Leiden eet vollebok

SOMS WORDT taalkunde humor. Wie de website www.iklulhaags.nl bezoekt, zal er een mooi voorbeeld van zien. In een aantal lessen kan de bezoeker zelf Haags leren spreken en lezen, en wie deze 'kugsus' met vrucht doorloopt, kan ten slotte zijn diploma door de printer laten afdrukken....

Andere voorbeelden van dergelijke 'volkstaalkunde' dateren al van voor het digitale tijdperk. Breda en het Bredaas beschikken over een humoristische papieren handleiding, en in Tilburg zijn ze al toe aan de zevende editie van Tilburgs vur tonpraoters, een woordenboek voor wie zich wil bekwamen in het rond carnaval populaire tonpraten, of wie zich dient voor te bereiden op het jaarlijkse Grôot Diktee van de Tilburgse Taol.

Als we ergens blij om mogen zijn, dan is het dat er een zogenoemde standaardtaal is, en dat geen Nederlander verplicht is zijn kennis en beheersing van zijn dialect voor een examencommissie te bewijzen. Frans, Duits, en Engels zijn al erg genoeg, maar Haags, Limburgs, en Stellingwerfs zijn erger. In West-Brabants van Hans Heestermans en Jan Stroop lezen we regels die erger zijn dan de uitzonderingen in de Duitse grammatica, zoals: 'Korte klinkers vóór n of m plus een medeklinker worden lang.' Maar in Bergen op Zoom juist weer niet. Een peer is in het Limburgs een 'paer', het meervoud ervan is 'paere', omdat vrouwelijke woorden een 'e' in het meervoud krijgen.

Het venijn van deze regel zit uiteraard in het vermogen een juist onderscheid te maken tussen mannelijke en vrouwelijke woorden, iets wat veel taalgebruikers al niet meer lukt in de standaardtaal. In Venloos, Roermonds en Sittards schrijft Pierre Bakkes bovendien: 'Er zijn veel uitzonderingen op deze regel.' En zoals het een goed docent betaamt, voegt hij er optimistisch aan toe: 'Voor de taallerende Limburger is dat geen probleem: het Limburgs wordt op het gehoor geleerd.'

De twee genoemde titels van dialectbeschrijvingen maken deel uit van de dertiendelige reeks 'Taal in stad en land', een serie die op twee gedachten leunt: taalkunde en cultuurhistorie. In het taalkundig gedeelte (grammatica, zinsbouw, uitspraakleer) doen de auteurs pogingen hun dialect toegankelijk of althans begrijpelijk te maken voor degenen die het niet spreken, ofwel, zoals ze in de regio Stellingwerf zeggen, voor 'butermeensken', de buitenlui. Juist omdat er niemand is die een dialect uit een boekje leert, hebben deze hoofdstukken vooral een registrerend karakter.

In de meeste gevallen wordt de registratie ook in een historisch perspectief geplaatst. In grove lijnen kan ten aanzien van de vorige eeuw geconcludeerd worden dat lokale dialecten steeds verder opgaan in regiodialecten, en dat stadsdialecten steeds meer op de standaardtaal gaan lijken en daarvan nog slechts afwijken door hun accent. Het tekort dat boekuitgaven per definitie hebben, namelijk dat ze niets hoorbaar kunnen maken (vandaar dat het Haags Tale Instituut een 'ceidei' bijvoegt) wordt enigszins ondervangen door de geluidsfragmenten die op de website www.taalinstadenland.nl beluisterd kunnen worden. Het betreft uitsluitend luisterbestanden. Hoe humor en klank leer elkaar kunnen vinden, is te zien en te horen op de site http://let.kub.nl/literair/, onder de knop 'Brabants'.

De situatie waarin de Nederlandse dialecten verkeren, is merkwaardig tweeslachtig. In haar inleiding bij de dertien delen stelt hoofdredacteur Nicoline van der Sijs vast dat het aantal personen dat een dialect spreekt, in hoog tempo is afgenomen, maar dat de belangstelling voor dialectische cultuuruitingen daarentegen bloeit als nooit tevoren. Elk boek bevat één of meer lijsten van typische dialectwoorden uit heden en verleden, een aantal citaten uit de literatuur die in het beschreven dialect gepubliceerd is, een beredeneerde bibliografie en een beschrijving van de actuele beleving van het dialect. Muziek met teksten in het dialect is een belangrijk medium geworden. De woordenlijsten van het deel Leids zijn op thema ingericht, en dat werkt verhelderend; ze eten er vollebok, zwaardenmaag en kramerij.

Diverse auteurs buigen zich over de vraag wat de oorzaken zijn van deze zogenoemde 'dialectrenaissance'. Een reactie op de globalisering is een terugkerend antwoord, met als gevolg een toenemende waardering voor het eigene van streek en taal. De informalisering van de samenleving sedert de jaren zestig van de vorige eeuw lijkt een tweede belangrijke factor te zijn geweest: dialecten werden steeds minder taboe, ook al doordat sprekers in steeds hogere mate tweetalig werden en zich naar believen van het dialect of de standaardtaal kunnen bedienen.

De belangrijkste oorzaak is echter toch dat zangers, cabaretiers, nachtburgemeesters, stripfiguren en lokale of regionale dichters en columnschrijvers zich zijn gaan uitdrukken in de taal van stad of streek. Humor, intimiteit, emoties: het dialect is een zeer effectief communicatiemiddel gebleken. Er is een vertaling van Jip en Janneke in het Twents, van Suske & Wiske in het Limburgs. Herman Finkers en Gé Reinders trekken volle zalen, popgroepen als Normaal en Rowwen Hèze zijn populair ver buiten hun taalgrenzen. In de regio Stellingwerf werd werk van Cees Nooteboom, Maarten 't Hart en Vonne van der Meer vertaald. De eerste twee stripboeken van Haagse Harry waren goed voor een verkoop van honderdduizend exemplaren elk.

Aan laatstgenoemde ontlenen we het beste advies dat gegeven kan worden aan degenen die één of meer delen van de reeks onder ogen krijgen, en dat ook geldt voor alle geschreven dialectteksten: 'Hagtop leize!'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden