Leendert Verheij: ‘De rechtspraak moet een slag maken naar etnische diversiteit’

De president van het Gerechtshof Den Haag over diversiteit, quota en zijn vertrek

President Leendert Verheij van het gerechtshof Den Haag stapt op. Na 22 jaar van bestuurlijke functies in de rechtspraak wil hij zijn collega’s dit meegeven: ‘Jongens, vroeger was niet alles beter. Leer elkaar verstaan.’

Leendert Verheij, president gerechtshof Den Haag. Beeld Aurélie Geurts

Het zit erop. Woensdag trekt hij voor de laatste keer de deur achter zich dicht. Na vijfenhalf jaar presidentschap van het gerechtshof Den Haag en 22 jaar van achtereenvolgend hoge bestuursfuncties in de rechtspraak, is het tijd voor musea, theater, voor die dikke pil van Augustinus, de kleinkinderen – kortom: tijd voor zichzelf.

Leendert Verheij (66) begon als rechter in de jaren tachtig, de tijd van totale onafhankelijkheid en onaantastbaarheid. Waarin het nog voorkwam dat een collega zittingen ‘afraffelde omdat die ’s middags wilde gaan golfen’. Hij maakte het sindsdien allemaal mee: de professionalisering, de komst van de Raad voor de Rechtspraak – ‘voor die tijd was het ministerie altijd de pispaal’ –, de invoering van productienormen, de managementlagen, bezuinigingen, de herziening van de gerechtelijke kaart.

En nu, zegt hij, moet de rechtspraak een slag maken naar etnische diversiteit onder ‘al die blanke rechters’. Al acht jaar is Verheij voorzitter van de LSR, de Landelijke Selectiecommissie Rechters. En nog altijd is het aantal rechters met een migratie-achtergrond ‘veel te laag’.

Hoe komt dat?

‘Het gaat heel moeizaam. Van het totale aantal van 2.300 rechters zitten we, schat ik, op zo’n 2 procent, een kleine vijftig. Dat moet omhoog. Van de Nederlandse bevolking heeft 12 procent een niet-westerse achtergrond. Die mensen moeten niet louter voor een blanke, West-Europese rechterlijke macht staan. Ze moeten zien dat ook zij daarin zijn vertegenwoordigd. Er moeten meer rechters komen die hun cultuur begrijpen.’

Is dat nu dan niet het geval?

‘Een van de collega’s hier deed een familiezaak met een rechter-in-opleiding van Turkse afkomst. Hij is heel enthousiast over deze man en zei: hij hoort echt andere dingen dan ik. Hij kan bepaalde reacties beter duiden, hij begrijpt sommige antwoorden beter.’

Om die reden riep politiekorpschef Erik Akerboom al kort na zijn aanstelling in 2016 dat de politie meer etniciteiten aan zich moet binden. Een hele poos daarna zei het Openbaar Ministerie precies hetzelfde. En nu wil de rechtspraak het ook. Is dat niet erg laat?

‘Wij hebben dit tien jaar geleden al krachtig geroepen en er toen zelfs een heel project op gezet. Maar daar is heel weinig uitgekomen. We dachten: het ligt aan verkeerde wervings- en selectiemethoden. We hebben zelfs een speciale manager Diversiteit gehad. Dat heeft niet of nauwelijks rendement opgeleverd. Daar zit het ’m dus niet in. We moeten mensen niet alleen verleiden hier te solliciteren, maar daarna, zodra ze binnen zijn, ook zorgen dat ze zich in de organisatie thuis voelen. Je zag bij de politie dat dat niet goed ging. Daar werd zelfs het verwijt klip en klaar geuit dat er wordt gediscrimineerd. Het vasthouden van mensen met een bi-culturele achtergrond, dat wordt de grootste uitdaging.’

Rechters zijn hoogopgeleide, weldenkende mensen. Waarom zouden die zo iemand niet kunnen binnenhouden?

‘Het gaat niet om de individuele rechter, maar om de organisatie.’

De organisatie is een optelsom van individuen.

‘Zeker. Uit promotie-onderzoek blijkt dat mensen, dus ook rechters, zonder het zelf te beseffen regelmatig een goedbedoelde opmerking of grapje maken, die bij de ander soms totaal anders overkomt. Bijvoorbeeld dat iemand met een moslimachtergrond te horen krijgt: jij gaat zeker niet naar de vrijdagmiddagborrel, hè? Op een toon die als uitsluitend wordt ervaren. Waardoor die op een gegeven moment denkt: ik voel me hier niet thuis, ik ga weg. Uit het onderzoek blijkt dat we mensen met een migratie-achtergrond onbewust zien als mensen met een achterstand. We moeten niet hen, maar onze eigen zienswijze veranderen.’

Hoe doe je dat, als organisatie?

‘Door bewustwording. Elkaar voortdurend op de noodzaak van diversiteit aanspreken. Het steeds weer op de agenda te zetten. We geven al heel lang trainingen aan rechters om zich van cultuurverschillen van procespartijen bewust te worden. Een cultuuraspect in je organisatie moet je aanleren door het bespreekbaar te maken en door feedback te geven als het niet goed gaat. Er is nu, vrees ik, nog een lichte neiging, zeker bij de niet-westerse allochtonen, om dan niet heel assertief te reageren, niet te zeggen: wat hier nou gebeurt daar heb ik last van. Met onze Hollandse directheid gaan we daar iets makkelijker mee om, al zeg ik erbij dat feedback in onze organisatie ook een probleem is. Wij kennen ook onze aardigheidsculturen van vriendelijk willen blijven, of zo bot zijn dat daarna de verhoudingen kapot zijn – dat werkt dus ook niet. Dus feedback is op zichzelf al een moeilijk onderwerp. Maar als je in die minderheidspositie zit is het vaak nog veel lastiger. En toch moeten we dat gaan leren.’

Als je op de griffie kijkt, zegt Verheij, is er niks mis met de vertegenwoordiging van medewerkers met een migratie-achtergrond. ‘Daar kom je, zeker in de randstad, hoofddoekjes en van alles tegen. Maar zodra je op het niveau van juridisch medewerker en rechter komt, wordt dat een probleem.’ Veel minderheidsculturen zien het vak rechter nog steeds als iets hoogs en onbereikbaars, stelt Verheij, zoals hij dat zelf veertig jaar geleden tijdens zijn studie ook dacht. ‘Daar komt bij dat sommige kandidaten uit landen komen waar de rechterlijke macht als corrupt staat aangeschreven. Bepaalde Oost-Europese en Afrikaanse landen. En kijk naar wat in Turkije gebeurt. Er zijn meer landen waar de onafhankelijkheid in het geding is, dan waar dit niet speelt. Zo’n rechterlijke macht, daar wil je niet bij horen.’

De rechtspraak heeft te veel gefocust op biculturele rechters, denkt de vertrekkend hofpresident. ‘Terwijl het juist verstandig is om eerst die laag daaronder, van juridisch medewerkers, verder uit te breiden. Het komt er uiteindelijk op neer dat het van binnenuit moet komen. Dat mensen die zijn binnengehaald zeggen: kom ook hier werken, het is hier leuk.’

Welk quotum hoopt u, als voorzitter van de selectiecommissie, op het vlak van diversiteit te bereiken, en binnen welke tijd?

‘Ik geloof niet in quota. Omdat het door de mensen zelf wordt gezien als: nou word ik aangenomen omdát. Dat werkt niet. Ik sprak toevallig eerder vandaag een vrouw die zei: als er een functie wordt opengesteld met bij voorkeur een vrouw, ga ik er niet op solliciteren. Ik wil daar niet binnenkomen omdat ik vrouw ben, maar omdat ik goed ben. Dat hoor je ook van mensen uit deze diversiteitsachtergrond. Een quotum kan heel erg de schijn wekken dat je op oneigenlijke gronden bent binnengehaald.’

Als de selectiecommissie geen quotum wil noemen, kan die er ook niet op worden afgerekend.

‘Ik ben überhaupt niet van het afrekenen.’

Het risico daarvan is dat het beleid zonder resultaten voortmoddert.

‘Ik wil dat we er echt beweging in krijgen. En dat we over een aantal jaren zeggen: nou gaat het de goeie kant op. Eerlijk gezegd vind ik het een idiote ambitie om te zeggen: als 12 procent van de Nederlandse bevolking een niet-westerse achtergrond heeft, moet ook 12 procent van de rechtspraak dat hebben. Dat vind ik echt onzin. Wat ik wil is dat onze organisatie op de goeie niveaus voldoende van zulke mensen heeft, die met hun inbreng ons totale product verbeteren.’

Wanneer is het voldoende?

‘Als in elke afdeling er een aantal zitten en als je steeds in verschillende samenstellingen zo’n collega erbij hebt op zitting.’

Dat is te kwantificeren. Hoeveel afdelingen zijn er?

‘Voor mij zou het al heel goed zijn als iedere afdeling van vijftig collega’s iets van vier of vijf mensen met een biculturele achtergrond heeft, die in de verschillende samenstellingen hun invloed op de rechtspraak uitoefenen. Die zeggen: jullie kijken er op zitting toch anders tegenaan dan wij.’

Is dat voldoende? Vier of vijf op vijftig mensen?

‘Dat is 10 procent. Dat zou voorlopig al heel mooi zijn.’

Nu heeft u toch een quotum genoemd.

Verheij schiet in de lach. Hij heft zijn wijsvinger: ‘Maar ik zeg er niet bij of dat in absolute zin voldoende is. En ik zeg er heel bewust bij dat dit de ríchting moet zijn waarin we onze organisaties gaan verrijken. Dat kan ook in de categorie juridisch medewerkers zijn.’

Leendert Verheij wordt door collega’s ‘streng maar rechtvaardig’ genoemd. Iemand die goed kan luisteren, die openstaat voor kritiek, maar ook heel duidelijk grenzen stelt. Hij herinnert zich zijn eerste kamervoorzittersoverleg. Zijn medewerker zei van tevoren ‘Let op, wij worden het over alles eens, maar de helft denkt: ik ga het toch lekker anders doen’. Verheij was hem dankbaar voor die opmerking. Vanaf dag twee liep hij bij mensen binnen: ‘We hebben iets afgesproken. Jij was het er ook mee eens, en nu zie ik dat je er niet naar handelt.’ Hij heeft nooit naar disciplinaire maatregelen hoeven grijpen, ‘maar ik denk dat iedereen wel aanvoelde dat ik dan niet zou schromen. Binnen een halfjaar heerste er een ander klimaat.’

Kort na zijn aanstelling bij het hof in Den Haag pleitte de president voor meer openheid en transparantie in de rechtspraak, en betere communicatie met de buitenwereld. Hij ging zelf twitteren, hamerde op uitleg bij rechterlijke beslissingen, op helder geschreven vonnissen, toelichting op tv, hij wilde verkleining van de kloof met de burger.

Is dat gelukt?

‘Deels. Een deel van de samenleving zal zeggen: die kloof is nog steeds heel groot. Uit allerlei onderzoeken blijkt dat met name lageropgeleiden het gevoel hebben: dit gaat niet over ons. Terwijl rechters het gevoel hebben: dit gaat over iedereen, dus ook over jullie. Maar we doen wel veel meer dan vijf jaar geleden aan uitleg en transparantie, en daar behalen we ook resultaten mee in die zin dat er minder incidenten zijn, minder onbegrip over onze uitspraken.’

Ondanks zijn pleidooi voor openheid noemt Verheij het ‘schadelijk’ dat sommige politici en hoogleraren zich soms publiekelijk kritisch over rechtszaken uiten, terwijl een rechter zich niet kan verdedigen. ‘Je zag het bijvoorbeeld in de zaak over de Zes van Breda. Rechtspsycholoog Peter van Koppen zei direct na de uitspraak in EenVandaag: ‘Die rechters hebben het dossier gewoon niet gelezen.’ Alleen maar omdat het genuanceerde arrest een ander oordeel behelsde dan het boekje dat hij erover schreef. Dat kan echt niet, een wetenschapper behoort dat niet te doen. Dat is heel schadelijk voor de rechtspraak. Kritiek gaat bij ons in de rechterlijke kolom, dus bijvoorbeeld in hoger beroep. De Hoge Raad heeft dat oordeel overigens in stand gelaten. Wetenschappers zijn het onderling bovendien vaak oneens, zoals Van Koppen en professor Derksen bijvoorbeeld over de Deventer Moordzaak. Maar ik heb nog niet meegemaakt dat ze achteraf zeggen: jullie hadden gelijk, ik zat ernaast.’

Het toegeven van fouten en goed omgaan met kritiek is jammer genoeg niet iedereen gegeven, zegt Verheij. De voortgaande professionalisering in de rechtspraak geeft spanning. Nog steeds. Die onafhankelijke, ‘eigenwijze’ rechters vergelijken hun nieuwe werkomgeving, met managers en productiecijfers, cynisch met een koekjesfabriek. Verheij wil al zijn collega’s iets meegeven: ‘Dat spanningsveld, jongens, leer ermee leven. Leer elkaar verstaan. Vroeger was niet alles beter. Probeer elkaar te begrijpen. Maak er samen iets moois van.’ Want daar heeft de rechtspraak nog een flinke slag te maken, stelt de vertrekkend president. ‘Sommige collega’s vinden ten onrechte dat alles wat misgaat, bijvoorbeeld bij de digitalisering van de rechtspraak, aan die verderfelijke managers ligt – vooral degenen die zelf geen enkele verantwoordelijkheid dragen. Het is makkelijk praten als je zelf geen vinger hebt uitgestoken. Wees kritisch, maar behoud het onderlinge respect. Stel jezelf de vraag: als ik zelf op die plek had gezeten, had ik het dan echt beter gedaan?’

Na 22 jaar als bestuurder is het tijd voor een ander, zegt Verheij. Hij wil niet dat zijn houdbaarheidsdatum verstrijkt. ‘Een rechter kan besluiten: ik ga afbouwen. Dan ga je drie dagen werken zonder veel salaris in te leveren. In een bestuursfunctie kan dat niet. Het presidentschap is echt vol aan de bak, constant. Ik mag doorgaan tot mijn 70ste, maar toen ik mijn besluit had genomen was ik echt opgelucht.’

Gaat u uw baan missen?

‘Ik denk het niet. Omdat mijn vertrek een heel bewuste, positieve keuze is. En ik heb in het verleden gemerkt – ik ben al vaak van plaats veranderd – dat ik goed kan loslaten. Ik richt me makkelijk op nieuwe dingen. Trouwens, de verbinding blijft; ik word plaatsvervanger hier in de strafsector. Dus ik ga af en toe gewoon weer meedoen. Maar het bestuurlijke… Nee. Ik heb na 22 jaar heel sterk het gevoel: ’t is mooi geweest.’

CV Leendert Verheij

1951: geboren in Middelburg

1971: eindexamen gymnasium B

1976: doctoraat Nederlands recht, Universiteit Leiden

1976: advocaat en procureur in Rijswijk/Voorburg

1982: hoofd juridische dienst NCOV

1987: rechter, rechtbank Den Haag

1991: vicepresident rechtbank Den Haag

1991: kantonrechter-plaatsvervanger, Leiden

1996: coördinerend vicepresident rechtbank Den Haag

1999: voorzitter Strafsector

2002: voorzitter sector strafrecht gerechtshof Den Haag

2006: rector Studiecentrum Rechtspleging (SSR), Zutphen

2008: president gerechtshof Amsterdam

2012: waarnemend president gerechtshof Den Haag

2013: president gerechtshof Den Haag

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.