Letter & Geld

Kroegbazen, garagehouders, parlementariërs en Winnie Sorgdrager hebben iets gemeen: ze zijn allemaal ontstemd over de wildgroei van het auteursrecht. Wat ooit was bedoeld om armlastige kunstenaars een fatsoenlijk inkomen te bezorgen, is verworden tot 'een rijk gevulde clubsandwich' waar vooral de exploitanten van kunstwerken van lijken te smullen....

WANNEER Vincent van Gogh geen geld meer had om de kastelein te betalen, placht hij de absinth met een schilderij of een tekening te betalen. De woekerwinsten die de kunsthandel later met zijn werken maakte, gingen daardoor aan zijn neus voorbij. Inmiddels hebben de Fransen daar iets op gevonden. Kunstenaars die ooit hun werk hebben geruild voor een borrel of een stuk brood en dit later voor miljoenen van de hand zien gaan, hebben recht op een percentage van deze waardestijging.

Voor Vincent komt dit zogeheten volgrecht natuurlijk te laat. Ook zijn wettige en testamentaire erfgenamen zijn allang tot stof vergaan. In veruit de meeste gevallen zullen de inkomsten uit dit volgrecht ten goede komen aan anonieme instituten, zoals musea, overheden en stichtingen die de artistieke nalatenschap beheren.

Deze uitkomst symboliseert de huidige stand van wat nog steeds 'auteursrecht' heet, maar zo langzamerhand net zo goed 'exploitantenrecht' zou kunnen worden genoemd. Het auteursrecht is ontstaan om veelal armlastige scheppers van kunst, literatuur en wetenschap te laten delen in de opbrengst van hun werken. Meer dan een eeuw later is dat nobele principe in de schaduw komen te staan van een andere opvatting. Om met Paul Steinhauser te spreken, een advocaat die van dit rechtsgebied zijn specialisme heeft gemaakt: 'Het auteursrecht is bedoeld om de kassa van de rechthebbenden zo vaak en zo lang mogelijk te laten rinkelen.'

In de vensterbank van zijn kantoor staan de stille getuigen van deze omwenteling: flessen en andere verpakkingen van bekende consumentenmerken, omringd door illegale naäpers. Want naast de Zonnebloemen van Van Gogh zijn ook de Marlboro van Philip Morris en het Zeeuws Meisje van Jurgens & Van den Bergh auteursrechtelijk beschermd. Unilever heeft zelfs enkele standjes van het margarine-meisje laten deponeren, zo bleek onlangs nadat het automerk Mazda was betrapt op misbruik van de Zeeuwse schone.

Geld verklaart waarom Unilever deze moeite neemt - veel geld. De Stichting Economisch Onderzoek (SEO) van de Universiteit van Amsterdam (UvA) rapporteerde in 1982, 1985 en 1989 over de economische betekenis van wat zij zelf veelbetekenend aanduidt als de auteursrechtelijke 'industrie' in Nederland. Besloeg deze in 1982 2,4 procent van het bruto nationaal produkt, drie jaar later was dat 2,8 procent en in 1989 zelfs 4,5 procent - goed voor bijna twintig miljard gulden aan toegevoegde waarde voor onze economie.

De SEO-cijfers omvatten de totale 'auteursrechtelijk relevante' toegevoegde waarde van software- en consumentenmerk-producenten, uitgevers, platen- en omroepmaatschappijen, schrijvers, journalisten en componisten. Het overgrote deel van die toegevoegde waarde komt voor rekening van de puur commerciële merkenrechten. Maar ook bij de auteursrechten in de meest oorspronkelijke, min of meer culturele zin zijn de bedragen aanzienlijk: zo'n zeshonderd miljoen gulden, waarvan een kleine 60 procent ten goede komt aan de auteurs (zie tabel).

Tot voor kort kon deze geldmachine in rust en anonimiteit zijn gang gaan. Maar de laatste maanden maakte een reeks van incidenten hier een abrupt einde aan. Eerst kwamen de kroegbazen in opstand, omdat zij nieuwe rechten moeten gaan betalen voor de sportevenementen die zij op de tv in hun etablissementen vertonen. Later protesteerden ook de garagehouders, omdat zij worden aangeslagen voor de radio die hun personeel van de broodnodige arbeidsvitaminen voorziet.

De boze ondernemers verkeren in goed gezelschap. Enkele weken geleden huilden de Eerste Kamer en minister van Justitie Winnie Sorgdrager in zelden vertoonde gemeenschappelijke verontwaardiging over een wetsvoorstel, dat definitief had moeten afrekenen met de Hollandse ziekte om maar overal gratis fotokopietjes van te trekken. Vooral de intensieve lobby vóór deze nieuwe wet was bewindsvrouw en parlementariërs, toch wel wat gewend op dit gebied, in het verkeerde keelgat geschoten.

Oorzaak van deze weerstand is een ware wildgroei aan auteursrechtelijke heffingen, die blijkbaar de grenzen van het maatschappelijk incasseringsvermogen heeft bereikt. Sommige zijn wettelijk geregeld, zoals het repro-recht, andere berusten op vrijwillige afspraken tussen industrie en (organisaties van) auteurs, zoals de vaste percentages die boekenauteurs krijgen uitgekeerd naar rato van de verkochte oplage.

Egbert Dommering, hoogleraar en advocaat van onder meer Veronica en NRC Handelsblad, sprak in dit verband onlangs over een 'rijk gevulde clubsandwich' van 'rechten, rechtjes en vergoedingsaanspraken', die nog slechts 'ten koste van een kaakverrekking valt te verorberen'. Een andere kritische jurist is Bernt Hugenholtz, net als Dommering advocaat en daarnaast werkzaam bij het Instituut voor Informatierecht van de UvA. 'De oude garde van auteursrechtspecialisten maakte zich juist sterk voor iedere toevoeging aan die clubsandwich', aldus Hugenholtz. 'De huidige generatie stelt zich veel kritischer op.'

De sandwich van Dommering dankt zijn ontstaan aan de historie en bijzondere aard van het auteursrecht. Om te beginnen is een typisch kenmerk van de auteursrechten, dat de uitoefening ervan niet in handen is van de eigenlijke rechthebbenden, maar van speciaal daarvoor opgerichte instanties. Deels heeft dat een praktische reden. Het is voor een individuele Vincent van Gogh eenvoudig ondoenlijk om zelf bij te houden waar en wanneer zijn werken worden tentoongesteld en gekopieerd voor ansichtkaarten, t-shirts en posters, laat staan om tijdige betaling te verzekeren.

Een tweede reden is, dat de gelden moeten worden verdeeld over een aantal rechthebbenden. Tenslotte moeten exploitanten van kunst, literatuur en wetenschap, zoals uitgevers en omroepmaatschappijen, fors investeren om deze werken onder een breed publiek te verspreiden. Daarom krijgen ook zij een aandeel in de opbrengst.

IN HET beleg van de clubsandwich vormen de muziekrechten de oudste en rijpste laag. Mutatis mutandis geldt hetzelfde voor de instantie die bij wet als enige is aangewezen om deze rechten te innen en verdelen: Buma voor muziek-uitvoeringen, en Stemra voor muziek-opnames.

In samenwerking met de industrie ontwikkelde Buma-Stemra in de loop van zijn tachtigjarige bestaan een reeks van complexe formules, die de hoogte bepalen van de af te dragen rechten. Veelal gaat het om schattingen van publieksaantallen, kijk- en luisterdichtheid en de verkoop van toegangskaarten en 'geluidsdragers' zoals cd's en cassettes. Eén blik in de jaarverslagen leert, dat Buma-Stemra goede zaken doet voor de muziek-auteurs. Tweederde van de geïnde gelden komt bij hen terecht, en minder dan 5 procent dient ter dekking van de kosten van inning en verdeling. De Buma-aanpak staat dan ook model voor de incasso-clubs die zich over de talloze andere 'rechten en rechtjes' ontfermen.

Maar er zijn ook keerzijden. Enkele jaren terug kwam Buma in opspraak door een miljoenen-investering in de commerciële radiozender Radio Noordzee Nationaal (RNN). Het was een duidelijk geval van belangenverstrengeling, want de toenmalige sterke man van de Buma was zelf aandeelhouder in RNN. Bovendien zijn de Buma-gelden niet bedoeld voor dergelijke riskante investeringen.

Geleidelijk aan is het auteursrecht verworden tot een onderonsje tussen overheden, grote concerns en professionele instituten zoals Buma-Stemra, en de uitkomsten weerspiegelen dan ook vooral de belangen van het grote geld. Richtlijnen vanuit Brussel, waar de media-lobby bijzonder sterk is, getuigen hiervan.

De eminente Nederlandse jurist Ton Koopmans riep onlangs zijn collega-juristen op tot meer waakzaamheid voor de monopolistische aspecten van het auteursrecht. 'Als rechter in het Hof van Justitie (van de Europese Gemeenschap) ontmoette ik octrooien en auteursrechten vrijwel uitsluitend als middelen van marktbeheersing', schreef de huidige advocaat-generaal bij de Hoge Raad in juni 1994.

Piet Mondriaan, wiens werk nu te bewonderen is in het Haagse Gemeentemuseum, kan daar postuum over meepraten. Normaal gesproken zouden de rechten op zijn werk op 1 januari van dit jaar, 50 jaar na zijn dood, zijn vervallen. Inmiddels ligt dat anders. De Europese wetgever wilde die vervaltermijn, in Nederland 50 jaar maar bijvoorbeeld in Duitsland 70 jaar, harmoniseren. Tot ieders verbazing harmoniseerde Brussel naar boven en trok de termijn op naar 70 jaar.

En daar bleef het niet bij. Onder bepaalde voorwaarden kunnen reeds overleden rechten herleven. De rechten op Mondriaans schilderijen herleven op 1 juli. Niemand, zelfs de knapste juristen niet, weet hoe auteursrechtelijke aanspraken tussen 1 januari en 1 juli moeten worden behandeld.

Maar ook op nationale schaal doen zich bizarre situaties voor. De Stichting Beeldrecht bestookt diverse media sinds enige tijd met procedures, om hen te bewegen rechten te betalen over afbeeldingen van kunstwerken. De Stichting claimt zelfs zeggenschap over de verhouding tussen beeld en begeleidende tekst.

Blijft het plaatje onder een bepaald formaat, dan betreft het een rechtenvrij 'citaat'; wordt het groter, dan zouden rechten verschuldigd zijn. Dat is in strijd met de vrijheid van meningsuiting, vindt Willem van Manen, de advocaat van de Volkskrant die met een proefprocedure tegen Beeldrecht een rechterlijk oordeel over deze kwestie wil uitlokken.

Een ander voorbeeld is het repro-recht, waar de Eerste Kamer zich zo over opwond. Het vindt zijn oorsprong in de readers die de universiteiten voor hun studenten produceren. Deze bundels bevatten fotokopieën van eerder gepubliceerde wetenschappelijke werken. Sinds het repro-recht is ingevoerd, betalen de universiteiten daar rechten over. 'Maar de gekopieerde werken zijn meestal aan diezelfde universiteiten vervaardigd', merkt Bernt Hugenholtz op. 'Ze betalen dus rechten over hun eigen produktie aan een Stichting Reprorecht, die met de academische wereld niets heeft te maken.'

Aantasting van het zelfbeschikkingsrecht van de auteurs is een ander kenmerk van het moderne exploitantenrecht. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de nieuwe wet op het leen- en verhuurrecht, die vooral de bibliotheken zwaar zal treffen in hun toch al slinkende portemonnee. De beheerder van de bibliotheken, het ministerie van OCW, heeft alvast eenzijdig bepaald wat het aan leenrechten denkt af te dragen: vier ton. De Nijmeegse hoogleraar Anton Quaedvlieg schreef in dit verband over 'een gouden kooi, waarin de auteur zelf nog slechts naar zijn voerbak en terug kan hippen'.

KEES HOLIERHOEK, voorzitter van de Auteursraad, is dan ook een sterk voorstander van wat in jargon 'directe repartitie' heet: rechtstreekse verdeling onder de auteurs naar rato van de royalties die zij van hun uitgever ontvangen. 'Op die manier krijgt de auteur een helder beeld. Dan gaan die auteursrechten ook veel meer voor hem leven.' Ook bepleit Holierhoek eenheid in de inning en verdeling van de gelden. 'Met ieder nieuw Bumaatje neemt de verwarring toe. Het is ook niet in het belang van de auteurs, want de potten met geld worden er niet groter door.'

Intussen gaat de stroom nieuwe heffingen gewoon door, ongeacht de recente protesten. Het meest vèrgaand, en het meest omstreden, is de heffing die onlangs café- en garagehouders in de gordijnen joegen. Bij hen en bij alle andere ondernemers met een radio of tv in hun zaak plofte onlangs een brief op de mat. 'Per 1 juli 1993 is de Wet op de Naburige Rechten in werking getreden', zo schreef de Stichting ter Exploitatie van Naburige Rechten (SENA). 'Deze wet geeft uitvoerende musici en platenproducenten het recht op een billijke vergoeding, wanneer de door hen vervaardigde geluidsdragers (geluidsband, plaat, cd etcetera) in het openbaar ten gehore worden gebracht via afspeelapparatuur, radio of tv.'

Hoe 'billijk' de vergoedingen zijn die de SENA vraagt, bleek uit de bijgesloten brochure. Voor 1994 een bedrag van 114,25 gulden voor bedrijven met hooguit tien werknemers, oplopend tot 913,92 gulden wanneer er honderd tot tweehonderd man in dienst zijn - met een opslag van 229,50 gulden voor iedere honderd man daarboven. Doen bedrijven 'niet vrijwillig' aangifte voor de naburige rechten, dan verhoogt de SENA deze bedragen eenzijdig met eenderde.

Zelfs de auteur van dit verhaal kreeg zo'n brief, omdat hij ooit een blauwe maandag freelancer is geweest met kantoor aan huis. 'Binnen ons bedrijf/vestiging wordt uitsluitend naar muziek geluisterd in ons bedrijfsrestaurant', aldus een optie op het bijgaande invulformulier. 'De totale oppervlakte hiervan bedraagt: . . . m2.' Gelieve aan te kruisen wat van toepassing is.

'Tegen de lobby van de exploitanten kan een handvol kritische juristen weinig inbrengen', stelt Bernt Hugenholtz spijtig vast. Winnie Sorgdrager en de leden van het parlement zullen zich nog vaak een kaakverrekking moeten eten aan de clubsandwich van het auteursrecht.

NO

TABEL PRINTEN VAN MICROFICHE

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden