Legendarische danser eerbiedig tot leven gewekt

Dans..

AMSTERDAM ‘I started to dance like a God.’ Fier en gespierd toont de mooie jongen Nijinsky, een rol die Cédric Ygnace op het lijf is geschreven, zijn befaamde sprongkracht. Hij danst ‘omdat ik voel’. Op zijn 30ste heeft die gevoeligheid volledig en verwoestend bezit van hem genomen, en kan hij niet meer dansen. Als een ziek vogeltje zit hij in een stoel, het lichaam veel ieler, zijn woorden veel groter: ‘I am Gód!’, zingt bas-bariton Frans Fiselier met een detonerend hoge uithaal.

Dit is zo’n beetje hoe het de Rus Vaslav Nijinsky (1889-1950) aan het begin van de 20ste eeuw verging. In Nijinsky – dancer, clown, god van Het Nationale Ballet tekent choreograaf Krzysztof Pastor met eerbied en precisie een beeld van het leven en de persoonlijkheid van deze eerste mannelijke sterdanser, die met eigen – openlijk erotische en qua idioom tegendraadse – balletten als L’apres-midi d’un faun (1912) en Le sacre du printemps (1913) de danswereld op haar kop zette. Nijinsky stond wel als danser maar niet als karakter stevig in zijn schoenen en werd uiteindelijk, net als zijn broer, schizofreen verklaard. Zijn gevoeligheid was zijn kracht, maar ook zijn zwakte.

Biseksualiteit
Pastor, die graag verhalende, psychologiserende stukken maakt, zet de tweespalt in Nijinsky centraal. Lof of trots, lust of liefde, geluk of rede, leven of dood: er is veel wat Nijinsky, in wezen een introverte ziel, in verwarring bracht. Zijn biseksualiteit was, hoe open hij daar ook voor uitkwam en hoe oprecht hij ook voor al zijn liefdes ging, misschien wel de grootste hersenkraker. Of hij nu een relatie heeft met een man of een vrouw, telkens weer lijkt hij de gemanipuleerde, wordt er aan alle kanten aan hem getrokken. Het maakt hem onzeker, in Amsterdam zwalkt hij letterlijk heen en weer tussen zijn grote mannenliefde Diaghilev, directeur van het vernieuwende Ballets Russes, en zijn grote vrouwenliefde Romola.

Nijinsky’s verhaal wordt voor een deel verteld aan de hand van tableaux (het gezin, waar de vader van wegloopt), historische foto’s (van Nijinsky, zijn balletten, de oorlog, Parijs) en geprojecteerde dagboekfragmenten die live worden gezongen in een compositie van Bob Zimmerman. Deze over elkaar buitelende gedachtesprongen van Nijinsky zijn fascinerend, een opera waard. De passages uit sleutelrollen en sleutelwerken van Nijinsky zijn ingenieus ingezet: er komen hele hordes (stuurloze, hopeloos verliefde) Petruchka’s en (directieve, wellustige) faunen voorbij, hier overduidelijk functionerend als karakterschets van de hoofdpersoon.

Bewonderenswaardig is de overgave waarmee Ygnace, een bijzonder krachtige en toch poëtische danser, de innerlijke verscheurdheid van Nijinsky etaleert.

Subtiel is hoe de aankleding (Toer van Schayk) zwart-wit is voor de grote ensemblestukken (de high society, de balletklas) en alleen in kleur voor alles en iedereen die Nijinsky na aan het hart stonden: zijn broer, die hij om zijn schizofrenie ook vreesde, zijn eigen balletten en natuurlijk Diaghilev en Romola. En toch schort er iets, waardoor de genialiteit en gekte van Nijinsky niet vlammen, niet in je maag gaan zitten. Het heeft te maken met de dramaturgische constructie van het ballet – die zo aan de oppervlakte ligt dat je je voortdurend bewust bent van hoe alles in elkaar steekt – en met Pastors vloeiende dansstijl, die vooral mooi maar ongevaarlijk is. Zelfs de hoekige citaten uit Nijinksy’s oeuvre worden er onberispelijk van.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden