Lessen uit de shoah PLEIDOOI VOOR EEN NIEUWE POLITIEKE MORAAL

EEN BEZOEK aan een goede boekhandel of een blik in de krant is voldoende om vast te kunnen stellen dat de aandacht voor de Tweede Wereldoorlog ook na het herdenkingsjaar 1995 allerminst is verslapt....

Een opvallend verschijnsel in deze brede en gevarieerde stroom is de snelle groei van het aantal publicaties met een meer beschouwend karakter - een verschuiving die ook goed zichtbaar is in de jaarlijkse literatuuroverzichten in de jaarboeken van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Actuele politieke en morele kwesties - de opkomst van extreem rechts, euthanasie, racisme, oorlog en volkenmoord - dwingen tot een voortdurende herbezinning op deze geschiedenis.

In dit soort studies gaat het minder om het precieze verloop van de gebeurtenissen dan om de betekenis daarvan voor de hedendaagse cultuur. 'Auschwitz', als symbool van de nazistische vernietigingspolitiek, is in deze optiek geen gesloten boek, maar een episode waaraan we belangrijke inzichten over de moderne mens en - meer in het bijzonder - de westerse samenleving kunnen ontlenen.

In tegenstelling tot de heersende opvattingen in de eerste decennia na de oorlog worden de nazistische terreur en de industriële moord op miljoenen als 'onwaardig' beschouwde burgers niet langer gezien als het werk van enkele krankzinnigen of een afwijking van de 'normale' westerse geschiedenis, maar als een van de mogelijke verschijningsvormen van de moderne beschaving, zoals Zygmunt Bauman het uitdrukte in Modernity and the Holocaust, een baanbrekend en veelgeprezen werk uit 1989, waarvan onlangs bij Boom een Nederlandse vertaling verscheen.

De actuele betekenis van de nazistische verschrikkingen vormt ook het uitgangspunt van een verzameling essays van Norman Geras, hoogleraar aan de universiteit van Manchester. De bundel, getiteld The Contract of Mutual Indifference, laat zich karakteriseren als een hartstochtelijk pleidooi om de ervaringen van de shoah om te smeden tot een leidraad voor een nieuwe politieke moraal.

Te lang hebben politieke denkers zich van deze geschiedenis afzijdig gehouden, vindt Geras. Terwijl de shoah diepe sporen kerfde in de literatuur, filosofie, geschiedschrijving en sociologie, heeft de politieke theorie zich nog maar nauwelijks beziggehouden met de vraag welke consequenties aan deze ervaringen moeten worden verbonden.

Zowel in de getuigenissen van de overlevenden als in de wetenschappelijke en beschouwende werken over de vervolging en vernietiging dringt zich telkens weer diezelfde beslissende vraag op, aldus Geras: hoe is het mogelijk dat deze massamoord vrijwel ongehinderd heeft kunnen plaatsvinden? Historisch onderzoek maakt duidelijk dat hierop verschillende antwoorden kunnen worden gegeven, maar aan één conclusie valt niet te ontkomen: deze massamoord was mogelijk omdat de meerderheid van de mensen uiteindelijk onverschillig stond tegenover de gebeurtenissen.

Onverschilligheid heerste in Duitsland, maar evengoed in de bezette gebieden, in de steden en dorpen, straten en pleinen vanwaar de joden en andere ongewenste groepen werden weggevoerd. De omvang van de groep die actieve hulp bood, viel in het niet bij de passieve meerderheid. De omstanders keerden zich in grote meerderheid af, men kon, men wilde het niet zien, sloot zich af voor het onheil dat over vrienden, buren, landgenoten werd uitgestort. Er zijn natuurlijk legio redenen aan te voeren waarom die meerderheid zich niet uit alle macht inzette voor de vervolgden, betoogt Geras. We kennen die redenen en kunnen er begrip voor opbrengen: men was bang, men voelde zich onmachtig, had andere verantwoordelijkheden of achtte zich niet de eerst aangewezene om hulp te verlenen.

Maar het gevolg was wel dat een betrekkelijk kleine groep nazi's in staat was de vernietigingsmachine - de uitsluiting uit de samenleving, de razzia's en deportaties, de massamoorden - volop te laten werken. In de woorden van Ian Kershaw: 'De weg naar Auschwitz was gebouwd op haat, maar geplaveid met onverschilligheid.'

Hoe verschrikkelijk de gevolgen van dit gebrek aan hulp en steun ook zijn geweest, we hebben er volgens Geras weinig of niets van geleerd. We volharden in onze onverschilligheid. Nog steeds sterven mensen van honger en zuchten anderen onder het juk van een bloedige terreur. Terwijl in het grootste deel van de wereld martelingen aan de orde van de dag zijn, bewijzen Cambodja, Oost-Timor, Irak en Rwanda dat genocide nog steeds mogelijk is. Over de rechten van de mens is veel nagedacht, ze zijn officieel afgekondigd, maar de handhaving ervan wordt feitelijk overgelaten aan overheden die in veel gevallen als de grootste boosdoener moeten worden aangemerkt.

We hebben weinig van de shoah geleerd, vindt Geras. Sterker nog: relatief gezien doen we vandaag de dag nog minder dan tijdens de oorlog. Wij hebben immers nauwelijks argumenten om niets te hoeven doen, we lopen zelf geen gevaar, we hebben meer geld en tijd dan ooit. Toch hoeft de hongerende Afrikaan of de vervolgde Timorees niet echt op ons te rekenen, zomin als de zwerver op het station of de mishandelde jongen voor de deur van de disco. We sluiten onze ogen en redeneren net zo lang tot ons schuldgevoel is verdwenen.

Maar wanneer wij het normaal vinden om niets te doen, wanneer we geloven dat het onze plicht niet is om - voorzover dat redelijkerwijs in ons vermogen ligt - hulp te verlenen aan mensen in nood, dan mogen we van anderen niet verwachten dat ze ons te hulp schieten, wanneer het met ons mis gaat.

Het is een onaangename conclusie, betoogt Geras, maar de omstandigheden in de wereld tonen aan dat de heersende patronen in de onderlinge verhoudingen ook nu nog dit contract van wederzijdse onverschilligheid volgen. En zolang dit het geval is, heeft het kwaad vrij spel en zullen alle dromen over een betere wereld en mensenrechten illusoir blijken te zijn.

AAN DE ANDERE kant biedt het feit dat er - zowel ten tijde van de wereldoorlog als vandaag de dag - individuen zijn die zich wél belangeloos actief inzetten voor mensen in levensbedreigende omstandigheden, hoop op een andere morele orde. Geras citeert in dit verband een Nederlander die, gevraagd naar zijn motieven om in het verzet te gaan, opmerkte: 'Wat kon je anders doen? (. . .) Dat spreekt toch voor zich. (. . .) Wanneer je ziet dat er onrecht wordt gedaan, dan doe je daar iets tegen.' Zelfs in het concentratiekamp, waar de terreur, de honger en de dood alle beginselen van de moraal leken te hebben uitgebannen, was de onderlinge solidariteit niet verdwenen.

In deze voorbeelden ligt een perspectief op een ander moreel universum besloten, betoogt Geras, een perspectief op een wereld, gebaseerd op wederzijdse steun en hulp. En het is aan ons een keuze te maken: binden wij ons aan het contract van wederzijdse onverschilligheid, of kiezen we voor een andere morele en politieke orde, waar hulp geen recht maar een plicht is?

In het vervolg van zijn betoog onderzoekt Geras uitvoerig de grondslagen en praktische grenzen van de verschillende morele en politieke modellen. Daarbij moeten bestaande politieke theorieën het ontgelden, te beginnen met het liberalisme, dat zich in zijn ogen te zeer oriënteert op het negatieve sociale beginsel van non-interventie. Het liberalisme sluit de idee van wederzijdse morele plichten ten enenmale uit en verbindt zich daarmee aan het contract van onverschilligheid.

Maar ook allerlei socialistische theorieën, gebaseerd op een onbeperkt - en ongegrond - vertrouwen in de goedheid van de mens, wijst de Britse filosoof af. De geschiedenis en de ervaring leren dat het kwaad niet eenvoudigweg kan worden herleid tot de maatschappelijke omstandigheden. En zo loopt Geras' poging Auschwitz een plaats te geven in het politieke denken uit op een pleidooi voor een radicaal ethisch socialisme.

De essays van de Britse filosoof vormen, zoals gezegd, geen uitzondering in de vloed van boeken en artikelen die jaarlijks over de wereldoorlog verschijnen. Het grootste deel van die publicaties handelt evenwel niet over zulke brede historische, filosofische en politieke kwesties, maar over de concrete details van de oorlog. Welbeschouwd voegen veel van deze werken weinig tot niets toe aan ons inzicht in deze episode: dikwijls gaat het om geïsoleerde verhalen, die de gaatjes in onze feitelijke kennis opvullen en soms niet meer dan een anekdotische waarde bezitten.

De betekenis van dergelijke publicaties ligt meestal op een ander vlak: het gaat niet zozeer om het gewicht van de beschreven gebeurtenissen, maar om het vertellen zélf. Deze geschiedenis wordt geschreven als ritueel, als bindend element in de publieke herinnering of als eerbetoon aan een persoon, instelling of bevolkingsgroep.

OOK IN HET Negende jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie kan men voorbeelden van deze - weinig verrassende - vormen van geschiedschrijving aantreffen. Zo bevat de bundel een bijdrage over het werk van de journalist Joseph Kolkman, die tot zijn arrestatie en deportatie naar Buchenwald honderden Nederlanders vanuit Vichy Frankrijk hielp ontsnappen, en een artikel over de grote betekenis van J.K. van der Haagen voor de bescherming van het Nederlandse kunstbezit tijdens de bezetting. Nuttige, maar weinig baanbrekende stukken, evenmin als het schoolse overzicht van Oene van der Wal over de invloed van de processen tegen de oorlogsmisdadigers Barbie en Touvier op de publieke herinnering in Frankrijk.

Deze negende aflevering van Oorlogsdocumentatie '40-'45 bevat eigenlijk maar twee bijdragen die er een beetje uitspringen, afgezien van de vaste rubrieken (waaronder het literatuuroverzicht, samengesteld door vakreferent Dick van Galen Last, en het foto-essay, dat ditmaal gewijd is aan het leven in een opvangcentrum in de kazerne van het voormalige concentratiekamp Bergen-Belsen; dit complex werd na de bevrijding in april 1945 ingericht als opvangkamp voor duizenden joodse overlevenden, voornamelijk afkomstig uit Oost-Europa).

Een minder bekend terrein wordt betreden in een artikel over de massale inzet van Indonesische dwangarbeiders door de Japanners in de gebieden buiten Java. Arbeid vormde het hart van de Japanse bezettingspolitiek, aldus de historicus Remco Raben, die zijn onderzoek baseerde op Australische militaire archieven. Het artikel sluit aan bij de groeiende internationale aandacht voor het lot van de niet-Europese bevolking onder de bezetting. Het beeld dat daaruit naar voren komt, is dramatisch: de massale mobilisatie van arbeidskrachten in het kader van de Groot-Aziatische politiek leidde niet alleen tot een volledige ontwrichting van de samenleving, maar ook tot een massale sterfte.

Van bijzondere waarde is de bijdrage van de journalist Ab Caransa over het leven in Theresienstadt, het door de nazi's gevormde 'modelgetto' in het huidige Tsjechië. Het is een ontluisterend, verwarrend en ontroerend verslag van een man die na een halve eeuw terugblikt op zijn ervaringen als 17-jarige jongen in een kamp waarvan de gevangenen als 'bevoorrecht' werden beschouwd, omdat ze niet direct naar een vernietigingskamp werden gestuurd. Niettemin kwamen er 35 duizend mensen om in deze wereld vol tegenstrijdigheden, waar onderlinge tegenstellingen, ellende en angst een intensief sociaal en cultureel leven niet in de weg stonden.

Frank van Vree

Norman Geras: The Contract of Mutual Indifference - Political Philosophy after the Holocaust.

Verso; 181 pagina's; * 63,90.

ISBN 1 85984 868 0.

Gerard Aalders en anderen: Oorlogsdocumentatie '40-'45 - Negende jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie.

Walburg Pers; 271 pagina's; * 39,50.

ISBN 90 5730 016 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden