Column

Lekker eten doen we later in de hemel wel

 Witteman heeft iets gelezen.

Boekcover van Magdalena, van Maarten 't Hart.Beeld .

Met zondig plezier lees ik altijd gretig over de gruwelen van ons vaderlands calvinisme; Wolkers, Siebelink, die dorsvloer van Franca Treur, het is allemaal even verstikkend en beklemmend. Zeker, ook op het r.-k.-geloof is van alles aan te merken, maar als katholiek heb je het tenminste nog vrolijk op aarde; bovendien kun je eventuele smeerlapperij op je sterfbed opbiechten en dan ga je alsnóg naar de hemel.

Nee, dan die arme refo's. Die leven zo kaal mogelijk, want het plezier komt pas na je dood. Als je mazzel hebt, en dat heeft lang niet iedereen, o nee. Maarten 't Hart vertelt er smakelijk over in Magdalena. Over zijn diep godsdienstige moeder, die bovendien leed aan een 'pastorale depressie' (is het niet prachtig?) en het waanidee dat haar man haar voortdurend bedroog met allerlei 'mokkels'. Haar kinderen verbood ze hun tanden te poetsen, want die konden maar beter zo snel mogelijk wegrotten: dan kreeg je een kunstgebit en daar had je geen omkijken naar.

Ook lekker eten hoeft op aarde niet, want 'dat komt later in de hemel wel'. Ik moest denken aan 't Harts Het dovemansorendieet, een even schrijnend als vermakelijk boek over Maartens ook culinair zo droevige jeugd vol gruttenpap, bedorven aardappelen en doodgekookte andijvie. Een bord bruine bonen is een feestmaal en het hoogtepunt van vreugd is als zijn vader eens één ons biefstuk bakt voor het hele gezin. In margarine.

Met tranen in mijn ogen las ik hoe de kleine Maarten zelf eens frites probeerde te bakken op een petroleumstel in het schuurtje, wat natuurlijk jammerlijk mislukte, maar wel een bewijs is van zijn zelfredzaamheid en doortastendheid. Zo ook in Magdalena: waar een normaal kind wel eens onder het tandenpoetsen probeert uit te komen, doet Maarten juist het omgekeerde; hij poetst zijn tanden stiekem, op straat, met een clandestiene tandenborstel.

Maarten is een opstandig kind. Een prachtig beeld is dat van de moeder achter de trapnaaimachine. Ze heeft een hele rij spelden tussen haar lippen geklemd, want dat is tijdens het naaiwerk nu eenmaal de handigste plek om ze zolang even op te bergen. Dat moment van 'speldenonmacht' gebruikt de kleine Maarten telkens weer om zijn moeder te treiteren en vaatwerk van tafel te gooien, want met die mond vol spelden kan ze niets terug doen, niet eens schreeuwen. Waarom ze dan toch nooit besluit die spelden voortaan maar in een speldenkussentje te steken, vraagt Maarten zich af. 'Of zou ze het mij gegund hebben, dat moment van triomf?'

Ook dat krankzinnige geloof krijgt hem er niet onder. Hij weigert twee, volgens zijn ouders onrechtmatig verkregen, kwartjes in de kerkezak te doen want: 'onder geen beding wilde ik mijn kwartjes aan de Heere afstaan. Die kon zeggen 'er zij licht' en er wás licht, dus die kon ook zeggen 'daar zijn kwartjes' en er waren kwartjes. Zo iemand hoefde je geen kwartjes te offeren.' Ja, dat is een sluwe, grappig genoeg bijna jezuïtische manier van redeneren; de kleine Maarten was gewoon te slim voor het calvinisme. Hij kon er afstand van nemen en dat is zijn redding geworden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden