Leerlingbegeleider: 'De verhalen die je niet hoort, zijn het ergst'

Als leerlingbegeleider en mentor op een havo/vwo-school krijgt Addy Verschuren allerlei verhalen te horen. Meestal gaan ze over onzekerheid en over het sociale leven op school, maar er komt ook wel eens iets zwaarders voorbij - en dat valt niet altijd mee. 'Afstand nemen is soms moeilijk', zegt hij.

© THINKSTOCK

De allerschrijnendste verhalen? Daar hoeft hij niet lang over na te denken. Dat zijn niet de eetproblemen, de automutilaties, zelfs niet de suïcidale pubers die hij wel eens voorbij ziet komen. Wat hem het allermeeste zorgen baart zijn juist de verhalen die hij niet hoort. 'Soms wéét je gewoon dat er iets niet deugt. Een leerling draagt lange mouwen, maar het is hartje zomer. Of valt flauw in de les. Als ik ernaar vraag, willen ze er niet over praten - of ze blijven hardnekkig volhouden dat er niets aan de hand is. Ik nodig de leerling uit om me op te zoeken, maar meer dan de deur open zetten kan ik niet doen. Kinderen zijn slim; als ze iets geheim willen houden, lukt ze dat. Als zo'n leerling uitstroomt, verdwijnt hij van de radar, en blijft iedereen met het gevoel zitten dat er iets helemaal mis is. Dat is enorm frustrerend.'

Eerste aanspreekpunt
Sinds vijf jaar is Addy Verschuren (38) leerlingbegeleider; daarvoor was hij mentor - naast zijn gewone werk als geschiedenisdocent. De mentor is een docent die de leerlingen vooral helpt met praktische zaken, het eerste aanspreekpunt. Is er meer hulp nodig, dan volgt de leerlingbegeleider. Verschurens school., het St. Michaël College in Zaandam, heeft vier leerlingbegeleiders. De vier nemen wekelijks samen hun week door.

'Veel problemen hebben met onzekerheid te maken. Over het sociale gebeuren buiten, op school. Soms hebben we rare pieken. We hadden een schooljaar met negen sterfgevallen in de directe omgeving, dus vader, moeder, broer of zus die overleed. En met automutilatie lijkt het erop dat meiden elkaar aansteken.'

Vertrouwen is essentieel. De leerlingen storten niet zomaar hun hart uit. Daarom is de leerlingbegeleider ook docent - leerlingen praten eerder en gemakkelijker met iemand die ze kennen, ook al is het alleen maar van gezicht. Maar hulp bieden buiten medeweten van de ouders, dat kan eigenlijk niet, weet Verschuren. 'Het is een klassieke beginnersfout om vertrouwelijkheid te beloven.' Tot het zestiende jaar is het verplicht om de ouders in te lichten - en ook daarna is het vaak nagenoeg onmogelijk de leerling te helpen zonder dat de ouders op de hoogte zijn. Verschuren: 'Op het moment dat jij vertrouwelijkheid toezegt, kun je voor enorme dilemma's komen te staan. Denk eens aan een leerling die vertelt suïcidaal te zijn, maar niet wil dat zijn ouders daar achter komen. Dat kun je niet voor je houden, dat is levensgevaarlijk. Als zo iemand naar me toestapt, dan bel ik de ouders, met medeweten van de leerling. Dat die leerling dan boos is - dat is dan maar zo.'

Verschuren zegt het altijd eerlijk tegen zijn leerlingen: als je niet wil dat je ouders het te weten komen, kun je me beter niets vertellen. 'Ik kan niet beloven dat ik het met niemand ga bespreken.'

Regie
Vaak stapt de leerling daar uiteindelijk wel overheen, weet de begeleider. 'Leerlingen die bij mij aankloppen, willen allemaal geholpen worden. Ik probeer de leerling altijd een stukje regie te geven, en bespreek bijvoorbeeld wanneer en hoe we de ouders gaan inlichten. Wil hij het eerst zelf bespreken? Wat is een goed moment? Uiteindelijk begrijpen ze meestal wel dat het echt noodzakelijk is om de ouders erbij te betrekken.'

Ouders zitten meestal niet bepaald te wachten op een telefoontje van de leerlingbegeleider. Geen enkele ouder is blij als zijn dochter worstelt met anorexia. 'Ouders schieten wel eens in de ontkenning. Ze willen niet dat hun kinderen problemen hebben, en geven dat vorm door boos te worden op de boodschapper. Anderen voelen zich heel schuldig dat zij zelf de signalen niet hebben opgepikt. Als de ergste schrik gezakt is, zijn ze meestal wel dankbaar. En, gelukkig: ook bereid om mee te werken.'

Toch zijn er ook wel eens conflicten. 'Geen scheldende ouders op kantoor, maar het komt wel voor dat zij een heel andere kant op willen, of niet willen meegaan in het hulptraject. Soms komt er, als de meningen verschillen, een gesprek met de schoolleiding - en afhankelijk van dat gesprek gaan we een oplossing zoeken. Het kan zijn dat er een andere oplossing komt dan ik had bedacht, of dat een andere leerlingbegeleider de zaak overneemt.'

'In het uiterste geval, als we er echt niet uit komen met de ouders, dan kunnen we een zorgmelding doen, bij Bureau Jeugdzorg of bij het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling. Dan verloopt het hulptraject verder buiten school. Als de ouders boos worden: jammer dan. Wij gaan uit van onze inschatting van wat het beste is voor het kind. Maar dat zijn heel grote uitzonderingen. Meestal gaat het goed.'

De combinatie met het 'gewone' docentschap is soms knap lastig. Verschuren heeft soms leerlingen in de klas van wie hij weet dat ze in de problemen zitten. 'Ik probeer het los te koppelen. Ik voer er geen gesprekken over in de les en maak ook geen afspraken. Als een leerling die ik begeleid zich misdraagt, en ik weet dat dat komt vanwege bepaalde problemen, dan is het verleidelijk om hem of haar minder streng te benaderen. Maar dat is lang niet altijd in het belang van die leerling.'

Playstation
Ook lastig: loslaten. Hoe voorkom je dat je wakker ligt van je leerlingen? 'Daar is niet echt een handleiding voor. Ik merk wel dat het me beter lukt om er niet bewust mee bezig te zijn, nu ik meer ervaring heb. Maar soms werken dingen toch op je gemoed. Ik ga naar huis, praat met mijn partner, speel met mijn kind, ik heb hobby's om te ontspannen. Maar soms zit ik achter mijn Playstation en dan schiet me ineens een plan binnen voor leerling X. Dan weet ik dat ik er op een onbewust niveau toch mee bezig ben.'

Het maakt het zwaar, zegt Verschuren, en dan woont hij ook nog eens vlakbij zijn school - extra moeilijk om afstand te nemen. Hij denkt ook niet dat hij het tot zijn pensioen kan blijven doen. 'De wekelijkse gesprekken met de andere leerlingbegeleiders werken als verwerking. Een beetje galgenhumor schuwen we vaak niet', geeft hij toe.

Sommige gevallen weet hij nog precies. Hij was mentor van een meisje dat onder haar niveau presteerde. 'Ik had het gevoel dat er thuis iets niet zo goed ging, en dat bleek ook zo te zijn. Maar dat meisje wilde niet dat er iets mee gebeurde. Het ging zo slecht dat ze niet op school kon blijven. Haar ouders gaven aan ook niet te begrijpen wat er fout was, terwijl de problemen toch thuis waren begonnen. Wat me enorm raakte: het meisje zei zelf dat ze soms heus ook wel een corrigerende tik verdiende.'

'Ze stroomde uit en ik hoorde jaren niets meer van haar. Toen ze slaagde voor een opleiding, stuurde ze me haar cijferlijst, met een kaartje erbij waarin ze me alsnog bedankte voor onze gesprekken. Daar was ik heel blij mee, want ik had al die jaren rondgelopen met het gevoel dat ik haar niet had geholpen. Tegelijkertijd is dat kaartje ook mijn valkuil. Meestal hoor je van zo'n leerling niets meer, en ook dan moet je verder. En vrede hebben met het resultaat van je inspanningen.'

Hij zegt: 'Het is niet eens een voorbeeld uit de allerzwaarste categorie - maar soms heb je een klik met de leerling, of herken je iets van jezelf - en dan word je onverwacht heel erg geraakt.'

Leerlingenzorg op maat
Elke klas in het voortgezet onderwijs heeft een mentor, en soms ook een co-mentor. Van alle docenten is ongeveer 60 procent mentor. Doorgaans worden docenten gevraagd om mentor te worden. 'Het is niet verplicht om ja te zeggen - de meeste docenten vinden het leuk, sommigen vinden het vreselijk, maar een mentoraat naast een gewone docentenfunctie kan wel worden meegerekend als de docent bijvoorbeeld promotie wil maken', legt Norbert Bollen uit, woordvoerder van de Nederlandse Vereniging van Schooldecanen en Leerlingbegeleiders (NVS-NVL). 'De criteria daarvoor zijn per school verschillend.' Om mentor te worden is er geen specifieke opleiding. Wel zijn er cursussen. Scholen zijn niet wettelijk verplicht om mentoren aan te stellen, maar het is wel gemeengoed, vertelt Bollen.

Volgens hem stamt aandacht voor de begeleiding van leerlingen uit de jaren zeventig, maar nam het pas echt een grote vlucht in de jaren negentig - toen de basisvorming en het studiehuis werden ingevoerd. Sindsdien is het belang alleen maar toegenomen; er zijn ook opleidingen bij hogescholen gekomen voor Leerlingbegeleiding en Schooldecanaat.

Een leerlingbegeleider komt vaak na de mentor en vangt de leerlingen op die meer of andere zorg nodig hebben. Leerlingbegeleiders zijn er in vele soorten en maten. Zo zijn er schoolmaatschappelijk werkers, counselors - en ook teamleiders en coördinatoren bewegen zich vaak op dit vlak. Sinds een paar jaar moet elke school een zorgadviesteam hebben, een ZAT. Dat team combineert de interne begeleiding van de school met hulp van externen, zoals Bureau Jeugdzorg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden