Leven tussen schrijven en politiek

Hij woonde in Parijs, in Europa lag zijn hart. Dinsdag overleed de Spaanse schrijver Semprún.

'Nu gaan we Spanje redden!' Dat waren de woorden van Jorge Semprún toen hij in 1988 door de socialistische premier Felipe González was gevraagd om minister van cultuur te worden. Het verzoek bereikte hem toen Wim Kayzer hem in Madrid interviewde voor de serie Nauwgezet en wanhopig.


Die jongensachtige reactie typeerde Semprún (1923). Hij was al over de zestig en belichaamde de Europese geschiedenis van de twintigste eeuw, maar had nog de gretigheid van een twintigjarige.


Als telg uit een vooraanstaande linkse familie paste de politiek hem als een handschoen. De Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) bracht hij door in Den Haag, waar zijn vader ambassadeur was. Het gezin vertrok daarna naar Parijs, waar Semprún aan de Sorbonne ging studeren en in het verzet ging. In 1943 werd hij opgepakt en naar het concentratiekamp Buchenwald getransporteerd. Over die tocht schreef hij De lange reis (1963), waarmee hij zijn naam als schrijver vestigde.


Over zijn ervaringen in het concentratiekamp zelf zou hij pas veel later schrijven. Misschien had dat iets te maken met de 'administratieve taken' die hij in het kamp had vervuld en die later, toen Semprún een bekende schrijver was geworden, de nodige stof deden opwaaien.


Na de oorlog bleef Semprún in Frankrijk wonen. Daar werd hij actief in de illegale Spaanse communistische partij. Zijn ondogmatische opvattingen brachten hem echter steeds meer in conflict met kopstukken als Santiago Carrillo, de communistische partijleider die een sleutelrol zou spelen in de overgang van dictatuur naar democratie in Spanje na de dood van Franco in 1975.


Semprún was niet actief betrokken bij het democratiseringsproces van Spanje. Na zijn royement had hij zich op het schrijven gestort. Maar de politiek bleef hem natuurlijk beheersen, niet alleen in zijn memoires maar ook in zijn romans. Vele hiervan werden in het Nederlands vertaald, waaronder De tweede dood van Ramón Mercader, over de Catalaanse communist die in 1940 in Mexico in opdracht van Stalin diens aartsvijand Trotski met een ijsbijl vermoordde. Ook werkte Semprún samen met de Griekse regisseur Costa-Gavras, met wie hij het script van de politieke film Z schreef.


In deze werken leverde Semprún via de verbeelding kritiek op het politieke dogmatisme dat hem had ontgoocheld en gekrenkt. In 1977 deed hij dat onverhuld in Autobiografía de Federico Sánchez, waarin hij zijn ervaringen in de illegale Spaanse communistische partij op papier zette. Het boek, bekroond met de Premio Planeta en het eerste dat hij in het Spaans schreef, sloeg in Spanje in als een bom en promoveerde Semprún in een klap tot bekende Spanjaard.


Maar Semprún bleef in Frankrijk wonen en bleef zijn boeken in het Frans schrijven. Pas toen hij minister werd, kwam hij in Spanje. Lang hield hij zijn nieuwe politieke leven niet vol. Hij kreeg laaiende ruzie met Alfonso Guerra, de tweede man van de socialistische partij, en keerde terug naar het schrijverschap. Een imposante reeks boeken volgde nog, waaronder de roman Twintig jaar en een dag, die hij in het Spaans schreef. Maar Semprún was te veel Europeaan geworden om zich weer helemaal Spanjaard te kunnen voelen. Hij stierf in Parijs, 87 jaar oud.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden