Leren weer te genieten van de Tour

Vandaag begint de honderdste editie van de Ronde van Frankrijk. Mocht u na alle dopingverhalen hebben besloten het evenement de rug toe te keren: je kunt de Tour liefhebben en haten tegelijkertijd. Dat vergt wel een andere manier van kijken.

Op vrijdagochtend meldt Lance Armstrong zich plotseling weer eens in het wielerdebat. In een interview met de Franse krant Le Monde, de krant die hem tijdens zijn carrière de stuipen op het lijf joeg, zegt hij dat de Ronde van Frankrijk niet te winnen is zonder het gebruik van stimulerende middelen.


Lange tijd is er verwarring over de vraag of hij 'is' of 'was' heeft gezegd in het interview. Armstrong zelf brengt uitkomst via Twitter. Hij refereerde aan de periode 1999-2005, de jaren waarin hij zelf won. Armstrong: 'En vandaag de dag? Ik heb geen idee. Ik ben hoopvol dat het mogelijk is.'


De illusie dat je in de huidige tijd het zwaarste wielerevenement van het jaar kunt winnen zonder doping blijft dus overeind. Of dat terecht is? Geen idee, eerlijk gezegd. De ervaring en de natuur van de journalist, argwanend, zeggen nee. Maar bewijzen ontbreken. En daar begint het gedonder al.


Het kan niet anders of het rapport dat Lance Armstrong uitriep tot een van de grootste leugenaars in de sporthistorie en de talloze - vrijwillige en gedwongen - bekentenissen van oud-renners daarna hebben iets gedaan met de gemoedstoestand van de toeschouwer. Wie moet hij nog geloven: de renner, de dopingcontroleur, de wetenschapper, de journalist? Iedereen heeft zijn steentje bijgedragen en de sport in een identiteitscrisis gestort.


De ene toeschouwer heeft zijn naïviteit daardoor ingeruild voor terughoudendheid. Hij staat mogelijk op het punt om de sport de rug toe te keren. De ander wordt liever om de tuin geleid door een renner dan door een moralist die denkt en vindt dat in de sport de beste altijd moet winnen.


Kan dat eigenlijk: de Ronde van Frankrijk liefhebben en haten tegelijkertijd? Ja, dat kan. Het vergt een andere manier van kijken. Met meer nuance, beter begrip en iets minder romantiek. Drie suggesties die nieuwe teleurstellingen kunnen voorkomen.


Betitel de winnaar niet tot vaandeldrager van een nieuwe sport. De Brit Christopher Froome is een vriendelijke, ietwat verlegen jongeman. Een kostschooljongen. Over drie weken staat hij waarschijnlijk met de gele trui om de schouders op de Champs Elysées. In de tussentijd zult u veel over hem te weten zijn gekomen. Geboren in Kenia, opgegroeid in Zuid-Afrika; in zijn jeugd eens achterna gezeten door een nijlpaard. 'Ik kan niet meer tellen hoe vaak Chris en ik op de vlucht zijn gegaan voor een kudde olifanten', zei zijn broer Jeremy deze week in het Belgische weekblad Humo. Hij is ook besmet met de parasitaire worm schistosoma, hoewel die ziekte onder controle is.

Het zijn die verhalen die van een nieuwe Tourlaureaat een aanbeden held maken. Kijk naar het verhaal van Armstrong, die genas van teelbalkanker en onoverwinnelijk werd, en velen verblindde. Om een legende te worden, willen we graag dat de winnaar genoeg ellende heeft overwonnen. Hoe groter het leed, hoe groter het aura.


Chris Froome bezit de eigenschappen om het evangelie te mogen prediken van de nieuwe wielersport. Zijn eigen blazoen is (nog) maagdelijk. Hij is niet besmet met de aloude wielercultuur van liegen en bedriegen zoals de gemiddelde Fransman, Spanjaard of Nederlander. Froome wordt er vaak genoeg naar gevraagd, en antwoordt even zo vaak dat hij er niet trots op is geassocieerd te worden met een ronde waarvan je niet kunt zeggen wie de winnaars zijn. Daarmee kan hij nog niet worden opgezadeld met het symbolisme van geloofwaardigheid. Hij is geen witte raaf.


Wielrennen is geen sprookje waar de goeden altijd winnen en de slechten geen plaats hebben. De winnaar zonder geschonden blazoen verantwoordelijk laten zijn voor een betere toekomst, is net zo hypocriet als de zondaar doodzwijgen.


Het is niet de manier om een cultuur te veranderen, dat heeft het verleden wel aangetoond. 'Ze zijn erin geslaagd het leven van een man te vernietigen', zegt Armstrong in Le Monde, 'maar het heeft het wielrennen niet vooruitgeholpen. Ik snap dat ik van 1999 tot 2005 van de erelijst ben geschrapt. Maar er moet toch een winnaar zijn. Wie is dat dan? Niemand heeft mijn truien opgeëist.'


De wielerjournalist weet ook niet alles.

Denk jij dat Bradley Wiggins een schone Tourwinnaar was? En hoe zit het dit jaar? De journalist die zegt daar met 100 procent zekerheid een antwoord op te kunnen geven, liegt. Hij kan op basis van feiten een antwoord formuleren, en als hij meer feiten in handen krijgt kan hij zijn stellingname aanpassen. Maar zeker weten doet hij het nooit, zoals dat geldt voor de meeste deskundigen die zich in het debat mengen.


Het belangrijkste houvast bij het aanschouwen van de Tour (of andere sporten) is: als iets te mooi is om waar te zijn, dan is het dat vaak ook. Een renner die nimmer in de buurt van de top-10 van een eindklassement in een grote ronde fietste en plotseling met de besten meerijdt, roept vraagtekens op. Zie Mauro Santambrogio. De Italiaan won onlangs in de Giro een etappe en werd negende in het eindklassement. Zijn beste klassering tot die tijd: 58ste in de Ronde van Spanje.


Als de gemiddelde snelheid de komende weken explosief stijgt, of Alberto Contador de Alpe d'Huez sneller bedwingt dan Marco Pantani ooit deed, is waakzaamheid geboden. En dan nog begeeft een verslaggever zich op glad ijs. Hard rijden is nog geen bewijs voor doping.


Als de commentator op televisie zegt dat een bepaalde renner in de derde week van een grote ronde beter gaat rijden, dan is dat flauwekul. Als hij zegt dat een bepaalde ploeg in de breedte zo goed is omdat ze het wielrennen er zo wetenschappelijk benaderen, kan dat met een korreltje zout worden genomen.


De perszaal in de wielersport is al jaren verdeeld. Sommige journalisten schrijven nooit over doping, anderen doen het met tegenzin en een enkeling schrijft alleen maar over doping. Niet altijd heeft hij of zij de vrijheid. Een Vlaamse verslaggever schreef bij aanvang van het seizoen een voorbeschouwing op het wielerjaar. Die werd door zijn eigen leiding teruggestuurd: te negatief. Wielrennen verkoopt ook gewoon kranten. Media sponsoren koersen en betalen toprenners grof geld voor een kort telefoongesprek dat vervolgens als column wordt gepresenteerd.


De hoofdredactie van de Volkskrant vroeg in het voorjaar hoe wij het in de toekomst gingen doen. Moest het niet kritischer? Nee, was het antwoord. In onze beleving was het altijd al kritisch. Natuurlijk hebben we lang niet alles goed gedaan, maar het onderwerp doping had altijd een prominente plek.


Toen Riccardo Riccò in 2008 een etappe won in de Tour, kozen we bewust voor een verhaal over de nieuwe geletruidrager Kim Kirchen. Niet dat we wisten of de Luxemburger brandschoon was, maar de Italiaan was het zeker niet. En dat voordat hij met pek en veren uit de Tour werd gezet.


Of dat journalistiek de juiste keuze was? De (oud-) Tourverslaggevers kijken de komende drie weken in de Volkskrant terug op hun verslaglegging van het evenement: wat wisten ze toen, wat weten ze nu, wat schreven ze op en zouden ze dat nu anders doen?


Het is niet zo erg als het lijkt, en het is erger dan je denkt.

Niet alle renners gebruiken doping, niet iedere wielerjournalist heeft zijn ogen gesloten. Niet alle positieve stalen bevatten doping, niet alle negatieve stalen zijn een bewijs van geen doping. Dat klinkt cryptisch en dat is precies de bedoeling. Het is zoals de dopingdiscussie is: niemand heeft helemaal gelijk of helemaal ongelijk.


Door het bloedpaspoort is het optimisme over de wielersport toegenomen. Maar de cijfers die die stelling onderbouwen, moeten we schuldig blijven. Af en toe worden er weleens getallen de wereld ingeslingerd door de officiële instanties, maar controleren kan de buitenstaander die niet.


De cultuur verandert wel. De druk om te gebruiken is in het peloton omgeslagen in de sociale druk om níet meer te gebruiken. Renners wijzen onomwonden met de vinger naar verdachte collega's. De Nederlandse kopman Bauke Mollema zegt in een Tourgids: 'Voor Alejandro Valverde, die jarenlang heeft gelogen en nooit heeft bekend, zou er geen plek meer mogen zijn in het wielrennen.' Dat kan in deze Tour weleens een interessant gevecht worden als beide renners in de bergen op elkaar zijn aangewezen.


Maar Mollema is de enige niet. Ook de Duitse sprinter Marcel Kittel sprak Alberto Contador er publiekelijk op aan dat hij een dopinggebruiker als Lance Armstrong verdedigde. En toen een onbekende Turk onlangs de Ronde van zijn eigen land won, werd hij op Twitter weggehoond door de helft van het peloton.


Argos-renner Koen de Kort vertrouwt inmiddels 80 procent van zijn collega's. Op een Tourpeloton van 198 renners gelooft hij er dus zo'n 40 niet op hun woord. Het is goed om dat getal de komende weken tijdens het aanschouwen van de feeërieke beelden uit Frankrijk in het achterhoofd te houden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden