteloos rokkostuum.

Don: 'Hij is gestorven toen ik 13 was. Ik zag hem niet zo vaak, hij was meestal op tournee. Een doorsnee opa was hij niet, daarvoor was hij te veel met zijn eigen dingen bezig. Hij gaf ons altijd rare cadeaus, een gokautomaat, een apparaat waarin een waterstraal balletjes omhoog duwde: kermisattracties.'

Cherry: 'Een andere opa legt zijn kleinkinderen uit hoe de pier gebouwd is als hij met ze wandelt. Mijn vader interesseerde dat geen zier. Hij beoordeelde alles op bruikbaarheid voor het variété. Zag hij een klein iemand, dan mompelde hij dat hij daar wel wat mee kon.'

De grootvader van Don Duyns en de vader van Cherry Duyns was artiest: Gerry Montagne. Eerst in variété-theaters, later reisde hij de kermissen af. Don (1967, theatermaker): 'Op de kermis kende hij iedereen. Mijn broer en ik mochten mee, maar ik werd bang in de vliegtuigjes. Gilde dat ik eruit wou, dat die machine moest stoppen. We zaten er waarschijnlijk gratis in, daarom schaamde ik me, ik had het gevoel dat ik hem voor schut zette.'

Cherry Duyns (1944, documentairemaker): 'Ik had grote bewondering voor hem, hij was anders dan andere vaders, dat waren allemaal burgerturven met slecht zittende broeken, grote gulpen en aktentassen. Die gingen naar hun werk. Mijn vader minachtte gewoon werk, hij hield van de illusie, dat was zijn bestaan.'

Die hang naar het variété beheerst de familie Duyns al vier generaties. Cherry: 'Dons overgrootvader was antipodist, Sterke Man. Die kon twaalf volwassen kerels torsen. Hij was goochelaar, speelde poppenkast en als hij daarmee niet in zijn levensonderhoud kon voorzien, was hij hoefsmid. Een boom van een man die geldstukken tussen duim en wijsvinger dubbel kon vouwen. Ik heb hem nooit gekend, hij stierf toen ik werd geboren. Hij is de verborgen held in mijn bestaan.'

Uit zijn roman De Zondagsjongen (1988): 'Mijn grootvader staat in hemdsmouwen en vest voor de deur van zijn huis en rookt een sigaret. Hij heeft nog kort te leven. Vloekend is hij uit het ziekenhuisbed gestapt toen de arts hem van zijn ongunstige bevindingen in kennis stelde. Hij wilde thuis sterven, in zijn eigenhandig gemaakte ledikant. (. . .) Elke morgen staat hij een uurtje voor de deur terwijl zijn vrouw het huis schoonveegt en kalme woorden tegen hem spreekt. Hij staat te sterven. Mijn grootvader weet van mijn komst, hij weet niet dat ik er die dag reeds ben. Tegen zijn vrouw zegt hij onophoudelijk: ''Kleine Toon is onderweg, ouwe Toon kan de wereld verlaten.'' '

Cherry: 'Mijn vader stond vanaf zijn veertiende op het toneel met trucs die hij van zijn vader had, de Sterke Man. Tot diens verontwaardiging. Want tussen mijn vader en mijn grootvader boterde het niet erg. Mijn vader was net als hij goochelaar en bespeelde de poppenkast, maar hij was ook jongleur, equilibrist, zakkenroller, spreker en een voortreffelijk organisator.

'Ik heb nooit bij mijn vader gewoond, ik ben opgegroeid bij mijn grootmoeder. Maar ik mocht als zoon van de grote maître wel bloemen overhandigen aan Johnny Jordaan en Tante Leen. Die stonden in zijn programma. Hij organiseerde Montagne's Jeugdvariété in theaters in Haarlem: de Luxor, het Rembrandttheater en de Scala in Den Haag. Hij trad zelf op maar engageerde ook sneltekenaars of sympathieke heren met een accordeon.'

Uitgespeeld in de theaters trok opa Duyns langs kermissen, tot in Duitsland. Cherry: 'Met zijn eigen tent, Studio 7. Eigenlijk niet meer dan een pak met latten, tentdoek en een schitterend geschilderd front. Met lampjes en trappen ervoor. Binnen stonden dan wat bankjes. Hij praatte iedereen de tent in door een microfoon, dat kon hij fantastisch: parade maken. Hij hield altijd op het hoogtepunt op, eindigde met cliffhangers.'

Don: 'Het pachtgeld voor een plek op de kermis werd steeds hoger.'

Cherry: 'Geld was altijd een probleem. Er waren periodes van grote luwte.'

Don: 'Hij moest zonder enige subsidie de boel draaiende houden. De moeite die hij deed om de mensen naar binnen te lokken. Kijk eens naar het huidige gesubsidieerde theater, bijna niemand doet daar iets aan.'

Cherry: 'Hij had gevoel voor vertellingen, schreef zijn eigen poppenkastverhalen en deed alle stemmetjes. Hij is in een stadje in Duitsland gestorven. In zijn caravan. Hij is maar 56 geworden. De go was eruit, het kreeg iets schraals. De neergang van dat door hem zo aanbeden metier is voor hem een van de grootste decepties geweest in zijn leven.'

Don: 'Het echte variété implodeerde door de komst van de televisie. Het moet voor hem wel bitter zijn geweest dat uitgerekend zijn zoon, jij dus, zijn brood ging verdienen bij de televisie. Hij haatte de tv. Als je met je attractie op de tv kwam, was je volgens hem onbruikbaar geworden voor het variété. Dat zag hij natuurlijk verkeerd, maar hij was zo stellig dat je het niet in je hoofd haalde om hem tegen te spreken.'

Cherry: 'Daarnaast deed het hem pijn dat hij niet in staat was zijn huwelijk te continueren met mijn moeder, van wie hij veel hield. Zij was bovendien de allerbeste variété-partner die hij ooit heeft gehad. Maar echt gepraat met mijn vader heb ik eigenlijk nooit. Dat had ook met die generatie te maken, over je gevoel sprak je nooit.'

Don: 'Je hebt toch een keer met hem gepraat vlak voor zijn dood?'

Cherry: 'Ja, het enige gesprek waarin levensvraagstukken aan de orde kwamen. Ik heb hem toen aangeraden zijn leven anders in te richten. Hij luisterde wel, maar had de kracht niet meer om het te doen.'

Don: 'Hij kon niet meer toveren.'

Op dit moment duwt een oude man een invalidenwagen de stationswachtkamer in. Op de wagen ligt een jas en een viool. Don houdt de deur voor hem open. 'Goed zo', zegt Cherry, 'een muzikant moet je altijd helpen.' De oude man posteert zich voor het raam met uitzicht op perron 2b. Cherry schudt het hoofd. 'Zo armoedig was het niet. Mijn vader had allure. We kunnen vragen of hij iets wil spelen.'

Het komt er niet van. Het gesprek moet verder. Over de vader en grootvader die nu opnieuw ten tonele wordt gevoerd in een stuk van Don Duyns, Mijn opa, de artiest, waarin de kleinzoon zichzelf speelt én zijn opa.

Cherry: 'Wat ik meesterlijk vind in jouw stuk is de vraag: hoe was 't? Dat vroeg mijn vader altijd na afloop. Dan ging hij voor de tent staan en vroeg met de microfoon aan het naar buiten stromende publiek: 'Hoe was 't?' Je moet maar durven. En die vraag heeft natuurlijk ook betrekking op zijn leven. De neergang van een artiest. Aan het eind is het heel ontroerend, ineens hoorde ik zijn stem op een bandje, ik wist niet wat me overkwam.'

Don: 'Ik heb een jaar of vijf geleden twee radiodocumentaires over mijn opa gemaakt. Uit de interviews kwam naar voren dat hij in een heleboel dingen goed was, maar niet de allerbeste. Te veel talent om op te geven en te weinig om door te kunnen gaan. Daarin zie ik ook een spiegeling van mezelf. Ik ben niet de beste regisseur van Nederland.'

Cherry: 'Dat vind ik wel.'

Don: 'Dat moet ook, want jij bent mijn vader.'

Cherry: 'Ik ben niet geïnteresseerd in middelmatigheid, in mensen die zeggen: dit is mijn plafond. Een plafond is er om open te breken. Daar heb je kracht voor nodig en talent.'

Don: 'Jij bent een van de meest gelauwerde documentairemakers van Nederland. Ik ben nog onderweg. Het gaat goed en af en toe is er een uitschieter. Ik denk dat dat bij jouw vader ook zo was.'

Cherry: 'Er waren nog andere factoren die hem hebben gevormd. Als 18-jarige jongen werd hij ingezet voor de Arbeitseinsatz. Mijn grootvader maakte bijna een radslag van woede. In een fabriek moest hij bommen maken, maar hij begon al snel met het gereedschap te jongleren. Hij ging goochelen in dat vernietigde land waar alles brandde, waar theaters stonden zonder daken, waar lijken op straat lagen. Daar trad hij op met mijn moeder, een schitterende vrouw. Korte tijd was hij daar een fonkelende ster, 19 jaar oud. Dan komt hij naar Nederland waar hij een nobody is, getrouwd met een Duitse, in die tijd erg ongunstig.'

Don: 'Hij is te vroeg gestorven. Als hij was blijven leven, was ik ongetwijfeld bij hem uitgekomen. Ik ben gek op het variété. Dan hadden we hier misschien samen gestaan.'

Cherry: 'Toen mijn vader nog in het variété werkte, moest ik hem soms assisteren, als er niemand anders was. Ik moet een jaar of veertien zijn geweest. Maar volgens mijn vader was ik niet zo geschikt voor het metier, en ik denk dat hij gelijk had. Hij durfde zomaar in het licht te treden en tegen een volle zaal te gaan praten. Dat vond ik geweldig, maar het gaf me ook een gevoel van gêne. Hij was ongegeneerd, ik ben tamelijk verlegen. En toch, als ik het variété niet had gekend, dan was Herenleed misschien nooit ontstaan. Armando heeft daar ook grote affiniteit mee.'

Don: 'Bij de eerste Herenleed was ik souffleur. Cherry en Armando waren doodsbenauwd dat ze hun tekst niet meer wisten of de slappe lach zouden krijgen. Bij de première in De Kleine Komedie zou het doek opengaan, en ik zie Cherry niet staan in de coulissen. Ik ren naar beneden, naar de kleedkamer en daar zit ie. Verbeten: ''Ik ga niet.'' Ik heb hem meegesleurd en het toneel op geduwd. Hij heeft die voorstelling feilloos gespeeld.'

Cherry: 'Vanaf mijn grootvader tot Don, dat is bijna een eeuw vermaak. Vier generaties op het toneel in pandjesjassen, zelfs ik droeg die in Herenleed. We hebben nog zeven avonden in de Schaubühne in Berlijn gespeeld, in de toen nog gedeelde stad waar mijn ouders ooit waren opgetreden.'

Don: 'Mijn vader en ik zijn van plan met zijn tweeën over dit alles nog een voorstelling te maken: Montagne en zoon. Een spiegelpaleis van generaties.'

Cherry: 'Wat me in Dons voorstelling zo trof was de gelijkenis tussen Don en mijn vader. Ik schrok ervan. Als hij transformeert naar de figuur van zijn opa, zet hij een bril op. Mijn vader had slechte ogen, maar op het toneel droeg hij nooit een bril. Dan moest je maar sterrenkundige worden, vond hij. Met die bril lijkt Don ongelofelijk veel op mijn vader.

'Jaren geleden speelde Don op de Parade, het was al donker en vanuit de verte hoorde ik hoe hij zijn voorstelling aankondigde. Ik bleef aan de grond genageld staan: dit was mijn zoon die sprak als mijn vader.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden