Lees: de liefde

De meeste romans gaan uiteindelijk over de liefde. Over ontroering en schaamte, lust en verraad en altijd weer het verlangen naar die Ene. Tien passages uit de Nederlandse literatuur, tien keer de liefde aan het woord.

1 Liefde op het eerste gezicht

Voor generaties Nederlandse pubers is het een oerboek. De eerste kennismaking met seks op papier, als je er zelf nog niet aan doet: Jan Wolkers' Turks fruit. Sappige, bronstige seks tussen een beeldhouwer en zijn liefje, plastisch beschreven. En achteloze wegwerpseks met talloze vrouwen die de kunstenaar naar zijn hol sleept als Olga hem heeft verlaten voor een kantoorknuppel. Van Turks fruit steek je als puber veel op. Maar het is toch vooral een tragisch liefdesverhaal, dat eindigt met Olga's dood aan een hersentumor.


De eerste ontmoeting tussen die twee blijft bij. Ware liefde, op slag. De beeldhouwer staat te liften en wordt opgepikt door een roodharig meisje. 'Steeds keek ik even opzij naar haar gezicht. Haar mollige wangen met sproeten. Dat prachtige rooie haar, waarvan ik al had gevraagd of het echt was, en toen had ze ja gezegd, had ik maar zoiets gezegd van dat dat nou venetiaans blond was. Ik had haar lachend aangekeken toen ik even later met Cliff Richard meezong: 'Look at her hair, it's real.' Ondertussen had ik eraan gedacht of haar okselhaar en haar schaamhaar ook rood zouden zijn. En ik ging een beetje verder van haar af zitten zodat ik, als ze opzij keek, tenminste haar ogen kon zien. Prachtige ogen. De mooiste die ik ooit van mijn leven gezien had. Bruin waren ze. Net goud.' Luttele kilometers later wordt de auto aan de kant gezet voor een woeste vrijpartij. 'Terwijl ik de rommel met mijn zakdoek wegveegde vroeg ik haar of ze een beetje van me hield. En ze zei: 'Een beetje boel. Anders was ik nooit voor je gestopt.''


Maar dan komt de boete: 'Ik vond haar zo lief dat ik gewoon vergat toen ik de ritssluiting van mijn spijkerbroek wilde dichttrekken dat mijn pik nog niet in mijn ondergoed zat. Ik gaf een schreeuw van pijn en kon me meteen niet meer bewegen.' Olga moet bij een boerderij aanbellen om een tangetje te lenen. De liefde is gesmeed.


2 Puberliefde

Mara, een meisje van een jaar of 15, hoofdpersoon in de roman Gemis (1997) van Manon Uphoff, is de schrik van de buurt. Ze heeft zwart omrande ogen, kleedt zich uitdagend en spijbelt van school. Ze kan alle jongens krijgen, maar ze kiest de verlegen Helmi: 'De puistjes bedekten zijn gezicht als paddestoelen nat hout en om hem heen hing de lucht van teerzeep en zwavel. (...) Zijn familie kampte met huidproblemen zoals mijn familie kampte met liefde.' Daarom is Helmi geschikt.


''Helmi', zou ik zeggen. 'Ja?' 'Houd je van mij?' Hij zou geen antwoord geven. Dat kon hij niet, want mijn lippen drukten op de zijne. (...) Ik zat bovenop hem en drukte met mijn knieën zijn armen tegen de grond, zodat hij nergens heen kon gaan. Ik vind het prettig als hij zo nerveus transpireerde wanneer ik dicht bij hem kwam zitten.' Helmi geeft zelfs toe als Mara besluit 'een teken' in zijn rug te krassen met een glasscherf. Gedwee draait hij haar zijn rug toe. Na de pijnlijke behandeling dept Mara de wonden. 'Op Helmi's gezicht was inmiddels een heldheftige, trotse uitdrukking verschenen - alsof hij me werkelijk iets had bewezen.'


3 Bezeten liefde

Sebastiaan ontmoet haar in een peepshow - zij aan het werk, hij de klant. Maar eigenlijk is Vicky danseres. Ze krijgen wat met elkaar, maar Vicky is ongrijpbaar. Ze vindt dat seks hun vriendschap bederft. Intussen versiert ze onder zijn ogen anderen. Ze tergt hem door haar telefoon niet op te nemen en niet terug te bellen. Sebastiaan vlucht naar Italië, vanwaar hij wanhopig haar voicemail vol schreeuwt. Opeens ligt er een briefje op de mat: Sebastiaan moet op het politiebureau verschijnen. Hij, een pianist die variaties op Scarlatti componeert, is een stalker. De debuutroman van Christiaan Weijts, Art.285b (2006) vertelt dit treurige, hilarische verhaal.


'Mevrouw H.H. droeg een bril met grote dikke glazen. Ze was werkelijk verbluffend lelijk. Een kleiner, iets verfijnder montuur zou niets hebben goedgemaakt. Ik deed een poging om in alle redelijkheid uit te leggen wat er was voorgevallen. Het leek me het veiligst om me hiervoor te bedienen van het populair-psychologische jargon van de vrouwenbladen. Intieme band opgebouwd waarin we altijd alles met elkaar deelden. Ontdekte op een gegeven moment dat de verhouding scheef zat. Was mijn emoties niet meer de baas nadat zij op een feestje met een andere man naar bed was geweest.'


Maar dan duikt dat ene, half-grappig bedoelde voicemailbericht op: 'Als je me nu niet belt, verwoest ik je leven, zaadgrage chlamydiahoer.' Bedreiging dus. En het wordt erger: Sebastiaan had op de voicemail gezegd: 'Leven kan ik alleen met jou of anders in het geheel niet' en gedreigd hebben 'van een of ander gebouw te springen'. Verweer is nauwelijks mogelijk. 'Deze vernedering zou ik haar niet gunnen. Met alle tranen die ik om die slet vergoten had, kon je inmiddels de Looiersgracht vullen. Ik ademde in en keek haar recht aan. 'De Ponte Vecchio is een brug, mevrouw. Een brug. Maar goed, ik heb geen zwemdiploma, dus het zou inderdaad als zelfmoord geïnterpreteerd kunnen worden. Ik beken schuld aan alles wat mij ten laste wordt gelegd. Kan ik gaan of neemt u me in voorlopige hechtenis?''


4 Verboden liefde

Twee jongens, Sam en Joop, wonen samen in de Amsterdamse Pijp. Ze hebben een relatie. Niks bijzonders, zou je denken. Maar de roman waarin zij de hoofdpersonen zijn, Pijpelijntjes van Jacob Israël de Haan, is van 1904. Homo's, ook wel 'urningen', zijn outcasts.


De liefdesscènes hebben een schattig hoog Bert&Ernie-gehalte:


'- Sam, kom bij me slapen.


- Weer wat nieuws, net wou je niet, toen ik 't vroeg... wat ben je weer mal vandaag.


- Nee, net niet... toe doe 't nou... ik lig al... zeg, ik doe al m'n goed uit... kom je nou?


- Ja dadelijk, malle jongensvent... (...)


- Toe nou...


In zijn armen lag ik, licht-bevend, heel dicht tegen hem aan en een rose tinteling liep onder m'n warme huid door.


- Sam, we doen toch eigenlijk niets ergs... ik hou alleen maar van je.


- Ja zeker, het is niets hoor... je bent een beste boy...


(...) Dan ineenend, niet-wetend waarom begon ik te huilen, ruw-snikkend-schokkend tegen hem aan.'


'Sam', voor wie de schrijver Arnold Aletrino model zou hebben gestaan, zou 'Joop' verlaten en trouwen. De Haan, journalist bij dagblad Het Volk, werd na publicatie van dit 'schandelijke boek' ontslagen. Hij vertrok naar Palestina, waar hij werd vermoord.


5 Liefde van één dag

Soms zit er heel veel liefde in één zin. In het verhaal 'Onrustige dagen' (uit Dood weermiddel 1976) van F.B. Hotz is een verzekeringsman met de trein op weg naar Amsterdam. Het is augustus 1914; Luik is gebombardeerd. Tegenover hem zit een Belgische vluchtelinge. Ze is adembenemend mooi, en bedroefd. De man bedenkt een smoes om haar te kunnen ontmoeten: hij wil haar een verzekeringspolis voor uitgewekenen aanbieden. Hij vindt haar adres, hangt een kletspraatje op en zij, Fleur, drukt hem de hand. Duizelig loopt hij over straat: 'Nu en dan hield ik bij het oversteken mijn hand hoog aan een paal of hek om bloed uit de door warmte gezwollen aderen te laten teruglopen. Mijn hand leek dan iets meer op de hare.' Uit dat laatste zinnetje spreekt een totale overgave en vereenzelviging met die onbekende vrouw. Thuis overvalt de man de angst dat zijn gezin door een oorlogsramp wordt getroffen, voor straf. De laatste zin van het verhaal getuigt, op een korzelige manier, óók van liefde. Kijkend naar zijn vrouw denkt de man: 'Zo staande over haar werk leek ze wel een baal hooi, maar ik wilde van haar houden.'


6 Verkeerd getimede liefde

Toen hij haar voor het eerst was ze een kind, Marte, een sprietig meisje met een wipneus, dat voetbalt. 'Net een pasgeboren girafje', dacht Emile, hoofdpersoon in Marte Jacobs van Tim Krabbé (2007). Hij zit in de zesde van de middelbare school, zij in de eerste. Hij schrijft een gedicht, 'Pasgeboren girafje'. Het wordt een klassieker, hij krijgt er jarenlang hele zalen mee plat van ontroering. Marte en Emile worden vrienden, zwerven een zomer lang door de stad, maar hij durft zijn liefde niet te bekennen. Want Marte is nog maar 14. En hij heeft een vriendin. Ze verliezen elkaar uit het oog. Vier jaar later ziet Emile Marte terug op een schoolreünie. Het girafje is een mooie vrouw geworden. Die avond, besluit hij, zal zij eindelijk de zijne worden. Ze dansen. Maar als hij bij de uitgang op haar wacht is daar ineens Willem Reiff, zijn oude schoolvriend. 'Jou moet ik hebben', zegt Reiff, zijn hand op Martes schouder leggend. 'Jij bent een ontzettend lekker meisje. Ga mee.' Het volgende moment is Marte Jacobs uit het leven van de dichter verdwenen.


7 Eerste liefde

In Over de liefde, de laatste roman van de begin dit jaar overleden Doeschka Meijsing, worden we alle hoeken van de liefde in gesleurd, de meest glorieuze, de lieflijkste, de beschamendste en de pijnlijkste. Vooral die laatste. Voor de derde keer in het leven van Pip is een grote liefde ten einde, en ze weet niet waarom. Of ja, door 'de druiloor', een oudere man met een 'moe ossenlijf', die al maanden handjevrijend met haar geliefde Jula in restaurants werd gesignaleerd. Jula, die de veertien jaar oudere Pip altijd adoreerde, kiest voor de druiloor en Pip zakt in een diepe depressie. 'Mijn taak bestond erin dag in dag uit de kraan open te draaien - en weer dicht. Het was mijn enige en daarom belangrijkste opdracht, die ik voor geen goud aan een ander over zou laten.'


Toch zijn in deze roman over verraad in de liefde de herinneringen aan de twaalf jaren met Jula - mooi, fris, slim, sportief, ambitieus - niet de schrijnendste. Dat zijn de passages over Buri Vermeer, Pips gymnastieklerares op de middelbare school. Haar eerste grote liefde, de moeder aller liefdes:


'Niet weg was Buri Vermeer, de vijfentwintigjarige blondharige lerares die zelden lachte, ons met strenge drift tot de orde riep, niet geloofde in maandelijkse pijntjes en erop toezag dat we onder de douche gingen, niet ernaast. (...) De gereserveerde, onbewogen Buri Vermeer, getrouwd met de jonge god Christofoor Vermeer die haar soms ophaalde, werd zonder dat ik het wilde of eropuit was, mijn eerste grote liefde. (...) Ik haatte onze Victoriaanse meisjessportkleding, ik haatte de knotsen en het wandrek en de brug met ongelijke leggers, maar ik aanbad het van licht gemaakte wezen dat Buri Vermeer heette, met haar altijd bruine huid en haar helderblauwe ogen, die ze nooit langer op mij liet vallen dan nodig was.' Pip beloert haar juf vanachter een boom, schrijft gedichten over haar en springt juichend uit bed op dagen dat ze gymnastiek heeft. Het zou nooit meer overgaan.


8 Wanhopige liefde

Tussen Doeschka Meijsing en haar jongere broer Geerten woedde altijd de strijd wie nu de beste schrijver was. Geerten Meijsing schrijft barokker dan zijn zus en minder cynisch. Toch gaat hun werk vaak over hetzelfde: de teloorgang van de liefde en de depressies en alcoholische onderdompeling die daarop volgen. Geerten Meijsing deed dat het mooist in een verhaal 'Confessioni di un malandrino' uit 1981. Het is een smartelijke klaagzang over het verlies van zijn geliefde Maria, die hij met woorden probeert terug te halen.


Eén lange zin (en dan nog ingekort), barstend van verlangen:


'En telkens weer zal ik je hand vasthouden, en soms ligt de palm vlak en plat tegen de mijne aan, als om een zo groot mogelijk oppervlak van jezelf tegen mij aan te houden (...) en telkens weer zal ik in je gaan en jij zult mij vragen dat te doen en als je voor mij open bent en mij zult vasthouden is er toch zoiets als een belofte in vervulling gegaan van de schoonheid waarin we werkelijk opgaan met dezelfde verwachtingen en gedeelde gedachten en ook ons zweet en de angst en de onbegrijpelijke complexiteit van wat er verder nog is of van je lippen en mijn tong die steeds hetzelfde gebied afzoeken naar iets wat prachtig is (...) en het is warm en vochtig en droog en hard en zacht en koel en als je lippen ruw zijn halen ze mijn ziel open zodat ik zachtjes bloed van ontroering voor jou en alle dingen die je bent, al die stille pracht die je mij aanbiedt omdat je er zelf niet veel raad mee weet en bijna is dat alles te veel voor mij en zou ik willen huilen in je hals, heel stil, je voelt alleen mijn tranen naar beneden lopen over je borst, omdat je zo hartverscheurend mooi bent en zo ontroerend en omdat ik zo van je gedachten houd en van wat er allemaal voor ondoorgrondelijks in jou afspeelt, bewegend op de fasen van de maan, het kloppen en bonzen en de rijpheid van de herfsten en dagen laat in de zomer als druiven voor ze naar de pers gaan zo vol en dronken makend is jouw geur jouw aanwezigheid zijn jouw kleine gebaren en de opslag van je oog je glimlach je lange benen en wat daar allemaal door ingesloten en beschermd wordt dat leven geeft en troost en verrukking zoals de wereld in je ogen en achter het springerige pony van je pasgewassen haar.'


Maar ze gáát, Maria. 'Daarna reed je weg op je nieuwe racefiets, in een cocktailjurk en met een filtersigaret. We geloofden geen van beiden dat je wegging. Je keek lang om, wierp me nog een kushandje toe.'


9 Onmachtige liefde

Als Albert Egberts, de held van de romancyclus De tandeloze tijd van A.F.Th. van der Heijden in deel 2, De gevarendriehoek, psychologie studeert, schrikt hij van een woord: 'Het was een schok voor Albert om zijn toestand benoemd te zien. 'Impotentie'. Pas het woord maakte hem echt... impotent.'


Pijnlijk is de romance met het frêle, dwangmatige meisje Milli Händel. Seks stellen Albert en Milli zo lang mogelijk uit. Ze belanden toch in bed, maar het blijft bij nerveus strelen. Zij zegt dat het ligt aan haar verkramptheid en behoedt hem daarmee voor gezichtsverlies. Aan het eind van het machteloze weekeinde in bed is Albert kapot. 'Vooral in de testikels had zich een geniepige pijn genesteld, trekkend tot diep in de buik.' De volgende keer komt het wel tot een ontlading - bij hem - maar ook dat is een vreugdeloze exercitie. 'Zijn geschok viel samen met Milli's schrikreactie (...) op zoveel spattend geweld door haar vuist teweeggebracht.'


Milli Händel is zijn nichtje, dat is het probleem. Misschien is ze zelfs zijn halfzus, want haar verwekker, Egbert Egberts, Alberts oom, zou ook zijn biologische vader kunnen zijn. Die mogelijke 'bloedschennigheid' verhoogt de opwinding. En: Albert heeft nu een alibi voor zijn impotentie. Zal deze 'halfzus' hem daarvan genezen? Ook in latere delen van de cyclus zien we Albert als toegewijde minnaar, onvermoeibaar in de weer met zijn handen en tong, maar terugdeinzend voor de daad, waarbij hij wel eens verzwolgen zou kunnen worden. Het blijft een gevarendriehoek, daar tussen die vrouwenbenen.


10 Gesublimeerde liefde

Gerard Reve, tot slot. Zijn werk gaat op elke pagina over de Liefde (en de Dood). Een parade van verlegen soldaten, blozende matrozen, Meedogenloze Jongens en Definitieve Verloofdes trekt langs, en evenzovele jongensheuvels en vossenholen. Bij Reve is de geliefde vaak of een onbereikbare aanbedene, of een laf, geminacht wezen, dat langdurig aan martelingen wordt onderworpen. In Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966) ontwikkelt Reve de theorie van het 'revisme', een liefdesdienst waarin een geliefde mooie jongens ter onderwerping krijgt aangeboden.


Maar de ultieme sacrale liefdesdaad is toch de vereniging met God. We zijn beland bij de vreemdste liefdesscène in de Nederlands literatuur, uit Nader tot U:


'God zelf zou bij mij langskomen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: 'Gerard, dat boek van je - weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?' 'Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U,' zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten.'


Met dit ingewikkelde mengsel van seks en religie wisten weinig lezers raad. Reve wist wel, schrijft hij, dat hij 'nooit bij enig mensenkind begrip zou vinden voor de revistiese Sprookjes van Vader de Ezel'. Maar dit gedicht, 'Paradijs' (1966) is voor iedereen te volgen:


Ik was een heel erg grote beer die toch heel lief was.


God was een Ezel en hield veel van mij.


En iedereen was gelukkig.


Zomer van de liefde: talkshow 2!

Zondag 16 september, 15:30, organiseert V weer in Hotel Arena in Amsterdam een Zomer van de Liefde-talkshow. Het thema ditmaal: De Taal der Liefde. Bestaat er zoiets als verleidelijke taal? Hoe verkoop je jezelf het best, talig gezien? Hoe communiceren dieren hun liefde? Kees Moeliker, Aaf Brandt Corstius, Nico Dijkshoorn en anderen geven antwoord op deze en andere vragen. Kluun en V's eigen Aimée Kiene presenteren. Kaarten à 20 euro (zitten) of 17,50 euro (staan) via volkskrant.nl/zomervandeliefde. Bestel! Nu!


Manuscripta

1 en 2 september presenteren Nederlandse uitgeverijen de nieuwe titels van het komende seizoen. Op het Westergasfabriekterrein in Amsterdam kun je genieten van boekpresentaties, podiumoptredens, interviews met bekende en debuterende auteurs, signeersessies, exclusieve previews van boekverfilmingen en bijzondere acts. Met onder anderen René Appel, Gouden Strop-winnaar Bram Dehouck, Anna Enquist, Ronald Giphart, Renske de Greef, Arthur Japin, Oek de Jong en Geert Mak. Kijk voor kaarten op manuscripta.nl.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.