Leerling met ambitie komt er in Nederland bekaaid van af

Het Nederlands onderwijs is te veel gericht op 'de gemiddelde leerling'. Die gemiddelde leerling doet het in vergelijking met zijn buitenlandse leeftijdsgenoten dan ook goed. Leerlingen met meer ambities komen er in Nederland echter nogal bekaaid van af: docenten hebben te weinig oog voor hen. Dat schrijft de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, in een lijvig rapport over de staat van het Nederlands onderwijs.

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Jet Bussemaker staat voor de klas van 3 VMBO-t op de school Het Baken Almere, tijdens de Dag van de Leraar in 2014.Beeld anp

Nederlandse scholen investeren meer in 'remedial teaching', om zwakke leerlingen binnenboord te houden, dan in programma's voor leerlingen die wel wat meer uitgedaagd zouden willen worden. Veel Nederlands talent blijft daardoor onbenut.

Per saldo is het onderwijs in Nederland behoorlijk aan de maat, schrijft de OESO. Relatief veel Nederlanders (44 procent van de 25- tot 34-jarigen) hebben hoger onderwijs genoten. In wiskunde, natuurwetenschappen en taalbeheersing presteren Nederlandse leerlingen beter dan de meeste Europese leeftijdsgenoten - zij het minder goed dan scholieren in Aziatische landen. Sociaal zwakke leerlingen blijven in Nederland vaker binnenboord dan in de meeste andere westerse landen. Het Nederlands onderwijs sluit goed aan op de arbeidsmarkt. Scholen genieten veel onafhankelijkheid. En de Onderwijsinspectie doet goed werk. 'Het Nederlands schoolsysteem is een van de beste van de OESO-landen', stelt de OESO vast. Tegen relatief bescheiden kosten: 3,8 procent van het bbp - het OESO-gemiddelde.

De OESO neemt echter ook enkele problemen - 'uitdagingen', in zijn formulering - waar. Zo krijgt het voorschools onderwijs (voor kinderen tot een jaar of vier - in Nederland te weinig aandacht en zijn de werknemers in deze sector relatief laag geschoold. In het voortgezet onderwijs zijn docenten onvoldoende in staat om potenties van individuele leerlingen te onderkennen en te bevorderen. Verder concludeert de OESO, in navolging van de Onderwijsinspectie enkele weken geleden, dat het schooladvies nieuwe stijl - dat vooral is geënt op het oordeel van de basisschool over een leerling - nadelig heeft uitgepakt voor leerlingen uit sociaal zwakke milieus (wat onverlet laat dat die categorie in Nederland nog altijd veel beter af is dan in de meeste andere OESO-landen).

Beeld anp

Objectieve eindtoets

De OESO beveelt een 'objectieve eindtoets' aan waarmee niet kan worden gemarchandeerd. Een toets die, met andere woorden, allesbepalend is voor het niveau waarop een leerling instroomt in het voortgezet onderwijs en die door de middelbare school als toegangsbewijs moet worden geaccepteerd. Ze mag dus geen eigen 'selectie aan de poort' uitvoeren.

Een objectieve eindtoets is niet onfeilbaar, geeft de OESO toe. Maar dat is alleen problematisch als laatbloeiers later niet alsnog promotie kunnen maken in het onderwijs - door van vmbo naar havo of van havo naar vwo te migreren. De schotten tussen de verschillende onderwijstypen moeten dus poreus zijn. In de praktijk zijn ze dat, zoals de Onderwijsinspectie al heeft geconcludeerd, echter steeds minder. Brede brugklassen (waarin leerlingen van uiteenlopend niveau bij elkaar zitten) verdwijnen, net als brede scholengemeenschappen (met mogelijkheden om van spoor te wisselen).

(Tekst gaat verder onder de grafiek)

Staatssecretaris Sander Dekker van OC&WBeeld anp

Na de basisschool

De Nederlandse scholier kan na de basisschool uitzonderlijk veel sporen volgen, schrijft de OESO. Alleen binnen het vmbo zijn dat er al vier. Maar het onderlinge verschil is vaak nogal diffuus terwijl de mogelijkheden om van spoor te wisselen begrensd zijn. Sommige van die sporen kunnen volgens de OESO dus beter worden samengevoegd. De OESO beveelt een versmelting aan tussen vmbo-b (basis beroepsgerichte leerweg) en vmbo-k (kader beroepsgerichte leerweg), en eventueel ook tussen havo en vwo. Goede havo-leerlingen doen tenslotte niet onder voor zwakke vwo-leerlingen. Vanwaar dan het onderscheid tussen beide schooltypen, en vanwaar de moeilijkheden die havisten ondervinden bij hun pogingen die grens te overschrijden?

De OESO-rapporteurs besteden veel aandacht aan de uitzonderlijk lage motivatie van Nederlandse scholieren. In geen enkel ander land beleven zo veel leerlingen zo weinig plezier aan wiskunde als in Nederland. Zelfs goede leerlingen zien school overwegend als corvee waarvan ze zo snel mogelijk verlost willen worden. Nergens anders verlopen lessen zo onordelijk als in Nederland.

De OESO brengt dit in verband met het feit dat te veel (goede) leerlingen zich vervelen en met het feit dat slecht gedrag wordt afgestraft, maar goed gedrag wordt niet beloond. Nederlandse docenten hebben niet geleerd de verschillen in niveau van hun leerlingen te onderkennen en te bespelen. De OESO spreekt weliswaar waarderend over de toewijding van de Nederlandse docent - die in vergelijking met zijn buitenlandse collega's matig wordt beloond - maar lijkt ook enig heil te verwachten van de naderende pensioneringsgolf: jonge docenten zijn wellicht flexibeler en meer gericht op teamwerk dan hun oudere vakgenoten. De OESO geeft in overweging het beroep aantrekkelijker te maken door docenten meer carrièremogelijkheden en een betere beloning te bieden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden