Leven, hoe doe je dat?

Hoewel ze al in de jaren zestig naar Nederland verhuisde, schrijft Elisabeth Eybers (90) haar poëzie nog steeds in het Afrikaans, de taal van haar geboortegrond....

Door Piet Gerbrandy

Elisabeth Eybers kan met recht een oude vrouw worden genoemd. Negentig, dat is een leeftijd die de meesten van ons niet zullen bereiken, en mochten we die mijlpaal toch halen, dan is de kans groot dat we er niets zinnigs over te melden hebben. Het leven, althans een leven dat niet voortijdig plotseling wordt afgebroken, is immers een kringloop, waardoor je aan het eind weer net zo hulpeloos bent als in het begin:

Jou laaste stappe, aarselend dog ten seerste gewaag, herhaal die ritme van die eerste :

hoewel nie juis volkome onbesuis geskied jou voortgang meestal uit die vuis

Lopen wordt een vorm van improvisatie, maar dan zonder de virtuositeit van iemand die zich lang heeft kunnen voorbereiden. Zoals een kind niet weet waaraan het begint wanneer het ter wereld komt, moet ook een hoogbejaarde wennen aan een nieuwe wereld.

Als geen ander heeft Eybers de afgelopen twintig jaar verslag gedaan van de wijze waarop ze zich kwijt van de ingewikkelde, maar ook verrassende taak die ze op zich genomen heeft: oud worden. Met een indrukwekkende, want schijnbaar achteloze nauwkeurigheid noteert ze wat haar van jaar tot jaar overkomt. 'Alles word moeisaam en hobbelrig,/wat vroeër selfáánwakkerend was/verslind nou oordadige wilskrag,/die dagtaak 'n honger gewas.' De dagtaak gedraagt zich, zoals ook de Engelse vertaling van het gedicht duidelijk maakt, als een veeleisend gezwel. Maar 'die lus om te lewe verdwyn nie', integendeel, die neemt zelfs toe. Het lichaam is een machine die er nu eenmaal genoegen in schept in beweging te blijven. Toch wacht er aan het eind van de rit een nog veeleisender taak dan aan de gang te blijven: 'die inwendige opdrag om aanstons/ook die beproefde gebare te staak'. Dat is een paradoxale opdracht, maar 'die felste teenstrydigheid/vervloei met verloop van tyd'.

Hoe doe je dat, leven? Wat houdt die opdracht precies in? Kun je er goed in worden? Dat zijn vragen de Elisabeth Eybers (1915) sinds haar debuut in 1936 bezighouden. Geboren in een streng calivinistisch gezin in Zuid-Afrika, met een vader die Afrikaans, en een moeder die Engels sprak, is Eybers opgegroeid in een wereld die scherpe scheidslijnen kende. Het kenmerkt haar dat ze van meet af aan de grenzen heeft opgezocht en vraagtekens heeft gezet bij wat vanzelfsprekend leek. In het gedicht waarmee haar verzameld werk - de laatste druk dateert van vorig jaar - opent, is het meteen raak. De dichteres richt zich tot Maria, die opgezadeld werd met een moederschap dat vooral rampzalig zou zijn. In zes van de zeven strofen wordt haar de vraag gesteld of ze zich heeft gerealiseerd wat er allemaal zou gebeuren: 'En toe hy in jou arms lê,/sy mondjie teen jou volle bors,/het jy geweet dat hy sou sê/toe dit te laat was: Ek het dors!' Het antwoord op die vraag luidt uiteraard ontkennend, maar stel dat Maria het allemaal had kunnen voorzien, wat dan?

Het leven is een krankzinnige opdracht, daarom is zwangerschap een roekeloos experiment, een misplaatste poging Gods scheppingsdaad te imiteren. 'My hele lewe lank sal ek moet boet/omdat ek in ligvaardigheid en lus/jou uit bestaanloosheid se diepe rus/geruk het in die strik van vlees en bloed.' De gevolgen voor de moeder zijn vérstrekkend. Nooit zal ze meer zonder zorgen zijn, want

ná haar eerste uitdaag van die dood bly alles slegs 'n tweestryd tussen haar en hom, waarvan die afloop seker is.

Gedichten over kinderen, over moederschap en grootmoederschap, zelfs over achterkleinkinderen, zijn een constante in dit oeuvre. En het zijn over het algemeen geen lieve, maar keiharde gedichten. 'Jou nougesette buik volbring sy taak', zegt Eybers tot een barende vrouw, misschien tot zichzelf. Die taak bestaat uit het het ter wereld brengen van een kind, maar de buik doet zijn plicht zonder zich te bekreunen om 'hoe sy vrug die eensaamheid trotseer'. Vanaf de geboorte is het kind alleen. Later zal zijn hartspier 'vrugloos swoeg', in een nabootsing van de barensweeën, maar dan letterlijk vrucht-loos.

Iedereen is ontheemd vanaf het moment dat de navelstreng is doorgeknipt. Het gevoel een ontheemde, een verdwaalde te zijn, speelt al een rol in Eybers' werk lang voordat ze in de jaren Elisabeth Eybers zestig naar het kille Nederland verhuist. Maar de emigratie vervolmaakt haar ontworteling, alsof dit het leven is waarvoor ze bestemd was. Van tijd tot tijd, schrijft ze in 1973, wordt haar nog steeds die vreemde vraag gesteld: 'jy - meestal u - het langsaamaan wel tuis/geraak in hierdie land?' Beleefd beantwoordt ze de suggestie met een zuinig knikje, maar dit is wat ze denkt: 'Ek wortel elders, hoe sou ek my hier/kan tuis maak. Dinge en ek gaan aan mekaar verby/sonder herkenning .'

Met het besef hier niet thuis te horen, waarbij 'hier' misschien niet alleen Nederland, maar het hele aardse bestaan omvat, hangt een ander inzicht samen. In veel gedichten wijst Eybers elke vorm van categoriseren, van hokjesgeest af. Waar het haar poëzie betreft, is dat begrijpelijk. Hoewel ze al ruim veertig jaar in Nederland woont, is ze altijd in het Afrikaans blijven schrijven, en sinds de jaren zeventig ook steeds vaker in het Engels. Daar komt bij dat de strenge versvormen die ze steevast hanteert, decennialang niet bepaald modieus genoemd konden worden. Eybers hoort nergens bij, vandaar dat ze weleens hoogst geïrriteerd heeft gereageerd op critici die haar in een hokje wilden onderbrengen. Ook in moreel of politiek opzicht wil ze niet vastgepind worden: 'Wáár ek ook ophou of wanneer/hoop ek om nog oningehok te bly.'

Eybers wil het doen voorkomen alsof haar leven chaotisch en ongericht is: 'Vergeef my chaos, my onhandigheid', zegt ze, als zou ze zich als een ongeleid projectiel door het bestaan bewegen. Maar ondanks die 'kronkelige manier' van leven, waarbij 'al die presiese pyltjies' ontweken worden, is er het besef dat ergens een 'soort uitkoms' wacht, 'ook sonder die gestempelde biljet/wat toegang bied tot 'n mooi blokkiesryk'. Twijfel, onzekerheid, verbazing, maar ook een grenzeloze openheid tegenover de wereld zijn de eigenschappen die Eybers zichzelf toedicht. Enerzijds zegt ze: 'ek sit van dryfsand aanmekaar', anderzijds is er de laconieke constatering: 'Trefsekerheid waarmee jy kant nog wal/bereik neem langsaam toe, in elk geval.'

Hoe rommelig en onoverzichtelijk het bestaan ook moge zijn, de poëzie van Eybers is van een gebeeldhouwde precisie. Het ritme is krachtig maar wordt nergens tot ingesleten dreun, het trouwe rijm staat als een rots in de branding van de associaties, de gedachtegang van de meeste gedichten is tegelijkertijd vanzelfsprekend en verrassend. In veel opzichten doet de combinatie van helderheid en vindingrijkheid denken aan dichters als Hooft en Huygens. Met enige overdrijving zou je kunnen volhouden dat wat Eybers in haar oeuvre zegt één grote gemeenplaats is, maar de wijze waarop ze die formuleert is op bijna iedere bladzijde nieuw, en daarom belangwekkend. Ze speelt met paradoxen die voor de hand lijken te liggen, maar toch voor het eerst door haar zijn gevonden. Zo stelt ze vast dat ze met het klimmen der jaren niet minder maar juist meer geboeid wordt door wat er om haar heen gebeurt, ook al is dat niet wereldschokkend: 'Ek mis myself steeds minder', hetgeen aanvoelt als een 'zelf-afstotende groei'. Dan volgt deze strofe, die in de Muiderkring met bewondering zou zijn ontvangen:

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop om te voldoen aan omgekeerde bloei en leeg genoeg te loop om vol te loop met wat vanuit hierbuite binnevloei.

Hier wordt een bescheiden voornemen met zoveel gratie onder woorden gebracht, dat het iets onmiskenbaar aristocratisch krijgt: een onnadrukkelijke, maar daardoor des te natuurlijker vorm van verfijning.

Een van de geheimen van Eybers' dichtkunst schuilt in de compactheid van haar regels en strofen, die daardoor altijd een hoog soortelijk gewicht hebben. Geen overbodige woorden, geen loze beelden, geen ingewikkelde metaforen. Voor een deel is die gebeitelde vorm ook een eigenschap van het Afrikaans, dat in de loop der eeuwen zijn werkwoordsuitgangen heeft verloren, of misschien zou je moeten zeggen: afgelegd. Het gevolg is dat deze taal vaak met minder onbeduidende lettergrepen toe kan, dat één en hetzelfde eenlettergrepige woord de ene keer als zelfstandig naamwoord, de andere keer als gebiedende wijs of persoonsvorm gebruikt kan worden, en dat het soms ook gemakkelijker is een rijmwoord te vinden. Zo concies als in dit puntdicht krijg je het in het Nederlands niet gauw:

Sy swenkpas het haar meegeruk, laat struikel, weer orent gepluk:

só fel het sy nooit ondervind hoe taai die band is wat hulle bind.

Eybers' nieuwe bundel is, net als de vorige, geheel tweetalig. De laatste twee dubbelgedichten zijn gewijd aan het overlijden van haar zoon Bert. Op een karakteristieke, bijna zakelijke toon stelt ze vast dat haar taak erop zit:

Noudat jy swyg is daar niks meer vir my om ooit nog te begeer buiten die tydstip waarop ek dieselfde stilte mag betrek.

De laatste twee regels, die de stilte van de dood beschrijven als een nieuwe woning die je kunt betrekken, luiden in het Engels zo: 'except the freedom to abstain,/like you, from uttering words again.' Hier is de verhuizing een bevrijding geworden. Het eind van de ontheemdheid is in zicht. Ik hoop dat deze dichter nog even wacht met zwijgen, tot het zover is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden