Leugens en sterke verhalen

Verzetsstrijders of verraders: wat maakt het uit? Hun motieven zijn voor Willem Frederik Hermans even duister. Mensen zijn jungledieren en de oorlog is het ideale moment om dat te bestuderen. Of toch niet?

Ewoud Kieft (1977) is een jonge historicus met een inmiddels stevige staat van dienst. Zijn eerste boek, Het plagiaat (2006), ging over het literaire en morele debat in het interbellum. Vorig jaar promoveerde hij op een proefschrift over oorlogsenthousiasme in Nederland aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. En nu, 35 jaar oud, publiceert hij zijn derde boek, over Hermans en de Tweede Wereldoorlog. Intussen schijnt hij ook nog songteksten te maken en in een band te spelen.


Oorlogsmythen is verschillende boeken in één. Het hoofdthema is de rol die de Tweede Wereldoorlog speelt in het werk van Willem Frederik Hermans en het mensbeeld dat daaruit naar voren komt. Daarnaast wordt veel aandacht besteed aan de beeldvorming van die oorlog in het algemeen en de rol die de oorlog nog steeds speelt, bijvoorbeeld in het debat over de multiculturele samenleving. Daarmee krijgt het boek onvermijdelijk een morele klemtoon. De morele vragen die de oorlog oproept, weet Kieft elegant te verbinden met zijn eigen geschiedenis, met het verhaal van zijn opa die als verzetsman opgepakt en vermoord werd.


Centraal in het boek blijft het beeld van de oorlog in het werk van Hermans, vooral het beeld van het verzet. Wie het werk van Hermans kent, weet dat verzetshelden bij hem even onbetrouwbaar zijn als verraders en hun motieven even duister als die van de bezetters. En wat we ervan weten is een amalgaam van leugens en sterke verhalen. Kieft weet aannemelijk te maken dat dit beeld van Hermans het resultaat is van eigen ervaringen, een geïsoleerde opvoeding, de zelfmoord van zijn zuster.


En dat ze een explosief mengsel van buitengesloten zijn en dadendrang, eenzaamheid en agressie opleverden.


Hij gaat vooral in op twee belangrijke kwesties, de opvatting van Hermans van de kenbaarheid van het verleden en zijn mensbeeld in het algemeen. Bij Hermans is de gang van zaken in de oorlog principieel onkenbaar, omdat we nu eenmaal niet alle feiten kennen. Het gevolg is dat iedereen zijn eigen oorlog samenstelt uit een willekeurige selectie van de feiten: iedereen schept zijn eigen mythe. Kieft verzet zich daar tegen. Geschiedenis is voor hem een redelijke bezigheid voor redelijke mensen. We hoeven niet alles te weten en we weten vaak voldoende om allerlei mythes te ontmantelen.


Groter kritiek nog heeft hij op het mensbeeld van Hermans. Mensen zijn volgens Hermans jungledieren en de oorlog is het ideale moment om dat te bestuderen. Elk besluit wordt in het onderlichaam genomen, de mens is een gedetermineerd wezen en het toeval bepaalt zijn bestaan. 'Wat is een held?' vraagt de verzetsman Labare zich in De donkere kamer van Damokles af, om als antwoord te geven: 'Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest.' Het cynisme van dit antwoord werd ook destijds, ondanks de vrijwel unanieme lof die deze roman ten deel viel, bestreden. Jef Last bijvoorbeeld moest niets hebben van een literatuur 'die de rancuneuze nietskunner tot zijn held verheven heeft en haar voornaamste taak nu ziet in het insinueren, dat ook alle anderen in waarheid slechts klungels, of tot niets in staat zijn'.


Ondanks zijn bewondering voor het werk van Hermans deelt Kieft deze kritiek. En hij laat die heel effectief verwoorden door iemand uit de directe omgeving van Hermans, een leraar die bij Hermans in de straat woonde, een zekere Henk Jonkman. Jonkman zat zelf tot over zijn oren in het verzet en wist het meeste wat hij deed voor Hermans verborgen te houden. Op grond van het weinige dat hij wel wist, modelleerde Hermans in De tranen der acacia's naar deze Jonkman 'het type van de verzetsman', een zekere Proost, een leugenaar en een opschepper. De zoon van Jonkman heeft Kieft inzage gegeven in de dagboeken van zijn vader en hem daarmee in staat gesteld een onthullend inzicht te geven in de manier waarop Hermans met zijn werkelijkheid omging.


Toch is het boek allerminst een veroordeling van Hermans. Een van de meest intrigerende en innemende delen ervan bestaat uit het onderzoek dat Kieft deed naar de verzetsgroep van zijn opa, de manier waarop die groep door verraad opgerold werd. Dat verhaal leeft als een mythe in zijn eigen familie en onderzoek ernaar leidt hem, tot zijn onthutsing, tot de conclusie dat op belangrijke vragen geen antwoord te geven valt. Dat lijkt de conclusie van Hermans, maar daar legt Kieft zich niet bij neer. Het belangrijkste voor hem is dat die opa een besluit nam en have en goed over had voor dat besluit. Hij en zijn kompanen waren niet de gedetermineerde wezens van Hermans, maar vrije mensen.


En toch, vraagt een door Hermans geïnfecteerde lezer zich af, en toch. Die opa was een zwaar gereformeerde man. Zijn verzet was Gods gebod. Zonder het belang van dat verzet te bagatelliseren en op een stevige theologische fundering kan men zich afvragen hoe vrij dat wilsbesluit van die opa was. Een hogere opdracht is evident een steviger basis voor verzet dan het water en brood geloof van een verdund humanisme dat de meesten ter beschikking stond. Dat gold ook voor de intense haat van de communisten voor de nazi's. Geloof, zou Hermans zeggen, wordt het beste door geloof bestreden. Wie geen geloof heeft zoals hij (en zoals wij) doet er beter aan oorlogen te vermijden.


Ewoud Kieft: Oorlogsmythen - Willem Frederik Hermans en de Tweede Wereldoorlog.

De Bezige Bij; 286 pagina's; € 18,90.


ISBN 978 90 234 7154 7.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden