Leger in een glazen stolp

De wereldberoemde terracottakrijgers van Xi'an hebben niet het rijk alleen. Die van Xuzhou zijn kleiner, minder talrijk en wat minder spectaculair, maar ze hebben in deze tijd van massatoerisme een enorm voordeel boven de Xi'anse krijgers: ze krijgen aanmerkelijk minder bezoek....

Geen enkele stad is op de vroege zondagmorgen op zijn best, maar Xuzhou verdient beslist een saaiheidsprijs. De anderhalf miljoen inwoners van deze industriestad in de Oost-Chinese provincie Jiangsu liggen nog op bed. Behalve dan het legertje gepensioneerden dat op de beboste hellingen van de Wolkendraakheuvel bezig is met slow-motion-gymnastiek - nee, geen Falun Gong - en zich daar zo te zien gelukzalig bij voelt.

Vanaf het terras op de top van de heuvel is volgens de boekjes het uitzicht over stad en ommelanden fenomenaal. Maar vanochtend wordt al die pracht door de wolken van de draak aan het zicht onttrokken. Dan blijft slechts over een bezoek aan het verleden. En dat vergoedt dubbel en dwars de uitzichtloze saaiheid van Xuzhou.

Een fabriekshal-achtige constructie is opgericht boven een archeologische schat. In vier sleuven in de grond, elk 25 meter lang, staat een miniatuurleger opgesteld van ruim vierduizend soldaten en paarden, aangevoerd door een vorst die waarschijnlijk op een houten wagen stond. Met zijn 54 centimeter is hij ruim een kop groter dan zijn mannen. Hun beroemde wapenbroeders in Xi'an zijn levensgroot.

Er zijn jonge en oude soldaten bij, magere en weldoorvoede, cavalleristen en artilleristen. Sommigen zitten geknield, anderen marcheren, weer anderen drijven de paarden. De een heeft op zijn rug een pijlenmand, een ander heeft de hand geklemd om een - inmiddels vergaan - houten wapen. Hun lange haar hebben ze opgebonden. De hoofden steken los in het lijf zodat ze kunnen draaien.

Net als de kleikrijgers van Xi'an hebben de beelden een persoonlijke uitdrukking op hun gezicht. Zeker, ze vormen een massa, maar dan wel een massa van individuen. En in dat individuele zijn ze toch weer massaal, want de gemeenschappelijke ondertoon van hun gevoel is de droefheid om hun gestorven heer, Liu Wu, derde vorst van het hertogdom Chu, het huidige Xuzhou.

Liu Wu regeerde van 128 tot 116 voor Christus, in het tijdperk van de westelijke (of vroege) Han. Hij zou door zelfmoord aan zijn eind zijn gekomen. Van zijn troepen kon hij ook na zijn dood niet scheiden, niet alleen uit gewoonte, maar ook omdat hij ze nodig had om zich in het hiernamaals de boze geesten van het lijf te houden.

Ondergrondse postume bewaking was geen uitvinding van Liu Wu. De grondlegger van het Chinese keizerrijk, koning Qin, was met deze gewoonte begonnen. Nadat hij zes krijgsheren had verslagen, stichtte hij in 221 het verenigde China en de eerste keizersdynastie. Hij noemde zich Qin Shihuang, Eerste Keizer van de Qin. Het woord Qin, uitgesproken Tsjin, leidde tot de westerse naam voor China, dat in het Chinees zelf Zhongguo heet, Middenland, ofwel Rijk van het centrum van de wereld.

Xi'an werd de hoofdstad van deze onwaarschijnlijk wrede despoot, wiens grootste bewonderaar in moderne tijd Mao Zedong is geweest. Hij standaardiseerde maten en gewichten, de munt en het schrift en liet een netwerk aanleggen van wegen en kanalen. In zijn streng beveiligde graftombe nam hij fabelachtige schatten mee. Zijn concubines en allen die de geheimen van zijn mausoleum kenden, werden na zijn dood in 210 voor Christus samen met hem begraven, maar dan levend.

Een ondergronds leger van minstens achtduizend kleisoldaten, en wie weet hoeveel er nog ontdekt zullen worden, moest de veiligheid van de dode keizer garanderen. Boven de grond werd zijn zoon en opvolger al na vier jaar ten val gebracht door boerenrevoltes. De Qin-dynastie, die volgens haar stichter tienduizend generaties lang zou regeren, maakte plaats voor de Han-dynastie (206 voor Christus tot 220 na). Boven de terracottasoldaten stapelde het stof der eeuwen zich steeds dikker op.

In 1974 deden boeren die een put aan het graven waren, een van de grootste archeologische ontdekkingen van de twintigste eeuw. Een van hen heeft tegenwoordig een ander beroep: hij doet de hele dag niets anders dan zijn handtekening zetten op toeristenfolders en voor de zoveelste keer hetzelfde verhaal vertellen over de ontdekking van het leger van kleisoldaten.

Tien jaar later herhaalde de geschiedenis zich in Xuzhou. Bij het uitgraven van een visvijver viste een groepje boeren geheel gave kleibeeldjes uit de grond. In plaats van een vijver kwam er een museum, dat van Xuzhou een tweede Xi'an moest maken. En met de toeristen zou het geld bij bakken binnenkomen. Vanaf een muur roepen grote karakters het de bevolking didactisch toe: 'Modelburgers maken model-toeristensteden'.

Maar echt vlotten wil het niet met Xuzhou, ondanks de bazalten reuzenschildpadden voor het museum die, over de kop geaaid, de aaier alle voorspoed garanderen. Het gemeentebestuur klaagt dat de buitenlandse toeristen wel de weg naar Xi'an weten te vinden, maar niet die naar Xuzhou. Voor de toeristen die daar wel in slagen, is dat prettig, en voor de beelden zelf ook.

In de stationshal die boven de krijgers en paarden van Xi'an is gebouwd, hebben miljoenen bezoekers het microklimaat grondig veranderd. Door toedoen van de verhoogde warmte, vochtigheid en vervuiling hebben zich ruim veertig soorten schimmels ontwikkeld. Ze hebben zich al vastgezet op 1400 beelden en vreten die langzaam aan. Na 22 eeuwen veilig onder de grond te hebben gelegen, dreigen de krijgers van Xi'an aan hun eigen beroemdheid alsnog ten onder te gaan. Een Belgisch farmaceutisch bedrijf heeft onlangs opdracht gekregen dit smadelijke einde te voorkomen.

In Xuzhou beschermt een lange glazen stolp boven de sleuven de krijgertjes tegen ongewenste bacteriën en schimmels. Een van de sleuven is weer dichtgegooid. Ondergronds liggen de broze beeldjes geduldig te wachten op de toepassing van nieuwe technologieën die hen zo goed mogelijk moeten conserveren.

Waar de soldaten zijn, daar moet ergens ook hun vorst verblijven. Op anderhalve kilometer van de krijgers van Xi'an lag het fabuleuze mausoleum van keizer Qin Shihuang met zijn schatten en miniatuurpaleizen. Alles wat ervan over is, is een aarden hoop, waar de opgravingen al lang geleden zijn verricht door grafrovers. In Xuzhou daarentegen wacht de bezoeker een kolossale verrassing.

Twintig jaar geleden stuitten gravende boeren aan de voet van de Leeuwenheuvel op een monumentaal graf. Vier jaar later bewees de ontdekking van zilveren zegels met een handvat in de vorm van een schildpad de identiteit van de dode die daar begraven lag. Het verband tussen het graf en het terracottaleger, dat kort tevoren was ontdekt op driehonderd meter afstand, stond nu vast.

In 1994 begon de officiële opgraving van wat een van de grootste graftombes van China bleek te zijn. Ze bestaat uit twee parallel lopende gangen en vijftien vertrekken. De rechtercorridor leidt naar het graf van hertog Liu Wu, de linker naar dat van zijn vrouw. De gangen zijn 56 meter lang, iets meer dan een meter breed en 1.78 meter hoog. Ze lopen exact van west naar oost, zodat er geen boze aardgeesten kunnen binnenkomen.

De precisie waarmee de gangen in de rots zijn uitgehakt, doet denken aan de messcherp geslepen rotsblokken van de Inca's. In de Peruaanse stad Cuzco zijn nog Inca-huizen te vinden van stenen die zonder cement op elkaar zijn gestapeld. Er is letterlijk geen speld tussen te krijgen.

Zo zijn ook deze lange gangen in de Leeuwenheuvel uitgehakt met een verbazingwekkende nauwkeurigheid, onderstreept door een rode lichtstraal die zonder onderbreking rakelings langs een van de gangmuren scheert. Over de hele lengte van de gang is de afwijking slechts vijf millimeter. Even onthutsend is de vrijwel volmaakte parallellie van beide gangen, met een afwijking van niet meer dan twintig boogseconden.

De vertrekken van het mausoleum dienden als infrastructuur voor het leven na de dood: een keuken met een bron, een toilet, een wapenkamer, een paardenstal met drinkplaats, een garage voor de wagens, een schatkamer. In de antichambre voor de eigenlijke grafkamer staat in het midden een forse pilaar. Hij is niet opgericht maar uitgehakt. Dit schitterende voorbeeld van 'negatieve architectuur' doet denken aan de grafkamers van de Etrusken en de grotten in Cappadocië en het Zuid-Italiaanse Matera.

De archeologen waren niet de eerste bezoekers van Liu Wu's graf. In een inscriptie had de vorst gewaarschuwd dat er in zijn mausoleum niets van waarde te vinden was, maar dat was in roverskringen terecht opgevat als een trucje om ongewenst bezoek buiten de tombe te houden. Plunderaars schoven de zes, zeven ton zware sluitstenen van de kamers opzij en stalen een onbekende hoeveelheid kostbaarheden.

Bijna tweeduizend voorwerpen waren niet interessant voor de rovers of aan hun aandacht ontsnapt. Ze vormen een kostbare collectie: een wagen en zes paarden van klei, sieraden en bekers van jade, bronzen vaten voor de eredienst, rijk gedecoreerde gouden en zilveren voorwerpen, en vooral de sierlijke grafkisten van Liu Wu en zijn gemalin.

Om de kisten te beschermen tegen de vochtigheid en tegen nieuwe dieven heeft men ze ondergebracht in een museum in de provinciale hoofdstad Nanking. De grafbezoekers moeten genoegen nemen met kopieën. Ook de hoge dode zelf is gekopieerd, waarvoor in zijn kist gevonden botten zijn gebruikt. Het resultaat van deze fantasierijke reconstructie is een fiere, strenge man, die gehelmd en geharnast voor altijd de scepter zwaait over zijn dodenrijkje.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden