Reportage Twintig jaar Leidsche Rijn

Leidsche Rijn: de wijk waar je nooit dacht te gaan wonen

De inwoners van het jubilerende Utrechtse Leidsche Rijn maken hun wijk zelf af.

Een deel van Parkwijk, een van de eerste buurten van Leidsche Rijn. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

‘Wij gaan nooit in Leidsche Rijn wonen’, zeiden zzp’er Emily Hasekamp (46) en haar partner, technisch constructief tekenaar, tegen elkaar. Nog geen 30 waren ze, een verhuizing naar dat suburbane gebied van de gemeente Utrecht leek uitgesloten.

Zo’n woonomgeving waar alles en iedereen nieuw is, met strak aangelegde straten, ongetwijfeld eenvormige rijtjeshuizen en waar vermoedelijk niets gebeurt. Met louter jonge gezinnen.

‘Eigenlijk klopt het beeld dat we ervan hadden wel’, concludeert Hasekamp nu opgewekt, thuis aan de keukentafel. ‘Thuis’ staat voor een koopwoning in Parkwijk, een van de eerste buurten van Leidsche Rijn, waar ze al vijftien jaar woont. ‘We zijn hier gelukkig. Onze zoon van 9 jaar kan overal spelen.’

Doodse stilte

Op deze doordeweekse ochtend, om een uur of tien, is het in de straat waar Hasekamp woont inderdaad doodstil. Er is amper een auto te zien. ‘Iedereen is al vroeg weggereden naar het werk. Overdag kun je hier een kanon afschieten.’

Ook huidtherapeut Tessa de Visser (33) en haar vriend wisten het vijf jaar geleden zeker: nooit naar Leidsche Rijn. ‘Dat is geen Utrecht, dat is niet gezellig.’ Ze woonden in een levendige volkswijk in de oude stad. Ze lieten zich toch verleiden door een mailtje over een nieuwbouwproject.

Tessa: ‘De Meern stond erbij, als locatie. Ik had niet eens door dat dat Leidsche Rijn was.’ Nu, twee jaar woonachtig in die buurt waar hun dochter Noa is geboren, is er soms de zucht naar het rumoer en de diversiteit van de volkswijk, maar verder geen klagen. ‘Om ons heen wonen allemaal tweeverdienersgezinnen. Iedereen is druk. Maar mooie natuur is dichtbij en je bent zo in de stad.’

Niet alleen de hoogstedelijke elite, ook vinexbewoners zelf zijn maar al te vertrouwd met de reputatie die nog altijd aan het begrip kleeft. Vinex? Huizenzeeën met een monocultuur (wonen) waar dezelfde soort mensen woont, met dezelfde beweerde kleinburgerlijke levensstijl. In een woonomgeving zonder enige identiteit waar de doodsheid van afstraalt.

Emily Hasekamp (46) in de speeltuin met haar zoon Thijs (9). Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Icoon van de vinexbouw

Welkom in het jubilerende Leidsche Rijn, de Utrechtse icoon van de vinexbouw, waar nu precies twintig jaar geleden de eerste bewoners de sleutels overhandigd kregen van hun huis aan het Klifrakplantsoen. Twee decennia later schiet het woord ‘wijk’ tekort voor wat er op de grootste uitleglocatie van het land aan de andere kant van het Amsterdam-Rijnkanaal is gebouwd.

Ruim 85 duizend inwoners telt Leidsche Rijn nu. Wanneer het stadsdeel af is zijn het er vermoedelijk ruim 100 duizend. Aan de westkant van het oude Utrecht, tussen de rijkswegen A2 en A12, is straks een stad bijgebouwd met de omvang van Leeuwarden of Delft.

Zo zijn er onder de noemer Vinex (de naam verwijst naar de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit 1991) de afgelopen kwart eeuw her en der in Nederland enorme woningbouwprogramma’s gerealiseerd en niet alleen,  zoals velen denken, aan de randen van de steden.

Ook binnen de steden zijn nieuwbouwbuurten verrezen (de Kop van Zuid in Rotterdam bijvoorbeeld) en alles bij elkaar staat de teller nu op ruim 800 duizend vinexwoningen. Meer dan ooit gepland. Verdeeld over – afhankelijk van welke definitie wordt gehanteerd – 81 locaties.

Nooit hadden de opstellers van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra kunnen bevroeden dat de naam Vinex zo’n ingeburgerd begrip zou worden. Vinex, inmiddels de soortnaam voor de Nederlandse suburb, markeert min of meer het moment waarop het Rijk voor het laatst in grote schetsen aangaf waar de strijd tegen eeuwige woningnood gestalte moest krijgen.

Het voordien gevoerde groeikernenbeleid (denk aan Nieuwegein en Zoetermeer) moest plaatsmaken voor een nieuwe aanpak waarbij het open landschap juist zo veel mogelijk werd gespaard. Bouwen tegen de steden aan, of daarbinnen, werd het adagium, want juist het stedelijk gebied moest een nieuwe impuls krijgen.

Er moesten ruim opgezette, gevarieerde wijken ontstaan met veel groen, goed openbaar vervoer (om de automobiliteit terug te dringen) en er moest vooral voor de middenklasse worden gebouwd met hooguit 30 procent (sociale) huurwoningen.

Nog een kernpunt van Vinex: gemeenten of stadsregio’s moesten maar zelf uitmaken, met de projectontwikkelaars, hoe ze de nieuwe woonomgevingen precies vorm wilden geven. Het rijk hield budgetten beschikbaar voor groen en ov, maar de rijksbemoeienis bij het volkshuisvestingsbeleid werd beperkt. Het begrip ‘woningmarkt’ won aan kracht, rijkswoningbouwprogramma’s zijn er in feite niet meer.

Tussenbalans

Nu de icoon van de vinexbouw jubileert, is het tijd voor een tussenbalans. Voldoet Leidsche Rijn aan wat door de plannenmakers was bedacht? Wat vinden de bewoners? Is het allemaal wel zo doods, eenvormig en identiteitsloos in dat nieuwe stadsdeel of zijn die vooroordelen even hardnekkig als onterecht? Is de bevolkingssamenstelling er veel minder divers dan in de oude stad?

Bij de grote maquette van Leidsche Rijn in het gelijknamige informatiecentrum vertellen gemeentelijk programmamanager Paul Vreeken en gebiedscoördinator Karin van der Weele, beiden al bijna twintig jaar betrokken, over de ontstaansgeschiedenis van het stadsdeel. Over hoe twee oude tuinbouwdorpen, Vleuten en De Meern, uiteindelijk werden ingekapseld door oprukkende nieuwbouw.

Als een soort groene buffer tussen die dorpen en de nieuwe woonbuurten is het indrukwekkend grote Máximapark aangelegd, waar tegenwoordig de Vlindertuin – door bewoners zelf onderhouden – een attractie is.

Een tweede cruciale ingreep in het enorme gebied is de overkluizing van snelweg A2, met het Amsterdam-Rijnkanaal de grote barrière tussen de oude en nieuwe stad. Die twee wezenlijke planologische ingrepen zijn bedacht door stedebouwkundige Riek Bakker, de opsteller van het masterplan voor deze stadsuitbreiding.

De overkapping van de A2 om zo een verbinding te maken tussen ‘oud’ en ‘nieuw’ Utrecht bleek een moeizamer proces dan voorzien. ‘Daarom is de bouw van Leidsche Rijn begonnen in delen die verder af liggen van de stad’, zegt programmamanager Vreeken. Pas de laatste jaren wordt er dichter bij de oude stad gebouwd, met het dit jaar geopende Leidsche Rijn Centrum als kroonjuweel.

Karin van der Weele: ‘Vroeger was Leidsche Rijn een soort verre, tweede keus. Als je geen eengezinswoning kon krijgen in de stad, dan was er nog Leidsche Rijn. Nu hoor je vaker mensen uit zichzelf zeggen: ik ga naar Leidsche Rijn. Veel bewoners vinden het een prettige plek. Dat zie je aan de hoge cijfers die ze geven voor hun woonomgeving. En aan het feit dat veel bewoners verhuizen binnen Leidsche Rijn als ze in een volgende levensfase komen.’

Kritiek

Dat de plannenmakers nu beklemtonen hoe tevreden mensen zijn met hun woning is begrijpelijk, maar kritiek van de kant van de bewoners is er ook. In veel buurten is er een wel heel rigoureuze scheiding aangebracht tussen wonen en voorzieningen als winkels en horeca, zo luidt de klacht. In sommige straten begonnen ze dan zelf maar een kroeg in een garage, om de vrijdagmiddag te vieren.

Levendigheid ontbreekt in grote delen van Leidsche Rijn, alleen al vanwege het feit dat winkels en horeca in centra bijeen zijn gebracht. Het Castellumcafé in de wijk Hoge Woerd is buiten die winkelcentra een van de weinige plekken waar bewoners samenkomen. Castellum, een multifunctioneel complex (museum, theater, boerderij en horeca), is een verwijzing naar de Romeinse aanwezigheid in dit gebied, getuige de vele archeologische vondsten, met als pronkstuk het Romeinse schip.

Deze donderdagochtend, zijn wekelijkse papadag, is Michel Welman (44) met twee van zijn drie kinderen (de oudste van 4 is inmiddels naar school) naar het café gekomen. Overdag is het in de buurt erg stil, zegt hij. ‘Als je hierheen gaat, weet je dat je andere papa’s en mama’s tegenkomt.’

De familie Welman uit Vleuterweide. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Welman, werkzaam bij een bank, en zijn vriendin Simone Slaghekke (38), psychomotorisch therapeut, zijn anderhalf jaar geleden vanuit hartje Utrecht naar de wijk Vleuterweide verhuisd. Hij blikt terug: ‘We reden voor het eerst door Leidsche Rijn en zeiden: dat gaat hem niet worden.’ Uiteindelijk belandden ze er dus toch. ‘Ik zag de voordelen. In Leidsche Rijn krijg je qua huis waar voor je geld.’

Het gemis aan reuring stoort vooral zijn partner Slaghekke nog weleens. ‘Ik mis dat ik niet even snel op een leuke plek een koffietje kan doen. Natuurlijk zijn die plekken er nu ook aan het komen, maar die hebben toch vaak net niet dat authentieke en sfeervolle van een oud stadscentrum.’

Soms vragen bewoners zich dan ook vertwijfeld af: hebben ze misschien te veel van hun eigen behoeften opgegeven voor die zogeheten veilige omgeving voor de kinderen?

Gemis

Voor een geboren Limburger met een duidelijk bourgondische inslag is de overgang naar de Vinex wellicht nog moeilijker. Om het gemis aan zuidelijke gezelligheid in Leidsche Rijn een beetje dragelijk te maken, bezoekt bewoner Ivo Cerfontaine (42) proeflokaal Maximus, een van de weinige plekken in de wijk waar de bewoners ’s avonds samenkomen om bier te drinken. Met een plankje kaas en Utrechtse Vocking-worst. Of met een eenvoudige maaltijd – een hamburger of een couscoussalade. Je ziet er stelletjes bijpraten met een kinderwagen naast hun tafel.

Met enige weemoed vertelt Cerfontaine dat hij in Leidsche Rijn dat knusse gevoel mist, van een kroegje op de hoek van de straat, en een dorpsgek voor de winkel. ‘In Leidsche Rijn zie ik niet zulke karakteristieke persoonlijkheden die je je hele leven zult onthouden. Het plan is duidelijk. Hier moet je wonen, hier moet je winkelen. Een straat moet recht zijn, de huizen eraan gelijk.’

Cerfontaines kinderen Lenn (4) en Mila (2) drinken ondertussen appelsap en spelen met het aanwezige speelgoed – elke gelegenheid in de Vinex is voorbereid op de aanwezigheid van kinderen. In de acht jaar dat hij en zijn uit Brabant afkomstige vriendin in Leidsche Rijn wonen, heeft zich ook een clubje mensen gevormd met wie zij dit gevoel kunnen delen. Het verbaast hem dat veel bewoners in Leidsche Rijn die behoefte niet hebben. ‘Sommige mensen zijn zo gefocust op hun kinderen dat ze hun eigen behoeften op de achtergrond stellen.’

Aaneenschakeling van buurten

Stedenbouwkundige Riek Bakker heeft vanwege het jubileum kort voor de zomer ook weer eens een grote rondgang gemaakt door het gebied. Het bracht haar terug naar de jaren negentig van de vorige eeuw toen ze steun probeerde te verwerven voor haar masterplan, wat niet zonder slag of stoot ging.

‘Woningbouw op zo’n grote schaal, dat was ongekend. Van de Bijlmer hebben we wel geleerd dat je niet alles van tevoren moet bedenken en vastleggen. Met zo’n formalistische, technocratische opstelling van wij deskundigen weten wat goed voor jullie is, red je het niet. Zo van: ik kruip wel achter de tekentafel en dan komt het goed.

‘Vertrouwen winnen van de omgeving, dat is in feite mijn belangrijkste werk geweest. Met een potlood een kaart intekenen. Leidsche Rijn is niet één wijk, het is een aaneenschakeling van buurten met grote diversiteit. Dat hebben anderen goed ingevuld. Blokje voor blokje, rekening houdend met woonwensen, want dat is niet iets statisch. Zo maak je een stad.’

Dat is in het geval van Leidsche Rijn ‘heel goed gelukt’, stelt Bakker tevreden vast. ‘Ik heb het vuurtje misschien aangestoken, maar als je nu kijkt naar wat ze van dat Leidsche Rijn Centrum hebben gemaakt, dat is gewoon prachtig.’ Bewoners zijn zeer tevreden, beklemtoont ze, wat er door de ‘culturele elite’ ook wordt beweerd over doodsheid en monotonie.

Daarbij: Leidsche Rijn is nog lang niet af. De verbinding met de oude stad ontstaat vanzelf, voorziet Bakker, door (meer) bebouwing aan de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal. ‘Dan wordt zo’n kanaal als het ware een stadsgracht in plaats van een scheidslijn.’

Het is arbitrair om aan de hand van parameters de vraag te beantwoorden of Leidsche Rijn als een ‘geslaagd’ voorbeeld van de vinexbouw kan worden beschouwd. Feit is dat er goed is geluisterd naar woonwensen van consumenten: ruim tweederde van het woningbestand is koop, een aanzienlijk hoger percentage dan in de oude stad, en de koper kreeg meer ruimte voor minder geld.

Aan cijfers over de verhuismobiliteit binnen Leidsche Rijn kan worden afgelezen dat de woonomgeving door velen aantrekkelijk wordt bevonden. Het stigma dat de vinexbouw vooral tot anonieme straten met rijtjeswoningen heeft geleid, behoeft bijstelling. In Leidsche Rijn zijn wel degelijk de meest uiteenlopende bouwstijlen aan te treffen.

Illusie

Gebouwd voor de leegstand is er niet: de woningprijzen stijgen. Maar het terugdringen van de automobiliteit is in dit Utrechtse geval faliekant mislukt. De gedachte dat goed openbaar vervoer de bewoners van grote woongebieden grenzend aan de stad – de werkplek – zou verleiden de auto te laten staan is een illusie gebleken. Dit nieuwe deel van Utrecht telt nu weliswaar drie stations, openbaar vervoer was er zeker in de beginfase amper en nu is in geen enkel deel van Utrecht het autobezit zo fors als in Leidsche Rijn.

Daar staat dan weer tegenover dat er bij de beweerde eenzijdige bevolkingssamenstelling (alleen maar jonge gezinnetjes, tweeverdieners) kanttekeningen zijn te plaatsen. Er is en wordt veel gebouwd voor specifieke doelgroepen: ouderen, gehandicapten, Chinese Nederlanders. Het percentage bewoners met een migrantenachtergrond is er inmiddels hoger dan in de oude stad.

‘Surrogaat-Utrecht’

Bij veel planologen, stedenbouwkundigen en projectontwikkelaars is de ergernis over negatieve associaties die het woord ‘Vinex’ oproept nooit geweken. Directeur Jan Fokkema van de Neprom, de koepelorganisatie van projectontwikkelaars, woont zelf in een vinexgebied (de uitleglocatie Wateringseveld in Den Haag) en stoort zich aan ‘het gemakzuchtige, elitaire discours, waarin het heel gewoon is om af te geven op die vinexwijken.’

Wat is er tegen op een woonomgeving die rust, netheid, veiligheid en gewoonheid uitstraalt? Wat opvalt in veel gesprekken met bewoners is dat die zelf enigszins besmuikt, haast verexcuserend, spreken over de keuze voor Leidsche Rijn. ‘Ik woon in surrogaat-Utrecht’, grapt een bewoner, ze moet tenslotte het kanaal over om in het ‘echte’ Utrecht te komen.

Verbinding

‘Als je gezelligheid in je buurt echt belangrijk vindt, is dit niet je plek, denk ik’, zegt advocate Latifa Barou (32), die twee jaar geleden met haar man, ondernemer in levensmiddelen, en twee jonge kinderen (2 en 4 jaar) naar Leidsche Rijn verhuisde. ‘Mijn man en ik zijn ontzettend druk met werk en gezin, dus voor ons is het hier prima.’

Het Marokkaans-Nederlandse gezin, woonachtig in de wijk Het Zand, voelt zich na twee jaar thuis in de buurt. ‘Je moet hier zelf de verbinding maken’, zegt Barou, ‘het gaat niet vanzelf. Als buren me uitnodigen voor een borrel ga ik.’

Latifa Barou met haar man en twee kinderen in de vroege ochtend voor vertrek naar de kinderopvang. Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Juist omdat er niet zo veel te beleven valt komen initiatieven van buurtbewoners om gezamenlijk iets te doen steeds meer tot bloei. Kinderen zijn de verbindende factor. Barou: ‘Ik heb me inmiddels aangesloten bij de vrouwelijke ondernemersvereniging van Leidsche Rijn.’

De buitenstaanders mogen dan blijven emmeren over het vinexgebied dat ongezellig is, geen historie kent en een ziel mist, in het geval van Leidsche Rijn wordt door bewoners in elk geval gepoogd iets van een collectief zelfbewustzijn op te bouwen. Een uiting daarvan is het lied Mijn Leidsche Rijn, geschreven en gecomponeerd door wijkbewoonster Dookje Engelhard, dat vrijdag 5 oktober bij het bezoek van koningin Máxima aan Leidsche Rijn Centrum ten gehore werd gebracht.

Met onder meer deze, voor de plannenmakers van indertijd bemoedigende strofe: ‘De wijk waar ik altijd thuis zal horen/ Omdat ik de historie zo goed ken/ De wijk waar ik altijd wel blijf wonen/ Omdat ik een deel van haar creatie ben.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden