Leersums gelach

Over stille armoede is statistisch weinig bekend, over het isolement waarin havelozen verkeren nog minder. Peter den Hartoog, 'anonymus' als zovelen, poogt dat isolement te doorbreken op een recreatieterrein bij Wijk bij Duurstede, maar stuit voortdurend op de muren van de democratie....

WIE BENT U, vroeg ik aan iemand,

maar hij kon niet, hij was niemand.

In de maatschappelijke lappendeken is hij 'een stofje', niemand. Een oude hippie van 43 met een woest verleden, gerafelde spijkerbroek en een paardenstaart. Een rare sok tussen de zwarte kousen van het steile Leersum. Maar de rol van 'niemand', van stille arme, is hem, de knokker Peter den Hartoog, opgedrongen door starre 'kutregeltjes', door sociale diensten die er 'geen fuck' van begrijpen.

Eenmaal een have-not in 'dit verdommese leven' en je bent gebrandmerkt; tien jaar uitkering en je bent afgedankt, een vod op de vuilstort. Ze vragen hem niet wat hij kán, ze geven hem niet de kans om jongeren drugsgebruik, waarvan hij alles weet, uit het hoofd te praten; ze doen hem 'genadiglijk' een jaartje in de bijstand, en oké, ze helpen hem zuinigjes met zijn uitspanninkje aan de 'dode arm' van de Nederrijn, maar dan moet ie wel aan alle sjabloontjes voldoen.

En wat stelt die hulp in vredesnaam voor? De facto is zijn nering op het idyllische recreatieterrein Gravenbos bij Wijk bij Duurstede na twee jaar failliet. Schuld: zevenduizend gulden. Hij had de afgelopen zomer niet meer dan 21 zon-dagen, de eerste bezoekers streken pas tijdens de finale van Wimbledon neer. Zijn aggregaat werd gestolen, niet verzekerd: 'De tranen kwamen uit mijn knieën.'

Hij kan misschien nog even voort, omdat de hoofdleverancier nog niet op zijn strepen staat, maar de banken en de bureaucratie zien niets in zijn onderneming, hij heeft geen onderpand voor investeringsleningen. 'Kun je je voorstellen dat ik de Victory Boogie Woogie wel eens te grazen zou willen nemen? Maar dan met een glaasje water, want meer zou ik natuurlijk nooit durven. Ik geloof niet in dingen kapotmaken.

'Op mijn twintigste kwam ik voor het eerst bij de sociale dienst. Een kerel van het GAK is een poosje aan het lullen en je staat weer buiten: geen geld. Dat is een klap van onrechtvaardigheid die je nog jaren meedraagt, je gaat loeren op andere onrechtvaardigheden. Toen ik later weer om werk kwam, zeiden ze: pak je hengeltje toch en ga lekker genieten van je bijstand. Maar zo ben ik niet, dat verdom ik. Ze kijken niet naar je als mens, hebben ze ook niet voor geleerd. En dan zijn ze verbaasd als iemand woedend de pui ramt.

'De organisatie van het midden- en kleinbedrijf voorspelde doodleuk dat ik de rest van mijn leven in de bijstand zou blijven, dat wordt zo maar even beweerd. Mijn vader heeft vijftig jaar in een fabriek gesloofd en dan ik vijftig jaar in de bijstand? Nooit. Ik wil werken. Mijn moeder haalde in de oorlog op de fiets uit Zwolle een zak rotte aardappelen op, tachtig kilometer heen en terug. Die gedachte sleept me erdoor.'

'De goeie jongen' Den Hartoog laat zich snel meevoeren door de 'roes van zijn eigen woorden', zoals gezegd wordt door de Leersumse dominee Arjan Pleizier, een van de weinigen die Den Hartoog dankbaar is. Maar later, als de 'oude hip' weer neergedaald is uit zijn vliegende frustratie, legt hij nuchter de paradox voor van de stille armoede die luidruchtig om leniging vraagt. Een stille armoede waarvan ook op regeringsniveau nauwelijks cijfers bekend zijn, een stille armoe 'waarmee Tweede-Kamerleden en andere hoge heren zo zelden direct worden geconfronteerd dat ze er ook geen creatieve oplossingen voor kunnen bedenken.

'Tien dagen niet te vreten hebben, geen postzegel op je sollicitatiebrief kunnen plakken, twee jaar lang geen geld voor een cadeautje op de kinderverjaardagen, dat doet pijn. En erger nog is het isolement waarin je verzeild raakt, de eenzaamheid. Je gaat aan jezelf twijfelen. Niemand hoeft je nog, want je hebt niets meer uit te geven. Dat is zwaar. Je schaamt je ervoor met je armoede naar buiten te komen, terwijl je juist zit te springen om een steuntje in de rug. Een beetje aandacht, een half woord kan wonderen doen. Laat iedereen maar eens goed om zich heen kijken, overal is verborgen armoe in de nabijheid. Voor alles heb je organisaties en bonden, voor mijn lotgenoten niet.

'Ik ben zeeman geweest, pikeur, barkeeper, wat al niet, niet meer geschikt voor een kantoorbaan, ik moet iets ondernemen. Goed, ga je kerstbomen verkopen, bij Appie Heijn, heel eenvoudig, ik had alles geregeld, was er weer een of ander regeltje of shit-belangetje waardoor het niet mocht. Terwijl half Nederland z'n zakken liep te vullen. Toen begon ik dus boos te worden. Want je hebt de plicht maar ook het recht om uit een poel van verderf te komen. En dat recht krijg je niet.'

MET DIE POEL bedoelt Den Hartoog zijn twee grote psychische inzinkingen, maar zeker ook het verderf van zijn eigen, om het eufemistisch te zeggen, 'ruige' jeugd. Hij is niet alleen de werkloze die bij een herbegin van zijn leven voortdurend tegen de ommuring van de werkende maatschappij loopt, maar ook nog eens de last van een beladen verleden draagt. Hij vertoefde in criminele kringen, werd drugspecialist, kwam in aanraking met de 'onvermijdelijkheid' van geweld. Maar hij hoorde er niet bij, zomin als hij bij de 'gewone wereld' hoorde, en hij zwoer zijn grootste ondeugden af.

'Om los te laten wat ik heb losgelaten, moet je sterk in je schoenen staan, hoor. Ik heb met stapels bankbiljetten gezwaaid, witwassers bij me gekregen, ben met drugsdealers omgegaan, met de grote jongens; ik kon enorm goed stelen, het is zo gemakkelijk goudgeld te verdienen. Ik weiger het nu, ik wil eerlijk zijn, want van eerlijkheid word je sterk, maar als ik voor mijn keet hier een oud melkbussenkarretje koop om ijs te vervoeren en ik word de mislukte ijscoman genoemd, dan is dat hard hoor. Je hebt een beloning nodig, zoals de jeugd, wil je die iets bijbrengen, ook een beloning nodig heeft. Het is eigenlijk levensgevaarlijk hoe de maatschappij mij afscheept. Een ander zou zo terugvallen.

'Armoe en criminaliteit zitten natuurlijk dicht bij elkaar. Vroeger was het al zo dat alleen de armen de armen hielpen, de charitas van de rijken stelt geen fuck voor, terwijl die juist zouden moeten beseffen dat ze niet kunnen leven door de armen mee te nemen. Ze beseffen niet dat Indonesië ooit ons grootste depot voor heroïne was, dat Nederland daar rijk van is geworden. Nee, ze sluiten zich op in hun eigen getto's, waardoor je Honecker-achtige toestanden krijgt.

'Waar woont die Van den Heerik van Feyenoord met zijn kale bruine harses? Op Cyprus, hoeft ie geen belasting te betalen. Maatschappelijk gezien zeg ik: oprotten, ga daar maar op Cyprus zitten. Z'n man maakt de dienst uit en geniet alle voordelen van de Nederlandse maatschappij. Wat dacht je, zo wordt de afstand toch alleen maar groter.

'De jongeren in die arme getto's worden crimineel, ze hangen apathisch in coffeeshops rond, ik ben tegen coffeeshops, niet tegen een goed stickie voor de gezelligheid. Zoals je alcohol ook alleen voor de gezelligheid moet drinken, niet om je ellende te verzuipen, het is wél een harddrug. Je moet jongeren een echt doel geven, een taak. Leer ze een vak. Ik denk over werkkampen iets anders dan Lubbers, maar ik weet zeker dat het bouwen van die Batavia een fantastische ervaring is geweest.

'Mijn vrouw is hem tien jaar geleden gesmeerd met een ander, mijn twee geweldige zoons zijn me ontnomen, ik heb psychisch aan de grond gezeten, maar ik ben toch blijven geloven, niet in Onze-Lieve-Heer die als een boeman bliksems stuurt naar de aarde, maar als een energieveld. Hoewel ik slachtoffer ben, heb ik daarom toch een overwinnaarsverhaal.'

VAN DE ZOMER, op een van de weinige hete dagen, stond hij bij wat Leersum vreesde dat een 'dopie- en zopie-tent' zou worden, te zweten van het werk, terwijl drieduizend bezoekers 'lui blote tieten lagen te kijken' of zich in het water verpoosden. En hij ontdekte dat hij ineens weer, als vroeger op zee, in zichzelf liep te zingen. Zoals hij 's morgens zingt als hij zijn hond in de bossen van Leersum uitlaat. 'Jochie van Puffelen' heet die, de achternaam luidt: Van Ochtendstond tot Avondrood. Hij kreeg hem van een vriendin, tegen de eenzaamheid van de armoede.

Den Hartoog heft de hand, bijna in vervoering, haast in tranen: 'Als je niets hebt, ben je een stofje en toch, alles wat je doet, heeft zoveel gevolgen. Ik ben bang geweest voor mezelf, voor mijn macht, ik had een Hitlertje kunnen wezen. In niemand zit alleen een Ghandi, die in zijn jeugd trouwens ook maar een egoïstische advocaat was. Het gaat erom het beest in jezelf te overwinnen, van het verleden de goede dingen te leren. Oorlogen hebben vaak zuiverend gewerkt, het waren oplossingen om telkens opnieuw te beginnen als het met de wereld fout ging.

'Ik geloof dat we in staat zijn opnieuw mens te worden, als we de navelstreng met moeder aarde, met de materie, hebben doorgesneden. Zoals een kind een eigen mens wordt als de navelstreng met de moeder wordt doorgeknipt. We hebben nu, aan het eind van de eeuw de kans het goede van 2000 jaar op te pakken en de volgende 3000 jaar een heel nieuwe weg te bewandelen. Maar waar brengen we onze kinderen naartoe? Naar een kale plek met wat bomen en klimtoestellen die we een bos noemen. Pure fake. Een kind ziet een tak en gaat eraan hangen, maar leer het ook beseffen hoe lang een boom erover doet om zo uit te groeien. We leren kinderen niet meer wat wat is.

'We kopen een pleziervaartuig en laten het een halfjaar midden in Utrecht liggen. Hoe durf je zoveel geld uit te geven terwijl je van de zee en van vissen geen notie hebt? De blik van de zeeman wordt vertroebeld door satellieten, net als het strand door het aangezicht van die geile boortorens. Maar voor een dakkapelletje moet je tien vergunningen aanvragen, vanwege de horizonvervuiling!

'Ze halen de dromen van de jeugd weg. Jongens als ik gingen op zoek naar een nieuwe wereld, dat moet opnieuw gebeuren. Vluchten kan niet meer, we moeten nu met de billen bloot, wij kunnen beslissen, want als we het goede nu niet binnenlaten, komt het slechte weer boven. Maar wat gebeurt? Iedereen moet in driedelig grijs naar zijn bedrijf; naar de beurs, één grote verneukerij natuurlijk, want als het misgaat, zijn natuurlijk eerst alle kleine beleggers de lul. De groten stelen miljoenen, wat dacht je dan dat kleine Marokkaantjes doen die het nog moeilijker hebben dan de Nederlandse jongeren? Want zij worden ook nog eens uitgekotst door hun uit middeleeuwse dorpen afkomstige ouders.

'De dwangmatigheid van gedrag! Met blinde ogen trappen we erin. We zitten als lemmingen twee uur in de file naar Zandvoort. We stoppen bij McDonald's, waar kinderen in allemaal hetzelfde apenpakkie 5,40 gulden per uur vangen, terwijl de echte poen naar Amerika gaat. Die dingen ziet de jeugd toch ook, vind je het dan gek dat er een stel is dat zegt: ''Ik sla gewoon een oud mens voor d'r knar?'' We hebben ze niet geleerd met weinig gelukkig te zijn. We spraken na de oorlog over de bevrijding, maar we weten intussen niet meer waar we toen écht van bevrijd zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden