Leer onze oude vrienden kennen

De canon van de vaderlandse geschiedenis zou er dezer dagen uitzien als een modieus lijstje van overwegend contemporaine studies. Michaël Zeeman vindt dat de aandacht moet worden verlegd naar het werk van P.C....

De plaats van handeling is Delft, 't klooster van Sant' Agata, de datum 9 juli 1584: wie op de lagere school nog jaartallenrijtjes in zijn hoofd heeft moeten stampen, weet waarom we daar zijn en wat er aan de hand is. Prins Willem van Oranje, 'leggende noch te bedde, liet hem voor zich koomen' - en die 'hem' is Balthasar Gerards, de man die, nog geen etmaal later, zijn moordenaar zou worden. De heren maken een praatje en 'als men, daar naa, hem aanzeide, dat hy weeder vertrekken zoude, wees hy dat nocht zyn hoozen nocht schoenen dochten, en verzocht wat gelds: 't welk de Prins hem deed behandigen.'

Die heeft dus zijn eigen executie gefinancierd, beseft de lezer die dat jaartallenrijtje nog kan oproepen. Maar hoe?

''S anderendaags besteedd' de booswicht het aan een paar zinkroeren, vervolgt de verslaggever, 'die hy kocht van twee soldaten der wacht, en krakeelde met den eenen, om dat hy hem weigerde teirlingloodt te maken. Ten volghenden middaaghe, tienden in Hooymaant, toefd' hy op 's Prinsen afkoomen, en maand' hem, in 't gaan na tafel, om eenen vryereyzbrief, met beevende stem, en zoo verbaasdelyk, dat het de Prinses bewoegh, tot vraaghen, wie die mensch met dat quaad opzicht was.'

Het zijn de woorden die P.C. Hooft, aan het slot van het twintigste boek van zijn Nederlandsche Historien, wijdt aan de aanloop op de moord op Willem van Oranje (mijn exemplaar is de vierde druk, van 1703). De erop volgende bladzijden leiden naar de apotheose, naar de moord zelf en de vluchtpoging van de moordenaar door de stallen, totdat hij, op straat uitgegleden over wat stro, door de lijfwacht van Willem van Oranje in de kraag wordt gevat en het tot hem doordringt wat er met hem gebeuren gaat.

P.C. Hooft is een psychologiserend verslaggever: hij houdt van details en hij kan zich moeiteloos in de gemoedstoestand van zijn personages verplaatsen. De historicus is een literator, de literator een historicus: wat het verschil is, is zijn obsessie nog niet. Goed schrijven en weten waar je het over hebt, dat zijn zijn uitgangspunten.

Adembenemende lectuur, derhalve - en dat is het wat mij betreft niet zozeer ondanks de afstand die de taal schept, dat in spelling onzekere, maar in woordkeus altijd vlijmscherpe Nederlands, maar vooral door de lichte bevreemding die woordbeeld en woordkeus bewerkstelligen. Het ziet er al oud uit, het vereist een lichte inspanning, een kleine omschakeling, een vertaalslag, om tot de tekst zelf door te dringen, en het is de noodzaak van die ingreep die ervoor zorgt dat de tekst op mij zo'n authentieke, betrouwbare indruk maakt.

Het is de taal van de tijd van het voorval zelf, en zoals een wapen gebruikt voor een notoire aanslag aan overtuigingskracht wint wanneer het geronnen bloed er nog op te zien is of er nog kruitresten in de loop zitten, zo overtuigt het verslag door de authenticiteit van de taal. Zoals een historisch belangwekkend object de 'historische sensatie' kan oproepen, dat afgrondelijke gevoel van de nabijheid van het verleden, van het wegvallen van de tijdsafstand, zoals een middeleeuwse kerk met a cappella koorzang en zondagochtendlicht als een tijdmachine kan werken, zo kan een tekst dat ook.

Zeker een historische tekst. Het loont de moeite om, waar het om de beslissende episoden uit de Nederlandse Opstand van de 16de eeuw en de erop volgende Tachtigjarige Oorlog gaat, naast P.C. Hooft ook telkens enkele andere auteurs te raadplegen. Historici, chroniqueurs, schrijvers, de tijdgenoten en bijna-tijdgenoten van de gebeurtenissen, de auteurs wier teksten nog de rauwheid van het onverwerkte kennen, of de hitte van de polemiek over wat er werkelijk gebeurd is en wat dat te betekenen heeft gehad. Geschiedenis schrijven is immers niet alleen ordenen en kiezen, het is ook waarderen en interpreteren, het is, inzake de eerste geschiedschrijving van de Opstand zelfs legitimeren.

Emmanuel van Meteren bijvoorbeeld, de Antwerpse koopman die, in Londense ballingschap, de geschiedenis van de opstand einde 16de eeuw maar eens is gaan noteren. Het exemplaar van zijn boek in mijn bibliotheek - de tweede uitgave, van begin 17de eeuw - is nog in fractuurschrift gedrukt, wat de inspanning van het lezen er nog groter op maakt, en de sensatie daardoor heel dicht bij het verleden, bij de beschreven gebeurtenissen zélf te staan nog dieper. De lectuur krijgt trekken van een archeologische opgraving.

Volgen, in de loop van de 17de eeuw, de aanzienlijk professionelere chroniqueurs Bor en Van Aitzema, volgt, een eeuw later, het volumineuze werk van de rasverteller Wagenaar. In een steeds complexer wordend coulissenlandschap van teksten wordt, naarmate de afstand tot de beschreven gebeurtenissen toeneemt, de geschiedschrijving dwingender. Waar Van Meteren nog aarzelt en dus zichzelf soms overschreeuwt - of de keuze van de opstandelingen de juiste is geweest staat wanneer hij schrijft bij lange na nog niet vast - is Wagenaar de gezeten burger van een succesvolle natie en een triomferende stad; de geschiedenis van die stad schreef hij ook meteen maar, eveneens in een veeldelig werk.

Bij zijn onderzoek naar de stand van zaken in het Nederlandse geschiedenisonderwijs en historisch onderzoek (aanvankelijk uitgevoerd voor Vrij Nederland, inmiddels ook als boekje verschenen, De vergeten geschiedenis van Nederland) laat Jos Palm professionele Nederlandse historici niet alleen een canon van belangrijke gebeurtenissen aanwijzen, maar ook een van belangrijke historische of historiografische werken. Op beide lijstjes valt het straf modieuze karakter van de geschiedschrijving als academische discipline meteen op: zwarte bladzijden in de vaderlandse geschiedenis zijn er wel, roze niet - laat staan gouden. Op die zwarte bladzijden zijn executies, vervolgingen, koloniale misdrijven (zo dat inmiddels al geen pleonasme is) en discriminerende stemmingen de ergste zonden. Het is alsof je een diep in het politiek correcte denken van de jaren negentig gemarineerde opvatting tot je neemt. Geschiedenis, 't is een windgevoelig vak.

Op het boekenlijstje staat een 19de-eeuws boek en dat is ook meteen het enige oorspronkelijke, dat wil zeggen documentair relevante werk: Multatuli's Max Havelaar. Het boek illustreert de kwestie waar het iets over zegt, ja, is er zelf onderdeel van geworden, het wanbeheer in de Nederlandse kolonie Oost-Indië. Alle overige gecanoniseerde boeken zijn 20ste-eeuws en het zijn studies, dat wil zeggen: secundaire literatuur. Behalve de twee plichtsgetrouw aangewezen titels van Johan Huizinga, en Jan en Annie Romeins Erflaters, gaat het bovendien telkens om recente boeken. Ook de academische geschiedschrijving lijdt aan de hoogmoed van het heden: wij weten en kunnen het beter dan welke generatie voor ons ook. Van daar is het nog maar een kleine stap naar morele superioriteit, het idee: 'wij zijn trouwens ook betere mensen dan onze voorouders'. Wat hun overkomen is, het zal ons niet gebeuren.

En dat is nu juist de visie waar wat mij betreft kennis van de geschiedenis zo ingrijpend op afdingt. Niets relativeert de arrogantie van nu beter dan contact met de geschiedenis, geen beter nar zelfs dan die van eeuwen her. Veel van mijn beste vrienden zijn dood, sommigen zelfs al eeuwen: ik ken ze louter uit hun geschriften, die onbestelbare post die ten slotte op mijn werktafel terecht is gekomen. Niets relativeert mijn kortstondig bestaan sterker dan het bestaan van een oud boek, een 17de-eeuwse historische studie of kroniek bijvoorbeeld: ik mag dan veinzen dat ik het bezit, maar het object op zichzelf - die Hooft, die Van Meteren - is al drie-, vierhonderd jaar ouder dan ik. Het maakt mij, een van zijn vele lezers, een voorbijganger in zijn eigen geschiedenis: na mij zal iemand anders het lezen en menen te bezitten.

Ziedaar de peilloze overtuigingskracht van de historische sensatie, van object en taal van het boek beide.

Ziedaar ook de noodzaak van canonisering van historische teksten, en niet alleen van recente historiografische bestsellers. We praten nu in Nederland over de wenselijkheid van een literaire en een historische canon, van een lijst beslissende gebeurtenissen en bepalende boeken die iedereen zou moeten kennen om deel te kunnen nemen aan de Nederlandse samenleving. In dat gesprek lijkt de oorspronkelijke stem van de geschiedenis niet meer te klinken: wij kennen onze bronnen en onze oudste historici niet. Van Meteren is, dat ik weet, nooit herdrukt, van P.C. Hoofts Nederlandsche Historien is weliswaar zestig jaar geleden nog een royale bloemlezing gemaakt, maar veruit de meeste stemmen uit het verleden over dat verleden is radicaal het zwijgen opgelegd. Ook door historici.

Mijn canon van historische boeken over de vaderlandse geschiedenis zou daarom geen contemporaine studies bevatten, hoe goed die, vooral van Anglo-Amerikaanse herkomst, ook zijn, maar een bibliotheek van bronnen en oudere studies. Van Van Meteren tot de 19de-eeuwse Schotel, van Hooft tot Ver Huell, van Jacob van Maerlant tot Robert Fruin, van de brieven van Constantijn Huygens tot en met de brieven van Abraham Kuyper en Groen van Prinsterer. Want voordat we het verleden in de rede vallen, moeten we er eerst naar geluisterd hebben.

'Ach, Song, lieve Song', schrijft Dorothea van Dorp begin 17de eeuw aan haar buurjongen Constantijn Huygens, die dan depressief op het overspannene af in Engeland zit, 'ik ben daarmee niet soo belaeyen dat ghy sieck syt, maer dat ghy soo ras melancoliek syt. . . al uw gheest verteert uw vlees: dat ghy wat plomper waert of wat geck, het sou u soo veel beter wesen.' Verliefdheid: toewijding en intimiteit - daar kunnen wij die stemmen van lang geleden ineens tegemoet treden en de dragers ervan een kameraadschappelijke hand geven.

Dat relativeert onszelf en ons heden: groter troost ken ik niet, of het moest die van de liefde zelf zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden