Lekker binnen de lijnen

Striptekenaar Joost Swarte ontvangt zaterdag de Marten Toonderprijs. Welke wereld zit er achter dat zorgvuldige, klare, architecturale oeuvre? Swarte verklaart zichzelf.

Van de twaalf berken die netjes in het gelid staan op het binnenplaatsje achter zijn atelier in Haarlem, is er één die maar moeizaam wortelt. Een schriel stammetje, meer is het niet. 'En dan te bedenken dat het al de derde is op die plek. Zijn voorgangers verpieterden ook. Misschien zit er iets in de grond.'


Tekenaar/ontwerper Joost Swarte (64) geeft het niet op en overweegt een vierde poging. Het moeten er immers twaalf zijn. Hij houdt van de symmetrie in zijn eigen stadsbosje en de suggestie van gangetjes; in zijn vak heeft hij per slot van rekening ook de mogelijkheid de loop der dingen te regisseren.


Zaterdag is hij in Breda om de Marten Toonderprijs in ontvangst te nemen voor zijn oeuvre als striptekenaar; Jan Kruis (2010) en Peter Pontiac (2011) gingen hem voor. Begin dit jaar verscheen zijn verzameld werk in Bijna Compleet, in december wordt hij 65.


Is dit het jaar van de mijlpalen?

'Die 65 voelt zeker niet zo. Pensionering bestaat niet voor mij. Het oeuvre-overzicht heeft wel iets van een ijkpunt. En de prijs is vooral een fijne opsteker. Dit is een vakjury, en als mensen die er verstand van hebben zeggen dat je hartstikke goed bent, voelt dat prettig. Er zit een geldbedrag aan de Marten Toonderprijs vast, 25 duizend euro. Daarmee ga ik mijn hele archief digitaliseren. Duizenden tekeningen, ik houd niet bij hoeveel er precies zijn.'


Klopt het dat u het werk van Toonder nauwelijks kent?

'Vrij slecht, ja. Ik ben er ooit wel aan begonnen. Het taalgebruik associeerde ik met dat van Godfried Bomans, met dat stoffige Teisterbant hier in Haarlem, een sociëteit van kunstenaars waartoe ook Bomans behoorde, met zo'n hele club van paladijnen eromheen. Ik had er niet zoveel mee. Ik vond het niet hip, niet eigentijds. Maar dat doet weinig af aan zijn betekenis. Net als Hergé en Willy Vandersteen had hij een Walt Disney-ambitie, hij wilde een studio waar strips werden geproduceerd. Veel tekenaars klopten om die reden bij hem aan en zijn daar geschoold door de strenge leermeester. Zelf kom ik meer uit de tijd van de onafhankelijke tekenaars. Wij keken niet naar de Eppo en de Pep, maar volgden de undergroundstrips in de Verenigde Staten. Die konden meer onderwerpen aan, die waren politieker. Dat was veel spannender. Ik zag niet veel reden mezelf verder te verdiepen in Toonder.'


Komt de prijs niet op een vreemd moment? U bent juist wat minder actief op dit terrein.

'Dat is niet zo. Je kunt in Bijna compleet zien dat het accent van mijn stripwerk in de jaren zeventig en tachtig ligt, maar het gaat wel door. Het afgelopen jaar heb ik juist weer veel gedaan. Ik stond in elk nummer van Hollands Diep, ik heb een pagina getekend voor The New Yorker, daar willen ze er meer van hebben. Ik heb meegedaan aan Mooi is dat en Filmfanfare, waarin klassiekers uit de literatuur en film zijn verstript. Voor Humo leverde ik een bijdrage aan de rubriek Cinema Rapido. Nee, de timing van toekenning kan geen vergissing zijn geweest.'


Maar scheppingen als Jopo de Pojo en Anton Makassar zijn toch al lang begraven?

'Je weet het maar nooit. Het zijn mijn acteurs die ik naar believen kan inzetten. Als er een project langskomt waarin ik ze nodig heb, trek ik het laatje weer open.'


Zo zien zijn werkdagen er ruwweg uit. 's Morgens na het ontbijt en de kranten steekt hij schuin de straat over, van huis naar atelier, waar de eerste uren opgaan aan kantoorbezigheden: agenda, correspondentie, telefoon, archivering. In de middag neemt hij potlood, gum, kroontjespen en het potje Oost-Indische inkt ter hand. Voor de kleurvlakken gebruikt hij ecoline, aangebracht met kwastjes. Acht potjes met de belangrijkste tinten, de rest wordt gemengd. 'Het is ouderwetse ambachtelijkheid misschien, maar het is goed voor de concentratie. Met de computer kun je nog denken: nou, dat lossen we later wel op. Op papier, met inkt, is er geen weg terug.'


Eerst is er een basisschets, dan krijgt het decor vorm, waarna - vooralsnog op transparant papier - de acteurs in beeld verschijnen. De pen bezegelt hun contouren. Kleuren zijn het laatste stadium. Die kunnen een gewenst effect versterken. Moet een persoon er grauw uitzien, zet 'm voor een kleurige deur. Maar maak die niet blauw, dat is te dicht bij grijs. Felroze is beter, of geel. Als iemand schrikt, kun je dat ondersteunen met een rode achtergrond.


Hij ziet graag dat alle elementen bijdragen aan het verhaal. Maar verder zijn er geen wetmatigheden voor een goede illustratie. 'Je moet ook geen criteria gaan opzoeken. Dan ga je volgens een formule werken en geef je geen ruimte meer aan de impuls. Het enige wat je zeker moet weten, is dat je je uiterste best hebt gedaan.'


Vaak staat er tijdens het tekenen muziek op, indiepop van The Dirty Projectors en Rufus Wainwright, maar ook de nieuwe lichting Franse pop die boven Brussel niet bestaat: Pascal Parisot, Tom Poisson, Albin de la Simone, Diving with Andy. Pop in kleine bezetting vaak, met veel accordeon en banjo. 'Het is heel interessante muziek. Je moet het zo zien: zij hoorden uit de platenkast van hun ouders zowel Serge Gainsbourg als The Beatles.'


's Avonds na tienen, volgen weer enkele uurtjes tekenen. Maar dat is dan thuis, aan de huiskamertafel. Dat heeft hij altijd goed gekund, tekenen in het gegons van het gezin. 'De kinderen wisten dat ze niet op de tafel mochten bonken als ik aan het inkten was.' Voor het schrijven en bedenken, daarvoor verkiest hij nog altijd het isolement van het atelier.


U doet inmiddels zoveel meer: illustraties, vormgeving, architectuur. Ligt uw hart nog wel bij de strip?

'Het is nog steeds fantastisch om te doen. Je bent heer en meester over je eigen vel papier.'


De moeder aller kunsten, heeft u gezegd.

'Het was ooit een reactie. Ik hoor die kwalificatie ook wel eens over andere kunsten, over architectuur of opera. Hoezo, denk ik dan. Waar zit 'm dat dan in? Is de ene kunstvorm belangrijker dan de andere? Wat een onzin. Het gaat niet over de discipline, maar over creativiteit. Het is overdragen, je moet zorgen dat iets begrepen wordt. Dat geldt ook voor strips. Die vormen geen buitenbeentje in het huis der kunsten.


Ze bevatten net als de literatuur dialogen, personages komen tot leven, je creëert tijdsverloop, je geeft de lezer de kans de verbeelding aan het werk te zetten en er moet intussen ook nog goed worden getekend. Mijn opmerking was meer provocerend bedoeld. Als jij vindt dat jouw kunst de moeder is, dan zeg ik: kom maar op.'


Is er nog altijd sprake van onderwaardering?

'Dat valt mee. Er zijn inmiddels genoeg tekenaars die tot musea zijn doorgedrongen - al moet je je afvragen of dat dan het allerheiligste is. Het is wel een signaal. Strips worden ook steeds meer via de boekwinkels verspreid, de huidige generatie handelaren heeft er geen problemen mee ze neer te zetten. Wat lastig is, is aandacht te krijgen voor nieuwe titels. Kranten bespreken ze maar beperkt en een podium geven ze nauwelijks nog: een of twee strookjes per dag. Alleen Het Parool heeft elke dag een hele pagina, in kleur. Voor tijdschriften is het ook moeilijk. Strips staan altijd in de marge.'


Dat is misschien ook wel een verontrustend signaal.

'Ze moeten concurreren met de tv, de pc, het mobieltje, de nieuwe media, ik weet het. Maar in dat een-op-een wegdromen bij een beeldverhaal op papier, daarin geloof ik altijd nog. De schilderkunst heeft het gered, de fotografie ook. Je moet jezelf wel opnieuw uitvinden. Van die flutboekjes vol ouderwetse series in dunne kaftjes, die je als je niet goed oplet bij het oud papier mikt, dat is wel voorbij. Misschien kun je er nog wat mee in de nieuwe media. Maar een goed verzorgd boek, mooi gedrukt, de strip als object, dat zal altijd liefhebbers trekken.'


Hoe staat de Nederlandse strip er zelf voor, volgens u?

'Nederland doet het heel goed. Er zijn veel tekenaars. Maar meestal verdienen ze hun geld met illustraties en doen ze de strip erbij. Weinigen kunnen ervan leven. Maar er is veel talent. Erik Kriek, Peter Pontiac, Wasco.


Dat zijn geen jonkies meer.

'Die zijn er ook. Ik heb nu de namen even niet paraat, dan moet ik even hier langs de kast lopen. Maar in zo'n collectief als Lamelos - toegegeven, vooral veertigers - gebeuren mooie dingen. Jeroen Funke heeft bijvoorbeeld een woordloze strip gemaakt over het onnozele leven, In de schaduw van mijn lul. Prachtige titel.'


De struikelende medemens, de klungelaar die telkens weer iets bedenkt om tot de slotsom te komen dat dit ook weer niet werkt, ziet hij zelf als het belangrijkste terugkerende thema in zijn werk. 'Zelf heb ik er niet zo'n last van, maar het is wel heel erg leuk om te observeren.' Hij houdt ervan te spelen met stereotypen en zekerheden. 'Hier, dit is een strip over de teloorgang van de post, door al die elektronica, de mail, het mobieltje. Probleem met de post is dat er zoveel handelingen nodig zijn om de boel van A naar B te brengen. Ik suggereer om in de Europese steden al bestaande netwerken te benutten: de riolen. Je kunt flessenpost doorspoelen in het toilet. Alleen maar om aan te geven dat er al een buizenwerk is dat ons allemaal verbindt.' Hij beperkt zich niet tot het papier, maar materialiseert zijn ideeën ook. Zo construeerde hij voor een expositie in Brussel een fiets met vier haaks op elkaar staande wielen. Inderdaad, die kan geen kant op.


De belangstelling voor de strip was er al als kind: zijn moeder was Vlaams, tijdens logeerpartijen in België stuitte hij op de stripweekbladen Tintin en Spirou en oude Suske en Wiske-boeken. Hij brak na drie jaar met zijn studie Industriële Vormgeving in Eindhoven. 'Ik vond de expressiemogelijkheden toch te beperkt. Het was vooral vorm volgt inhoud. Tegelijkertijd zag ik in die Amerikaanse underground comics dat alles kon. Wat een mogelijkheden om je te uiten! Die vrijheid! Dat is toch veel aardiger om je daarmee bezig te houden.'


Swarte is vanaf het moment dat hij strips begon te tekenen pleitbezorger van zijn discipline. Hij gaf in eigen beheer een blad uit, Modern Papier, waarin hij ook andere tekenaars een podium bood - de distributie deed hij zelf als verkoper aan de deur van de V&D in Eindhoven.


Toen begin jaren negentig de Stripdagen Breda door een gebrek aan financiën dreigden te verdwijnen, nam hij het initiatief tot de stripdagen in Haarlem. Hij stond ook aan de wieg van de stripuitgeverij Oog & Blik.


'Ik heb het altijd belangrijk gevonden een professionele conditie te scheppen. Ik zie de anderen ook niet als concurrenten. Het zijn collega's. Er is weinig naijver. Je geniet van mekaar, je helpt mekaar. Je kom elkaar geregeld tegen, in Lambiek, de stripwinkel in Amsterdam, en op tentoonstellingen. Zo ontstaan snel vriendschappen.'


Werkt u liever in opdracht of verkiest u de vrijheid?

'Daar zit bij mij niet zo heel veel verschil tussen. De meeste opdrachtgevers kennen je werk. Het verzoek ligt dan ook dikwijls dicht bij wat je al hebt gemaakt. Maar ik peil wel de ruimte die ik heb. Ik zal zoveel mogelijk van wat ik belangrijk vind in de opdracht stoppen. Toen Guy Mortier van Humo me vroeg om illustraties te maken bij ingezonden brieven van kinderen, wilde ik graag iets met poezen doen. Ik kon me kaarten herinneren uit de jaren zestig en zeventig, met gekartelde randen. Er stonden schilderijen op van ondeugende poezen, aangekleed als mensen. Daar wilde ik een eigentijdse variant van maken. Daar was Guy voor in. Mooi zo: ik kon mijn fascinatie kwijt, hij had zijn doorlopend beeld. Zo werkt het vaak. En ik hou ook wel van hindernissen. Je moet anderen kunnen overtuigen. Dat houdt je scherp, het dwingt tot nadenken. Dat is het avontuur.'


Bindt dat al die projecten?

'Ik denk het wel. Toen ik vijfhonderd pagina's strips had gemaakt, begon ik me af te vragen of ik voor de rest van mijn leven wel achter de tekentafel wilde blijven. Ga ik zelf ook nog wat avonturen meemaken in plaats van ze alleen maar te bedenken? Het kwam op mijn pad. Het begint met zo'n eigen blaadje. Je leert iets over drukken, over vormgeven. Er kwamen al snel verzoeken voor affiches, postzegels, telefoonkaarten. Uit het een kwam het ander voort.


'Je kijkt nu naar mijn bril. Die heb ik ontworpen. Normaal zitten er bij de scharnieren puntjes aan de voorzijde. Bij dit ontwerp zijn het aanhalingstekens openen, aanhalingstekens sluiten. Ik zocht naar een literaire bril. Zo'n zware. Alan Ginsberg had er zo een, Woody Allen ook. Die aanhalingstekens duiden in de literatuur aan dat iets een citaat is. Dan leg ik die link met kijken. De gedachte is dat wat je waarneemt, ook maar alleen jouw werkelijkheid is. Een ander ziet misschien iets heel anders. Aanhalingstekens worden ook gebruikt om ironie aan te duiden. Als je 's morgens met die bril in de spiegel kijkt, kun je denken: misschien moet ik de dag maar met een relativerende houding ingaan.'


Zegt u ooit: nee, deze opdracht gaat mijn vaardigheid te boven?

'Het ontwerpen van de Toneelschuur in Haarlem was natuurlijk iets uitzonderlijks voor een tekenaar. Maar ik heb wel onmiddellijk duidelijk gemaakt dat ik niet als een architectenbureau werk. Wel als artistiek directeur of ontwerper van het basisidee, zo kan ik er wel in staan. De grens is voor mij als ik niet meer mijn eigen ideeën kan realiseren.'


Hoorde u wel eens: blijf van mijn stiel af?

'Jawel. Maar als iemand zo beperkt van geest is dat-ie geen vreemde eenden in zijn territorium toelaat, raakt me dat niet.


'Een architect mag best een strip maken. Wie ben ik om te zeggen: hé, dat is óns vak. De vraag is natuurlijk: maakt hij een goede strip? Is het een goed gebouw?


Ik las dat ergens nog een laatje is met onuitgevoerde projecten.

'Ja. Maar die ga ik niet weggeven. Op zeker moment zullen ze uit het laatje flippen.'


Kunt u een tipje van de sluier oplichten?

'Nee, niet in dit stadium.'


Vormen? Constructies?

'Uitvindingen. Specifieker kan het niet worden.'


Nuttig of mooi?

'Nuttig én mooi.'


CV Joost Swarte

Joost Swarte (1947, Heemstede) is striptekenaar, illustrator, architect en vormgever. Hij studeerde industrieel ontwerpen in Eindhoven. Bekende strips zijn Jopo de Pojo, Katoen + Pinbal, Anton Makassar en Dr. Ben Cine. Voor Vrij Nederland maakte hij Niet zo, maar zo. Zijn werk is vertaald in het Engels, Frans, Spaans, Italiaans en Duits. Hij gaf vorm aan postzegels, affiches, horloges, glas in loodramen en telefoonkaarten. Hij ontwierp ook De Toneelschuur in Haarlem en vier huurappartementen aan de Willemsstraat in Amsterdam. Swarte illustreerde in het buitenland voor onder meer The New Yorker, The New York Times, Libération, Charly Hebdo en Humo.

In 1998 kreeg hij de Stripschapprijs, zaterdag ontvangt hij in Breda de Marten Toonderprijs.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden