Analyse Britse constitutie

Leidt de Brexit wellicht toch tot een Britse grondwet op papier?

Koningin Elizabeth II ontvangt Boris Johnson nadat deze is gekozen als leider van de Conservatieven in juli. Beeld EPA

Israël, Nieuw-Zeeland en het Verenigd Koninkrijk hebben een eigenaardige overeenkomst: geen van deze landen heeft een geschreven grondwet. Voor de Britten doemt met het haperende Brexitproces de vraag op of een helder overzicht van politieke spelregels geen goed idee is.

Voor een buitenlander bezit de Britse politiek tal van curieuze karakteristieken. De uitroep ‘Order, Order’ is er daar een van, het dichtsmijten van de deur in het gezicht van de Black Rod, de vertegenwoordiger van de vorstin, in de aanloop naar de troonrede een andere. Daar past ook de niet op schrift gestelde grondwet bij.

De Britten baseren zich op eeuwen van gewoonten en gebruiken, op het parlementaire handboek Erskine May en The British Constitution van Walter Bagehot, een journalist. Toen een student de befaamde kabinetssecretaris Robin Butler vroeg wat de constitutie precies is, luidde het antwoord: ‘Iets dan we al doende opstellen.’

Het document dat het dichtst bij een geschreven grondwet is gekomen, de Bill of Rights van 1688, werd dan ook geïntroduceerd door een buitenlander, koning-stadhouder Willem III van Oranje.

Evolutie niet revolutie

Stiekem zijn de Britten trots op deze situatie. Geschreven grondwetten, luidt de stille overtuiging, zijn meer iets voor jonge naties als de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland, en voor de EU natuurlijk. Groot-Brittannië is het product van evolutie, niet van revolutie. Hóe iets werkt is op het eiland, anders dan op het Europese vasteland,  belangrijker dan de vraag of het juridisch of staatkundig allemaal zuiver is. En al eeuwen werkt het ontbreken van een ‘written constitution’ prima, omdat de stabiliteit van het Britse landsbestuur altijd werd gewaarborgd door gematigde regeringspartijen, aangeduid als het systeem van ‘wisselende meerderheden’.

De afgelopen decennia zijn er niettemin diverse staatkundige hervormingen geweest, vooral onder New Labour,  dat het eiland ‘Europeser’ wilde maken. Zo werd de macht van de Lord Chancellor beperkt, de functionaris die alle drie de machten – uitvoerende, wetgevende en rechtsprekende – in zijn persoon vertegenwoordigde. Het Hogerhuis nam afscheid van de zogeheten Law Lords, de hoogste rechters, en een deel van de adel. Bovendien omarmden de Britten de Europese mensenrechtenwetgeving, die volgens critici het gezag van het parlement ondermijnde en voor onwennigheid zorgde bij Engelse rechters, die het gewoonterecht gewend waren.

De discussies over de Human Rights Act – die de Britse regering zou hebben gehinderd hij het voeren van een doortastend anti-terreurbeleid – en de ‘presidentiële’ manier waarop premier Tony Blair het land had betrokken bij de Irak-oorlog waren voor premier Gordon Brown reden om te pleiten voor een geschreven grondwet. Die had tevens meer duidelijkheid kunnen scheppen over de macht van de parlementen in Wales, Schotland en Noord-Ierland. De door Labour, om politieke redenen, in gang gezette devolutie heeft wel onduidelijkheden en ongerijmdheden met zich meegebracht. Een typisch Britse ‘muddle’.

Het kwam er niet van, temeer omdat de Labour-leider na drie jaar moest plaatsmaken voor David Cameron. De Conservatieve premier nam twee beslissingen, beiden met machtsbehoud als ultiem doel, die grote politieke gevolgen zouden krijgen. Om de stabiliteit van zijn coalitie met de Liberaal-democraten te versterken legde Cameron wettelijk vast dat premiers niet op elk willekeurig – en politiek voordelig – moment verkiezingen kunnen uitschrijven. En om de eurosceptici koest te houden regelde hij een referendum over het Britse lidmaatschap van de EU. Beide beslissingen hadden gemeen dat er niet goed over nagedacht was.

Politieke crisis

Volgens Vernon Bogdanor, de nestor onder de staatkundige historici die de jonge Cameron nog heeft lesgegeven, had een geschreven grondwet heel nuttig kunnen geweest zijn bij het referendumbesluit. ‘Daarin had kunnen staan wanneer een referendum kan worden gehouden, welke meerderheid benodigd is en onder welke omstandigheden deze bindend is.’ Nu kon Cameron zomaar een referendum uitschrijven en daarmee het gezag van het parlement, met de Rule of Law een van de twee pijlers waarop het fragiele Britse politieke systeem rust, ondermijnen. De vertegenwoordigers van het volk kregen opeens concurrentie van het volk zelf.

Het gaat Bogdanor te ver om te spreken over een constitutionele crisis. Hij spreek liever over een politieke crisis omdat de verdeeldheid over Brexit nu dwars door de partijen loopt. Een nevengevolg is de versnelling van een proces dat al aan de gang was: de erosie van het Britse tweepartijenstelsel, wat leidt tot de vorming van instabiele coalities. Tegelijkertijd draagt Brexit bij tot politieke radicalisering. De regering-Johnson overweegt zelfs om het parlement bij Brexit buitenspel te zetten, terwijl ook een linkse regering-Corbyn een schok voor het systeem zou zijn. Een regering-Farage zou evenmin een toonbeeld van gematigdheid zijn.

Johnson, Corbyn en Farage hebben één ding gemeen: ze verschuilen zich achter ‘de wil van het volk’, in het geval van de brexiteers de 52% van de kiezers die voor Brexit stemde; in het geval van Corbyn de partijleden die hem hebben gekozen. Lagerhuisleden proberen nu al drie jaar meer macht naar zich toe te trekken. Daarbij krijgen ze steun van een voorzitter die bepaald niet onomstreden is. Binnen het Britse stelsel is de onafhankelijkheid van The Speaker een belangrijke voorwaarde, maar als anti-brexiteer en held van de parlementsleden lijkt John Bercow het adagium ‘nood breekt wet’ – of beter ‘nood breekt conventie’ – te hanteren.

Interventie

De parlementariërs weten zich gesteund door de juridische macht en hopen zelfs op een interventie van het staatshoofd, koningin Elizabeth. Wanneer dat laatste gebeurt, zeer tegen de zin van het paleis, zou er sprake zijn van een constitutionele crisis. In de genoemde wet die Cameron had ingevoerd om zijn coalitie bijeen te houden, een kenmerkend staaltje korte-termijnpolitiek, staat namelijk niet duidelijk aangegeven wat er moet gebeuren na een succesvolle motie van wantrouwen. De ironie is duidelijk: een maatregel die was bedoeld om de politieke stabiliteit te garanderen, dreigt nu de bron te worden van meer instabiliteit.

Volgens Bogdanor vormt Brexit een constitutioneel moment. In zijn boek beweert hij dat het onmogelijk is, zoals de Brexiteers met hun ‘take back control’ ambiëren, om terug te keren naar 1973, alsof het Europese avontuur niet plaatsgevonden heeft. Hij toont aan dat de EU een beschermende rol heeft gespeeld in de Britse constitutie en als lijm heeft gediend die de Britse naties bijeen heeft gehouden. Het idee van Brexit was om de soevereiniteit van het parlement, de erfenis van koning Willem III, te herstellen en te verlossen van Brusselse invloeden. Daarvoor in de plaats is nu een andere indringer gekomen: ‘de wil van het volk’.

Net als het parlementsgebouw wacht de constitutie een grondige renovatie, mogelijk leidend tot een geschreven grondwet. Zodoende kan Brexit iets heel on-Brits tot gevolg hebben.

Lees ook:

Boris Johnson: zolang Brussel vasthoudt aan ‘backstop’, komt er geen Brexit-akkoord

Wat het Britse parlement de afgelopen maanden heeft gedaan is uniek in de Britse, Europese en politieke geschiedenis

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden