Leergierig zijn, afkijken en stelen

Wat zouden we móeten weten van muziek, kunst, theater of literatuur? Twee generaties kunstenaars gaan met elkaar in discussie in een serie over de canon in de kunst, en noemen hun topvijf....

Of er één canon van de dans bestaat? 'Welnee.' Hans van Manen is resoluut. Een canon verschuift. Logisch. Neem nu hem en Sjoerd: 'We schelen veertig jaar!' George Balanchine is Van Manens grote held. 'Geweldig hoe hij met muziek en vormgeving omspringt, hoe brutaal hij voor zijn tijd was, met die swingende heupen.' Sjoerd Vreugdenhil, die zelf ooit Van Manens Concertante danste, vindt dat ook zijn generatie Balanchine moet kennen. 'Absoluut!' Maar om nu te zeggen dat Balanchine nog een inspiratiebron is? 'Nee. Voor mij was het vooral een eye opener om te zien hoeveel William Forsythe heeft gestolen van Balanchine.'

Het is een mooi duo, Van Manen en Vreugdenhil. Allebei afkomstig uit de klassieke school, maar beïnvloed door twee in elkaars verlengde liggende grootheden, de neoklassieke Balanchine en de postmoderne Forsythe. Van Manen is toch vooral een 'pure' geest, met zijn heldere, strakke, sobere dans. 'Die dans uitdrukt, en verder niets', zoals zijn befaamde credo luidt. Vreugdenhil is een multidisciplinair talent, wiens choreografieën een mix zijn van beweging, tekst, film en beeldende kunst. Heel verschillend dus, en toch ook o zo eensgezind in hun denken en discussiëren.

Van Manen: 'Over dansgeschiedenis wordt nauwelijks geschreven in Nederland. Dat heeft nog steeds te maken met een bepaalde discriminatie van de danskunst, het spijt me wel. Wezenlijke interesse ontbreekt. Het is jammer dat je de danskunst niet aan de muur kunt hangen. Dan zou er totaal anders, met meer respect, naar worden gekeken.'

Vreugdenhil, die een jaartje aan de Gerrit Rietveld Academie studeerde: 'Zelfs daar was dans nog bijna een vies woord. Vroeger werden danseressen gezien als prostituees. Dat blijft kennelijk de basis. Daarom is die extreme virtuositeit van Sylvie Guillem ook zo fantastisch. Die lef om dat lichamelijke voluit te gebruiken en te tonen. Toen ik op het conservatorium zat, mocht ik bijvoorbeeld mijn been niet zo hoog tillen: dat was ongepast, zeker voor mannen.'

Het is opmerkelijk hoezeer beide heren enerzijds klagen over het gebrek aan historisch besef in de dans, vooral in Nederland, maar anderzijds voortdurend inspiratiebronnen noemen die buiten de dans liggen. Voor Van Manen zijn dat de beeldende kunst ('ik ben een constructivist') en de muziek. Voor Vreugdenhil, die zelf ook schrijft, tekst en film.

Na enig aandringen schudt Van Manen alsnog een imposante danswaslijst uit zijn mouw. Inderdaad: Petipa en Balanchine, maar ook Robbins, Taylor, Graham, Forsythe, De Keersmaeker en natuurlijk meestertapdanser Fred Astaire. 'En ach ja, Cunningham mag er ook op, al heb ik daar mijn bedenkingen bij.' Maar Vreugdenhil, die blijft bij zijn 'rare', op een spiekbriefje gekrabbelde topvijf: 'Natuurlijk staat Forsythe erop, voor zijn esthetiek en dramaturgie. Maar verder zijn het types buiten de dans. Robert Wilson wat vormgeving en theatraliteit betreft. David Lynch om zijn eigenzinnige theatrale timing. De rockopera over Jerry Springer omdat die zo extreem is: dit kán niet, dit mág niet, denk je voortdurend. Geweldig! En ten slotte de nieuwe Airbus A380, het grootste passagiersvliegtuig ter wereld. Prachtig dat er nog mensen zijn die dingen blijven doorontwikkelen. Dat triggert een bepaalde passie bij mij, een energie waarvan ik echt heel blij word.'

Van Manen: 'Danser of choreograaf: je moet leergierig zijn. Hoe meer confrontaties – in de dans, buiten de dans – hoe beter.'

Vreugdenhil: 'Je moet kunnen analyseren. Zien hoe een ballet geconstrueerd is, hoe het visueel en emotioneel in elkaar steekt. En dat leer je alleen door te kijken naar andere stukken.'

Van Manen: 'Pas als je het mechaniek begrijpt, kun je persoonlijk worden. Er is niets heerlijkers dan verder gaan met wat je krijgt aangereikt. Ik heb een hekel aan plagiaat, maar niet aan imiteren. Stelen vind ik erg leuk. Picasso en Balanchine zeiden altijd: ''I steal wherever I can.''

Vreugdenhil: 'Een choreograaf moet eerst zelf hebben gedanst. Verschillende stijlen aan den lijve ondervonden hebben.'

Hans van Manen: 'Anders bezit je geen lichamelijke taal.'

Vreugdenhil: 'En weet je ook niet wat bij jou lichaam, jouw idee over dans past en hoe je dat verbaal moet communiceren.'

Van Manen – 'Mondriaan van de Nederlandse dans', bijzonder hoogleraar, Erasmusprijswinnaar – is zo'n beetje de canon van de Nederlandse dans in persona. Vreugdenhil is opgevoed met Van Manen en die andere reus, Jirí Kylián.

Vreugdenhil: 'Om hen zit ik nog elke dag met het zweet onder mijn okseltjes in de studio.'

Van Manen, stoïcijns: 'Ik ook hoor.'

Vreugdenhil: 'Nee serieus: jullie waren wel de iconen waar ik als klein jochie naar keek en jullie zijn nog steeds het exportartikel van de Nederlandse dans. Maar uiteindelijk zijn jullie niet mijn referentiepunten. Op de balletacademie was ik eigenlijk altijd een misfit: mijn rug is nogal lang.

Zo'n beperking dwingt je te gaan kijken hoe je je lichaam wél optimaal kunt gebruiken. Dat besef, die ontdekking, ontstaat al doende. Een canon is belangrijk, maar uiteindelijk vooral om jouw eigen specifieke manier van bewegen te vinden. Veel afkijken dus en dan doen wat bij je lichaam past.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden