Lekker in de tectyl zetten

EEN GRIJZE Opel Kadett, een zwarte Panhard, een Morris Standard Vanguard, een lichtblauwe Cadillac, een donkerblauwe Fiat, een Citroën-bestelwagen H-Y: de geschiedenis van een gezin laat zich vertellen aan de hand van de auto's waarin werd gereden....

'Zo jongen, we zullen jou eens gauw extra in de tectyl zetten', hoort zijn dochter Ellen hem 's nachts in de garage een van zijn auto's toespreken. Deze Ellen is dezelfde als het montere meisje dat zich in God aan het IJ staande hield bij al het 'gelazer' van haar ouders, en kan als Deckwitz' alter ego worden beschouwd. Zij is inmiddels 45 en lijdt aan een mysterieus syndroom ('Alle Zenuwen Ziek') dat haar aan een ziekenhuisbed gekluisterd houdt. Doordat de politionele acties voortdurend in het nieuws zijn, worden haar herinneringen teruggevoerd naar een jeugd in 'A. aan Zee', waar haar vader, een Indië-veteraan, zijn gezin terroriseerde. Met weerzin denkt Ellen terug aan het norse zwijgen van haar vader en aan de klappen die hij uitdeelde.

Ziekte, huiselijk geweld én oorlog: wie denkt dat deze ingrediënten wel heel veel drama opleveren, kent de verhalen van Sjuul Deckwitz niet. Drama is haar vreemd, en Ellen blijft haar laconieke zelf, behalve tijdens een mislukte ruggenprik door een onhandige co-assistent. Zelfs de oude mevrouw Gortzak, die alleen nog maar 'Ieh' kan zeggen en is overgeleverd aan een artistieke dochter die 'manueel contact' met haar moeder wil, behoudt haar waardigheid. Of het nu gaat om een zaal vol stervende bejaarden, Ellens eigen onwillige lijf, of een vader die het aanlegde met 'juffrouwen', zielig wordt het nergens.

Het verhaal is dan ook geen klacht, noch een aanklacht en heeft geen enkel louterend effect.

Vanuit haar ziekbed doet Ellen naspeuringen naar haar vaders politionele verleden, maar die leveren weinig spectaculairs op. Ook toen al hield de man zich meer bezig met 'juffrouwen' dan met iets groots. 'Het wordt toch nooit een mooi verhaal', waarschuwt haar broer terecht: 'Hooguit vreemder, en raarder.' Terloops blijkt dat de vraag naar 'goed' of 'fout' niet te beantwoorden valt, zeker niet bij een vader die de ene dag het Politionele Ereteken opspelde, en de volgende dag het gebroken geweertje van de pacifisten.

Er valt zelfs nog wel iets aardigs over hem te vertellen, bijvoorbeeld hoe hij in een hete vakantie in Tsjechië ieder gestrand karretje langs de weg weer aan de praat wist te krijgen. Deze liefde voor auto's heeft Ellen geërfd: geen personage, of we horen waarin hij rijdt. Een van haar artsen heeft een Jaguar Sovereign: 'Dat viel me een beetje tegen. Het was natuurlijk een verlate midlife-keus, hij hoorde in een gewone Mercedes.' Zo windt Ellen zich enorm op over een vriendin die iedere ochtend in een beige Hyundai stapt: haar eigen idee van een 'beauty' is een Volvo stationwagen 164. Maar ze heeft geen rijbewijs.

De roman staat vol van zulke tegenstrijdigheden. Zoals Ellen geen definitief moreel oordeel over haar vader en andere oorlogsveteranen wenst te vellen, zo accepteert ze in de rest van haar leven ook een prettige dubbelheid. Ze is 'een onschuldige bi', maar niet alleen in seksuele zin. Ook het verhaal zelf heeft die dubbelheid: gaat het nu over ziek of oud zijn, en de onverdraaglijke afhankelijkheid die dat met zich meebrengt van specialisten, Thuiszorg, rollators en vriendinnen, of gaat het over een zoeken naar de waarheid omtrent het oorlogsverleden van een vader? Het motto versterkt de indruk dat Deckwitz bewust haar twee onderwerpen door elkaar heeft willen vlechten. Het is een motto van Simenon, maar gaat eerder over Ellens ziekte dan over haar speurtocht: 'Een gelijmde vaas is nooit een hele vaas, maar het is toch een vaas, is het niet?'

Net zo dubbel is Ellen over de vraag of ze in haar column in het blad Amsterdam nu wel of niet over haar eigen ziekte moet vertellen: aarzelend besluit ze van wel. Ook Deckwitz zelf moet die aarzeling over het autobiografische gehalte van haar werk kennen: anders zou het 'echt-gebeurde' ervan niet zo onnadrukkelijk zijn.

Hier is in de eerste plaats iemand aan het woord die graag een verhaal wil vertellen. De enige frivoliteit die Deckwitz zich permitteert, zijn een paar metaforen, maar die blijven over het algemeen dicht bij huis: zo hangt de ochtend voor het ziekenhuisraam 'als een gore theedoek', of liggen emoties 'rustig in de najaarszon, als een opgedoekte, verlaten scheepswerf'.

Toch haalt deze roman het niet bij God aan het IJ. Hoewel beide boeken over dezelfde jeugdherinneringen gaan, heeft Deckwitz deze keer meer ballast haar verhaal binnengehaald en slaat ze te veel zijpaden in. Bovendien is het de vraag of de Nederlandse literatuur zit te wachten op nóg een (semi)-autobiografische roman over een zware kindertijd en een nare vader. Het zij Deckwitz vergeven, omdat ze zo nuchter is, intens Amsterdams en 'bi' in de breedste zin van het woord.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden