Leven in een Anton Pieck-dorp

Er is geen bakker, geen slager en geen kruidenier. Maar wel een antiekwinkel, een keramiste en een kaarsenmakerij. Het ooit vervallen boerengehucht Bronkhorst werd museumdorp....

Je komt vanuit brummen, gaat met het veerpontje over de IJssel, kronkelt door de Bovenstraat het dorp binnen en gaat er via de Onderstraat weer uit. Dat is Bronkhorst, het 'kleinste stadje van Ne der land', zo'n stadje dat je toch 'dorp' noemt, een monumentendorp dan.

Bronkhorst is, blijkens een recent lezersonderzoek van anwb's Kampioen, Neerlands meest gewaardeerde Anton Pieck-dorp, maar om een beeld te krijgen van de 'restauratie van Nederland in het kader van de toeristische functie' kun je net zo goed naar Heusden gaan, of naar Buren, Zaltbommel, Vreeland, Giethoorn, Orvelte, of Thorn. Of naar De Rijp, Wijk bij Duurstede, Veere, Jorwerd, Dokkum, maar ook naar Doesburg, Zutphen of Deventer.

En dan zijn er nog tientallen andere dorpen, stadjes en stadscentra waar de nostalgie naar oorspronkelijkheid en de overvloedige welvaart resulteert in tomeloze restauratiedrift.

Uiteraard kun je deze plaatsen het beste per fiets bezoeken en in Bronkhorst staan de Batavus-, Gazelle- en Giant-tourfietsen tegen het middaguur dan ook in rijen van drie opgesteld op de hoek van de Onderstraat en de Bovenstraat, tussen de kapel en het 'Wapen van Bronkhorst', het kloppend hart van het stadje. Het terras zit op een zomerse dag als deze altijd vol rond het middaguur, dus drentelen de bezoekers - van alle leeftijden - wat rond of ze werpen een blik in de kapel, waar een Brummense kunstenares exposeert, of lopen binnen bij Lotters Edelstenenwinkel, even verderop. Anderen maken meteen maar de hele wandeling door het dorp, dat nog veel meer galeries, winkeltjes en musea annex parafernalia-ruimtes her bergt.

In het voormalige boerendorp wonen nu ongeveer 160 mensen in misschien vijftig woningen en in het merendeel daarvan vindt een op bezoekers gerichte, of anderszins 'creatieve' activiteit plaats. Er is een kaasboerderij, een kaarsenmakerij, een 'papierknipmuseum' een keramiste ('Nee, ik ben geen pottenbakster'), een herberg, een bloemenwinkel, een Dickens-museum, een antiekwinkel, een theehuis, een prentenkabinet en een centrumpje voor interieurarchitectuur. Er zijn ten minste drie kunstschilders en een beroemde zilversmid in ruste. Daarnaast zijn er nog een joods begraafplaatsje en een informatiecentrum van Staatsbosbeheer, met daarbij de slotheuvel van het voormalige slot Bronkhorst.

En uiteraard zijn bijna alle woningen in het stadje in oorspronkelijke staat teruggebracht. Oorspronkelijker dan oorspronkelijk, lijkt het wel; alleen aan de enkele niet-gerestaureerde boerderij aan de rand van het dorp valt nog te zien hoe het vroeger was, voor de grote opknapbeurt. De boerderij staat er in al zijn nonchalance als een grijs contrapunt in een iets te kleurrijke museumcollectie. Want het dorp zelf is eigenlijk dé bezienswaardigheid in Bronkhorst.

Wat er niet is in het dorp is een kruidenier, een bakker of een slager. Dat was ooit. Zoals ook het collectieve geheugen van Bronkhorst, in de vorm van oorspronkelijke bewoners, zich nu bijna helemaal buiten de denkbeeldige stadsmuren bevindt. In het nabijgelegen Steenderen veelal, waar nogal wat Bronkhorsters vanaf de jaren zeventig naartoe verhuisden. De ouderen omdat de basisvoorzieningen in Bronkhorst verdwenen en omdat ze opeens een zeer goede prijs konden krijgen voor hun boerenwoning. De jongeren omdat woonruimte in Bronkhorst voor hen op die manier onbetaalbaar werd.

Ook Verdi van Leuvensteijn-Breukink woont sinds eind jaren tachtig samen met haar man in Steenderen. Ze was 65 en wel uitgewerkt, vond ze, en ze verkocht haar herberg De Gouden Leeuw, omdat een opvolger zich in haar gezin niet aandiende. 'Ik heb 65 jaar in Bronkhorst volgemaakt, nu heb ik hier al vijftien jaar vakantie', zegt ze, terwijl ze haar breiwerk opzij legt. Ze herinnert zich Bronkhorst nog van toen er vijf echte winkels waren, van toen iedereen boer was, toen het dorp nagenoeg zelfvoorzienend was en transacties veelal met gesloten beurs plaatsvonden.

Arm was Bronkhorst wel, armer nog dan boerendorpen in de omgeving; van oudsher waren Bronkhorsters dagloners en keuterboertjes en het dorp zelf lag nogal geïsoleerd. Eind jaren veertig leek Bronkhorst al op een bouwval en het dorp takelde steeds verder af; de bewoners investeerden noch in restauratie noch in nieuwbouw. De ommekeer kwam toen bij het gemeentebestuur de onzalige gedachte opkwam de zwaar verwaarloosde veertiende-eeuwse kapel te slopen. De Steenderense dominee Nortier waarschuwde de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en die greep in. De kapel werd gerestaureerd en de rest van het dorp begon schoorvoetend te volgen. Wat hielp was dat Monumentenzorg in die tijd, eind jaren vijftig en de jaren zestig, 90 procent van de kosten voor haar rekening nam.

Met de restauratie kwamen de nieuwkomers en de dagjesmensen om de zeventiende-eeuwse panden te bewonen of te bewonderen. En Van Leuvensteijn-Breukink zag het karakter van Bronkhorst veranderen. 'Vroeger hadden de mensen wat kippen, een mestvarken en een paar koeien. Maar het vee en de mestvaaltjes zijn weg en ook groententuintjes zijn er nauwelijks nog. In plaats daarvan zijn er siertuinen. En er is een architect die ze aanlegt. De Bronkhorsters sterven langzaam uit. Ze konden hun huizen opeens duur verkopen. Ze hebben ook leren rekenen. In 1982, toen we vierden dat we 500 jaar stadsrechten hadden, was nog 80 procent van de mensen Bronkhorster. Nu zijn er nog een paar.'

Van Leuvensteijn-Breukink, die soms nog in Gelders kostuum naar het dorp gaat om spindemonstraties te geven, heeft gemengde gevoelens over die veranderingen. 'Als er toen niet was gerestaureerd, dan was alles weggeschimmeld. Nu is Bronkhorst geconserveerd en dat is goed, je moet nu eenmaal met je tijd meegaan. Maar de rust is weg. Het is een drosselgasse geworden, met een en al leven en vertier. Alleen 's morgens vroeg heeft het nog wat van die oude sfeer. Dan is het stil en kijk je vanuit het dorp zo het weideland in. Maar rond half elf komen de eerste mensen. Als je er geen business hebt, is het alleen maar storend, al die toeristen voor je huis.'

Puur fysiek valt Sjef de Jong, uitbater van het Dickens-museum in Bronkhorst, al nauwelijks te ontlopen. De Jong heeft de neiging om, verkleed als Scrooge, oudere dames de stuipen op het lijf te jagen in de buurt van zijn museum, dat strategisch is gesitueerd midden in het dorp. Dames die vervolgens wel met hem op de foto mogen. Tegen betaling geeft De Jong als Scrooge ook Dickens-voordrachten aan groepen.

Maar ook in de meningsvorming over de toekomst van het dorp speelt de voormalige directeur van een groot ziekenfonds een belangrijke rol. De Jong huldigt de opvatting: er kan nog veel meer bij. 'Vorig jaar hadden we hier naar schatting 80.000 bezoekers, dat kunnen er gemakkelijk 150.000 worden.' Vandaar ook dat hij, met het oog op een mogelijke nieuwe toeristische attractie, eerder dit jaar eigenhandig een deel van de middeleeuwse burcht wal van voormalig slot Bronk horst uitgroef. Tot woede van Staats bos beheer, de beheerder van het terrein, die het ontstane gat prompt weer dichtgooide. De Jong: 'Als je bij de ingang van het terrein een bord zet dat daar de resten van het vroegere kasteel liggen, moet er ook iets te zien zijn.' Hij heeft goede hoop dat hij alsnog zijn zin krijgt; nog deze maand volgt overleg tussen alle partijen.

Het is niet het enige plan dat De Jong nog voor ogen staat. Zo pleit hij onder meer voor een rondweg om Bronkhorst en voor een tweede parkeerterrein bij het dorp. 'En dan geen auto's meer in het dorp zelf. Net als in Orvelte, in Drenthe.'

De Jong vindt dat niet zomaar. Als econoom promoveerde hij al op de 'maatschappelijke waarde van de onderneming' en hij is oprichter van de 'Kamer van consumenten en burgerbelangen', die vooral vindt dat bedrijven en ondernemers moeten produceren wat consumenten willen, en niet andersom. En de mensen willen nostalgie, volgens De Jong. 'Dat is een mega-trend. Daar moet je dus als producent op inspelen, als collectief consumentist vind ik dat mensen mogen genieten. En dat het hier een soort Volendam wordt, nee, daar ben ik niet bang voor. Er komt hier toch een rustig publiek.'

Willem Evert Warffemius en Frans-Olav M. Koekkoek blijven er onverstoorbaar onder, onder de bel die voortdurend rinkelt omdat dagjesmensen willen rondneuzen in hun antiekwinkel Heeren van Bronkhorst of willen weten wanneer de tuinkijkdagen zijn. De twee collega's en partners ('Toen we hier kwamen hebben we met een aangekondigd: er komen twee ongetrouwde mannen en er komen geen kinderen. Die boodschap was duidelijk genoeg.') houden hun deur vaak op slot, zo midden op de dag. Ze weten dat hún publiek dan toch niet komt, tenzij op afspraak.

Evert heeft koffie en speculaasjes geserveerd en de verslaggever zodanig op het terras gepositioneerd dat die uitzicht heeft op de enorme Engelse tuin die de twee mannen achter hun voormalige bakkerswoning hebben laten aanleggen. Die tuin, dat zagen veel buurt bewoners niet zo zitten. Zonde van de grond.

Warffemius en Koekkoek bezien de activiteiten van aanjager Sjef de Jong met een mengeling van bewondering en scepsis. Als voorzitter van het ondernemersgilde probeert Koek koek het niveau van de commerciële activiteiten hoog te houden. 'We willen ons richten op een publiek dat is geïnteresseerd in kwaliteit. Bronkhorst is op een gegeven moment vol, dus willen we geen patat- en ijskramen. En niet al te veel boerenambachten. Ik ben het met De Jong eens dat een deel van de burcht zichtbaar moet worden, dat is cultureel erfgoed. Maar we willen geen rondweg; als je de doorgaan de weg weghaalt, wordt dit helemaal een museumdorp. Het is goed dat hier af en toe een tractor voorbijkomt. Maar daar denkt De Jong anders over. Hij moet het met zijn museum juist hebben van de aantallen.'

Evert Warffemius: 'Het moet hier geen Orvelte worden. Daar is de souvenir-cultuur doorgeslagen. En 's avonds gaat het dorp op slot omdat al die mensen met winkeltjes er niet zelf wonen. Als je hier een winkel hebt, ben je ook verplicht hier te wonen.'

Het leven in een Anton Pieck-dorp lijkt soms net op het leven in een gewoon dorp. Zo weet iedereen zo'n beetje alles over elkaar en is de sociale controle onvermijdelijk groot. Staat er een huis te koop, dan weet iedereen meteen of er '1 punt 2' of '1 punt 3' voor gevraagd wordt, als iemand een huisschilder inhuurt van buiten het dorp, levert dat pijnlijke contacten op met de plaatselijke huisschilder(s) en is een lokale kunstenaar succesvol of minder succesvol, dan is dat genoegzaam bekend. En als er een zedenzaak speelt, zoals afgelopen jaar, is het onvermijdelijk dat het daar voortdurend over gaat.

Ook in een Anton Pieck-dorp passen minderheden zich aan, als het goed is. Maar een kenmerk van zo'n dorp is ook dat er ergens een omslagpunt komt waarbij de nieuwkomers opeens de meerderheid vormen en de dorpscultuur gaan bepalen. In Bronkhorst lag dat punt begin jaren negentig. Daarna is het snel gegaan. Meer dan 60 procent van de huidige bewoners komt niet oorspronkelijk uit Bronk horst. Nog een typisch verschijnsel van een An ton Pieck-dorp: het zijn veelal ex-stedelingen die er gaan wonen. Niet voor niets spreekt Sjef de Jong over de 'urbanisatie van het platteland'. Die ex-stedelingen zoeken rust. Van daar dat in een echt Anton Pieck-dorp de woonfunctie het belangrijkst blijft, ondanks de commerciële nevenactiviteiten.

Klaas van Beek, de zilversmid in ruste en overbuurman van de Heeren van Bronkhorst kwam 35 jaar geleden, ver voor het omslagpunt, rechtstreeks van Amsterdam naar Bronkhorst. Hij was de eerste nieuwkomer en hij, zijn vrouw en kind hadden het aanvankelijk niet makkelijk. In Amsterdam verkeerde hij in zeer kunstzinnige kringen, Bronkhorst was een gesloten boerendorp waar ze niet echt zaten te wachten op kunstenmakers uit de stad.

Van Beek behoorde toen tot de eersten die, in wat later een golfje zou worden, van de stad naar het platteland verhuisden. Broek in Water land was wat hem betreft ook goed geweest. Het Gelderse plaatsje werd samen met vier andere boerendorpen (Garderen, Or velte, Bourtange en Heenvliet) uitgeroepen tot cultureel erfgoed en kwam zodoende in aanmerking voor volledige restauratie. Van Beeks huidige huis was een bouwval en kwam als een van de eerste boerenwoningen aan de beurt. Via via kon hij het huren, een paar jaar later kocht hij het.

Zoals gezegd, het begin was niet makkelijk in Bronkhorst. Aarzelend zegt Van Beek: 'Er is hier lang een soort tweedeling geweest tussen de nieuw komers en de oorspronkelijke bewoners. Tja, als de buurvrouw met mij over Libelle-recepten wil praten, is ze na mijn antwoord toch weer heel blij met haar eigen man. En van auto's heb ik ook geen verstand. Dus als je buurman een autohandelaar is, wordt het moeilijk. Maar wij hadden een kind toen we hier kwamen. Daar herkent iedereen zich in. Dat was een voordeel. En in de loop der jaren heb ik toch een redelijke band met een aantal dorpsbewoners gekregen.'

Er kwamen ook wat vrienden van Van Beek wonen en sowieso veranderde het dorp volledig. 'Het is nu een dorp dat iedereen misleidt. Het is Anton Pieck, het is kitsch, mensen praten over 1 punt 2, of 1 punt 3 en jeugd komt hier niet meer wonen. Eigenlijk is dat een ramp.'

Van de zeventigers Cor en Ali Viegen uit de Kapelstraat zou je kunnen zeggen dat ze zich aan de nieuwe situatie hebben aangepast. Ze kennen elkaar van 'de griffeldoos', samen hadden ze nog les in het kapelletje dat ooit als school diende, maar ze hebben zich niet uit het veld laten slaan door de radicale cultuuromslag. En ook hun eigen huis is mooi gerestaureerd. Soms moeten ze wel lachen om de ongehoorde populariteit van hun geboortedorp. Cor, gepensioneerd huisschilder: 'Mijn vader kocht dit huis 68 jaar geleden voor 750 gulden. Daarvoor kon hij met moeite een hypotheek afsluiten van 900 gulden, alleen maar omdat hij een vaste dienstbetrekking had. Net nog is een boerderij verkocht voor 1,2 miljoen. Dat is een hoop geld.'

Toch voelen ze er zelf weinig voor het voorbeeld van hun dorps- en leeftijdgenoten te volgen en te verkopen. Hij: 'We wonen hier mooi en zo veel geld hebben wij niet nodig.' Maar, zegt Ali: 'Oude mensen worden wel bijna gedwongen om weg te gaan. Hier is niks te krijgen, voor alles moet je naar Steenderen. Ja, bij de kaasmakerij verkopen ze nu van die luxe-broodjes, maar daar doen wij niet aan. Er komt een moment dat wij niet meer op en neer kunnen naar Steenderen en dan moeten we ook verhuizen. We hadden graag gewild dat ze hier een paar bejaardenwoningen hadden gebouwd. Maar dat mocht niet. Dat is jammer, de leefbaarheid moet niet verloren gaan.'

Cor: 'Vroeger kende je de buurman. We hadden elkaar nodig. Je hielp elkaar bij het hooien, bij het afmaaien. Dat ging met een gesloten portemonnee. Nu is iedereen erg op zichzelf.'

Een jaar of vijf geleden was dat gevoel van saamhorigheid voor even terug, herinnert hij zich. 'We hebben toen met een aantal mensen kabel aangelegd, helemaal vanuit Steenderen naar hier. Het was veel goedkoper als we het zelf deden. De mensen met bedrijfjes betaalden de machines, wij hebben met vijf man gegraven. Toen was het weer even een echte eenheid.'

Nee, met de import hebben Cor en Ali Viegen weinig moeite. 'Ach', zegt hij, 'sommigen beginnen zich wel meer te verbeelden, maar de meesten komen heus wel effe praten. Dan ben je een goeie. En in de vakantietijd vragen mensen of ik hun bloemen water geef. Dat vind ik prima.'

Tegen het einde van de dag is er weer plaats genoeg op het terras van het Het Wapen van Bronkhorst. Alleen wordt de rust zo nu en dan verstoord door een motorclub die door het dorp heen ronkt. Bronkhorst ligt op de vaste route voor veel motor en oldtimer-clubs, en uiteraard op de route van fietsers en wandelaars. Bezoekers worden ook wel aangetroffen op de eigenaardigste plekken van het dorp - in achtertuinen bijvoorbeeld - in het kader van een puzzeltocht. En geregeld legt een bus bejaarden aan op de parkeerplaats. Sjef de Jong loopt dan voor ze uit naar de kapel, waar hij zijn Dickens-voordracht houdt. Huis- en kunstschilder Frans Brinkhorst was getuige van een van 'Scrooge's' succesvolste lezingen. 'Ik was de kapel aan het schil deren en net toen De Jong begon over geesten die van boven komen, kwam ik de ladder af. Zijn verhaal kon niet meer stuk.'

Brinkhorst schildert in zijn hoedanigheid van kunstschilder voornamelijk koeien in een Gelders landschap. Hij heeft zijn eigen atelier en expositieruimte in zijn huis aan de Bovenstraat. Nog niet zo lang geleden stonden de deuren van zijn expositieruimte vaak open, maar toen er een keer een bezoeker op de fiets naar binnen reed om een kijkje te nemen, bedacht hij het idee van een glazen vitrine. Zondags gaan zijn deuren sindsdien niet meer open.

Voor Van Brinkhorst en zijn vrouw Fenny, die sinds 1992 in Bronkhorst wonen, mag het sowieso wel een onsje minder met het toerisme in het dorp, zeggen ze 's avonds aan hun keukentafel. Zij: 'Ik vind het te commercieel worden. Je houdt het niet tegen, maar ik vind het zoals het nu is wel genoeg.'

Ze trof wel meer dagjesmensen aan op rare plaatsen. 'Stond er opeens een vreemde in de keuken. Ik zei: ''Wat doet u hier?'' Zegt die vrouw doodleuk: ''Nou, ik wou even kijken.'' Ik ontplofte zowat. Maar soms moet ik ook wel lachen om de vragen die mensen stellen. Ik stond laatst de ramen te lappen en toen vroeg iemand: ''Mevrouw, waar leven de mensen hier van?'' '

De vraag is niet zo onlogisch. Voor buitenstaanders heeft Bronkhorst wel iets van een sprookjesdorp waar het leven niet echt is en de winkeltjes dienen als decorstukken. Waar de kaasmakerij al jaren geen kaas meer maakt, maar haar producten van buiten betrekt. Dat is een gevaar, vindt Frans Brinkhorst. 'Je weet dat dit een toeristendorp is als je hier komt wonen. We hebben er ook geen last van, al is er veel veranderd in de acht jaar dat wij hier zijn. Maar je moet wel oppassen dat je niet doorslaat. En dat het niet te artificieel wordt. Bronkhorst is klein en er moet wel iets van een dorpsgevoel blijven bestaan. Het ouderwetse Bronkhorster saamhorigheidsgevoel bestaat volgens Brink horst eigenlijk alleen nog tijdens de jaarlijkse kermis. 'Dat wordt echt samen gevierd door nieuwe en oude bewoners. Er is hier van oudsher een schutterij en die bestaat nog in volle glorie. Donderdags doen alle mannen mee met vogelschieten en de winnaar moet een koningin kiezen. Er is veel muziek, er staat een feesttent en er wordt van alles georganiseerd. Je wordt geacht die paar dagen echt mee te doen en dat is erg leuk. Maar daarna trekt iedereen zich weer terug op zichzelf.'

Net als alle nieuwkomers in het dorp, hechten ook Frans en Fenny Brinkhorst erg aan hun privacy. Maar in de herfst, als het steeds langer durende toeristenseizoen voorbij is, kan hij het soms niet laten 's avonds even een kijkje te nemen in Het Wapen van Bronkhorst. 'In de zomer mijdt iedereen hier het café. Maar als het weer rustig is, komen sommige oorspronkelijke bewoners even een glaasje drinken aan de stamtafel. Daar hoor je de laatste nieuwtjes. Ik hou erg van dat dorpsgevoel. Ik zou ook graag willen dat hier weer een boer zou komen wonen, des noods gesubsidieerd. Een echt boerenbedrijf, waarbij de koeien 's ochtends door het dorp naar het weiland lopen. Ik zeg ook weleens: als de koeien hier in de omgeving weggaan, dan gaan wij ook weg. En zover is het al bijna. Dat is toch jammer.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden