Leiders moeten handschoen oppakken

Bij de huidige roep om sterk leiderschap is angst geen effectieve reactie, zegt Janka Stoker in reactie op Paul Dekker....

Het thema leiderschap heeft de afgelopen weken veelvuldig de opiniepagina's gevuld. Dorien Pessers haalde uit naar managers, die ervan beschuldigd worden talloze leraren, artsen en verpleegkundigen het gevoel te geven dat hun beroep van hen is afgenomen (Forum, 23 juni; reacties op Forum en in Cicero, 30 juni). Eerder dit jaar sprak Geert Mak in een interview in Management Team over managers als een kliek van gewichtigdoenerige types die vooral aan hun eigen carrière denken en veel schade aanrichten. Dit alles past in een trend: leiderschap wordt te pas en te onpas genoemd als oorzaak van allerlei problemen in organisaties en in de maatschappij.

Afgelopen zaterdag was het de beurt aan Paul Dekker (het Betoog, 25 juni). Hij stelt dat de politiek zich zorgen moet maken over een sterk toegenomen roep om autoritair leiderschap. Wat hij bedoelt met autoritair leiderschap wordt overigens niet echt duidelijk, want de stelling (van Adorno) die hij in zijn onderzoek gebruikt, gaat over moedige, onvermoeibare en toegewijde leiders in wie het volk vertrouwen kan hebben.

In de leiderschapsliteratuur zou dit laatste niet gedefinieerd worden als autoritair, maar eerder als transformationeel of charismatisch leiderschap. En daar waar autoritair leiderschap een sterk negatieve gevoelswaarde heeft, geldt dat niet voor transformationeel leiderschap. Integendeel, uit onderzoek blijkt dat dergelijk leiderschap effectief is en tot positieve resultaten leidt.

Maar afgezien daarvan is er nog iets anders aan de hand in het artikel van Dekker. Hij signaleert een interessante trend: mensen willen minder regels en een sterke leider. Deze toegenomen behoefte wordt gecombineerd met een behoefte aan meer inspraak. Deze combinatie is volgens Dekker inconsistent en moet vooral worden gezien als een uiting van toegenomen burgerlijk ongeduld. De politiek moet volgens Dekker hierop reageren.

Dekker pleit voor het toepassen van democratische principes dicht bij de burger en uitbreiding van medezeggenschap bij collectieve voorzieningen in buurten, zodat 'men leert dat men er onderling uit moet komen en dat compromissen en een beetje bureaucratie onvermijdelijk zijn. Wie weet, zal dan ook weer een beetje begrip voor de grote politiek ontstaan.'

Het lijkt erop of hij hiermee tegen de 'ongeduldige burger' zegt: jullie behoefte aan een sterke leider heeft geen grond, we hebben prima leiders, en als jullie nou maar oefenen met de democratie in het klein, zullen jullie vanzelf begrijpen dat het allemaal niet makkelijk is in de echte wereld.

Dit getuigt niet alleen van een paternalistische houding, maar gaat bovendien uit van een onwaarschijnlijk vooronderstelling. Alsof mensen door een dergelijke, hoogstwaarschijnlijk frustrerende ervaring, denken: 'Nu snap ik het, het is echt heel moeilijk die democratie, Balkenende doet het helemaal zo slecht nog niet. Wat een leider!'

Of wellicht is Dekkers vermoeden dat dergelijke ervaringen er toe leiden dat de burger - wanneer hij eenmaal gemerkt heeft hoe moeilijk het is in de echte wereld - tot inzicht komt en geen behoefte meer heeft aan een sterke leider. Bij beide veronderstellingen zijn vraagtekens te zetten.

Bovendien is de oplossing van Dekker symptomatisch voor wat veel leiders op dit moment doen. Natuurlijk kan de roep om een grote leider hachelijk zijn, zo leert ons de geschiedenis. De politiek en leiders moeten dat dus ook serieus nemen. Maar de gevaarlijkste reactie is het bagatelliseren van die behoefte. Verscheidene politieke leiders hebben vergelijkbaar gedrag de afgelopen maanden regelmatig tentoongespreid. Denk aan de oproep van minister Bot aan mensen die het niet begrepen, thuis te blijven bij het referendum over de Europese Grondwet.

Een sterk staaltje hiervan werd vorige week vertoond door premier Balkenende, die in een hete week met een bijna-crisis rondom de WAO, na kritische vragen van journalisten stelt dat zijn kabinet 'lekker bezig is'.

Mensen hebben geen behoefte aan autoritair leiderschap, ze willen krachtig leiderschap. Dit verlangen is niet per definitie verkeerd. Integendeel, juist in tijden van onzekerheid en verandering is het niet meer dan logisch dat mensen richting en visie willen van toegewijde leiders. Leiderschap is een van de belangrijkste factoren om verandering te realiseren. Begrip en goed kunnen luisteren zijn daarbij belangrijk.

Vanzelfsprekend is het, zeker bij impopulaire maatregelen, niet eenvoudig altijd iets te doen met onvrede en kritiek. Het is naïef te denken dat iedereen mee wil met elke verandering.

Maar het gevoel gehoord te worden is op zijn minst iets waar je als leider voor zou kunnen zorgen. Leidinggeven in tijden van verandering betekent bovenal ook dat je iets doet met de boodschap die je krijgt. Dit vergt dat leiders in staat zijn naar zichzelf te kijken. Het had wellicht geholpen als de politiek voorafgaand aan het referendum over de Europese Grondwet bereid was geweest naar haar eigen rol en gedrag te kijken, in plaats van zelfgenoegzaam en paternalistisch grote uitspraken te doen over uitgaande lichten en aanstaande oorlogen. Dit betekent dat leidinggevenden zelf bereid moeten zijn om, misschien wel als eersten, te veranderen en daarmee het goede voorbeeld geven.

Angst voor de roep om leiderschap is geen effectieve reactie. Ik pleit, in tegenstelling tot Paul Dekker, dus niet voor het terugleggen van de bal bij de burger, maar juist voor het oppakken van de handschoen door leiders. Zij moeten aandacht besteden aan het ontwikkelen van krachtig leiderschap. Krachtig leiderschap is niet hetzelfde als autoritair leiderschap, maar uit zich in leiders die laten zien dat ze kunnen luisteren, die uitleg geven over de manier waarop ze leiderschap invullen, die zichzelf kwetsbaar opstellen en bereid zijn naar zichzelf te kijken.

Bovendien kunnen we de leiders hierbij helpen, door feedback-mechanismen richting Den Haag te organiseren. Een keer in de vier jaar is daarvoor niet toereikend. In de meeste organisaties krijgen leiders in ieder geval jaarlijks te horen hoe ze functioneren en wordt van hen verwacht dat ze daar ook iets mee doen. Vooralsnog laten de politieke leiders weinig zelfreflectie zien, zo blijkt uit het eerder genoemde citaat van Balkenende.

Misschien een goed voornemen voor na het reces? Er zijn kansen te over om benut te worden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden