Leuke stad vond ik Hengelo. Met huizen enzo

Pijn

Hoe je van retrorocker in een kermende patiënt verandert.

Dondagmiddag was ik in Hengelo. Ik at er soep, ik speelde gitaar, ik las wat voor en daarna wilde ik rustig naar huis rijden. Vlak naast mijn auto schopte iemand mij opeens in mijn buik. Van achteren kreeg ik twee vuisten op mijn nieren. Zo voelde het, maar ik zag niemand.

Vanuit het niets was ik van een op shoarma beluste retrorocker met een haarachterstand veranderd in een kermende patiënt. Het deed grote au. Ik vervloekte de TomTom toen hij eindelijk oplichtte. Een uur en 57 minuten rijden was de voorspelling en mijn pijngrens lag op ongeveer 34 seconden. Ik vroeg mijn vriendin of ze wilde rijden.

Naast haar probeerde ik de alles verlossende houding te vinden. Ik zette mijn voeten tegen het dashboardkastje en drukte mijn heupen omhoog. In die houding probeerde ik een zo luchtig mogelijke conversatie met mijn vriendin te voeren. Leuke stad vond ik Hengelo. Met huizen enzo. Mooi stratenplan ook. Daar was over nagedacht.

'Gaat het?', vroeg mijn vriendin. Ik begon te huilen. Ik voelde de vlammende pijn die onafgebroken door mijn lendenen trok. 'Ik moet geloof ik een heel klein beetje spugen, denk ik.' Mijn vriendin parkeerde de auto naast zestien cruisende homoseksuelen en verkopers van Armeense horloges. En daar gingen we weer.

Het werd steeds gekker. Er dreigde een ziekenhuisopname in Amersfoort. Ik overlegde met mijn vriendin. Ik kende daar niemand. Misschien keek ik uit op een muur of ik lag op een kamer met iemand die ik niet verstond, maar die mij wel van alles wilde vertellen. We besloten naar huis te rijden. Ik kan me niet heel veel van die tocht herinneren, alleen eigenlijk een blinde woede die ik ontwikkelde tijdens het luisteren naar arabiste Petra Stienen die op Radio 1 over haar nieuwe boek sprak.

Ik lag met mijn schoenen tegen het autodak en met mijn kruin op de kokosmat en schreeuwde door de uitzending heen. Ik weet niet meer wat. Mijn vriendin wel. Ik schijn geroepen te hebben: 'Ga dan verdomme naar Roermond, met je hoofd. Ga dan. Ga naar Roermond, hoofd!'

Eenmaal thuis veranderde er niets. Ik liep nog steeds in de rondte met een luxe messenset in mijn buik. Ik hoorde mijn vriendin door de telefoon tegen een dokter praten. 'Nu loopt hij de trap op en neer. Nee wacht, nu legt hij zijn hoofd op tafel. Wacht even, hij zegt iets. (...) Hij komt net uit Hengelo, zegt hij. Daar hebben ze bomen. Ja, hij zweet heel erg. Goed, fijn.'

Een kwartier later lag ik in een ambulance. Een asgrauwe vijftiger met blauwe plakkertjes op zijn borst. Er hingen 34 draden uit mijn heup, maar dat had 'verder niets te betekenen'. Als ze gingen rijden dan kon dat heel even 'een onplezierig gevoel geven'. Ik kreeg mijn eerste infuus ooit.

Nou ja, lezers, het was een niersteentje dat vastzat. In het ziekenhuis schoot het blijkbaar los en meteen kreeg ik weer praatjes. Zo gaat dat met Amsterdammers in ziekenhuizen. Die gaan leuk doen. Zo blij was ik dat ik geen pijn meer had. Een doktersmevrouw zei dat ik thuis door een zeefje moest plassen, waarop ik iets grappigs zei waar niemand om moest lachen. Bij de nachtapotheek mocht ik van mijn vriendin niets meer zeggen. Ze wees af en toe naar mij. Dan zwaaide ik. Zo blij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.