Leeg land

Tien jaar interne strijd heeft Somalië zowat tot de grond toe afgebroken. DE WEDEROPBOUW VAN DEZE VOLLEDIG GETRAUMATISEERDE SAMENLEVING NEEMT EVEN SURREELE ALS ONTROERENDE VORMEN AAN....

Een fluitje. Een stokje. En twee grote ogen van een man die nerveus om zich heen kijkt. De verkeersagent van Mogadishu, een van de nu al twee die de stad van anderhalf miljoen mensen kent, lijkt zelf nog het minste vertrouwen in zijn nieuwe functie te hebben.

Op het kruispunt dat hem is toebedeeld, waait het zand hem rond de oren. De hoofdstad van Somalië is ernstig toe aan een schoonmaakbeurt. Wat heet, er zouden jaren nodig zijn om de plaats, die ooit zo'n leuke naam en zo'n aangename ligging aan de Indische Oceaan had, weer een beetje aanzien te geven. Neem alleen al die stoplichten; ze moeten eens gewerkt hebben, maar nu staan de palen scheef of geknakt in de bodem. De lampen zijn alweer vele jaren geleden gejat.

De verkeersregels, want ja, ooit waren er regels in Somalië, schrijven voor dat weggebruikers rechts houden. Dat maakt het werk van een verkeersagent wel zo overzichtelijk. Maar als de rechterhelft van een straat uit louter kuilen bestaat, of als een vierbaansweg zomaar ineens in een zandpaadje overgaat, is het improviseren. Dat geldt voor de chauf feur in zijn volledig onttakelde minibus met schuin platgedrukt dak, halve plastic voorruit en geheel profielloze banden. Dat geldt ook voor de verkeersagent.

Op zijn kruispunt naderen van verschillende kanten twee wagens. Eentje zal er moeten stoppen, want anders gebeurt er dadelijk een ongeluk. De agent recht de rug en steekt zijn stokje over de straat heen, net als de blinde man deed die hij daarnet nog heeft geholpen met oversteken. De auto links van hem zal vaart moeten minderen.

Maar wat de agent over het hoofd heeft gezien, is dat achter die auto een groep technicals komt aangescheurd. Het zijn de jongens van de ge wapende milities, die zich door niemand de les laten lezen, of het moeten andere technicals zijn die nog meer wapens bij zich dragen en nog sneller schieten. Verkeersagenten zijn dingen waarvan zij nog nooit gehoord hebben. De agent kan nog net zijn stokje intrekken. De militie stuift hem voorbij.

Hij kijkt op zijn horloge. Kwart voor twaalf, over pakweg een halfuur is op de markt zijn dagloon weer te krijgen. Het is qat, het licht-stimulerende middel waarop menige Somalische man kauwt om de tijd te verdrijven en de honger te vergeten. Als de agent zijn qat binnenheeft, zit zijn dag erop. Natuurlijk, 's middags is er minstens evenveel verkeer, maar dat kan het voorlopig ook zonder hem af. Morgen ochtend, vooruit, wil hij het wel opnieuw proberen.

Hoe maak je van een militielid een verkeersagent, van een vechter een diender? En hoe maak je eigenlijk van een land een natiestaat? Het zijn vragen waarover de overgangsregering van Somalië, de Transitional National Govern ment van president Ab di kas sim Salad Has san, zich dagelijks het hoofd breekt. Tien jaar interne strijd hebben de Somalische staat, die enorme lap in de Hoorn van Afrika, zowat tot de grond toe afgebroken. Zo heb je alles, zo heb je bijna niets meer. De wederopbouw, of althans de pogingen daartoe, vormen een experiment dat soms even surreële als ontroerende vormen aanneemt.

Een stukje buiten de hoofdstad ligt het trainingskamp La foole. Ooit, in de tijd van dictator Siad Barre die in 1991 verjaagd werd, was het in gebruik als heropvoedingskamp voor lastige Somalische jongeren. Nu is het bedoeld om vroegere vechtersbazen een opleiding tot politieagent te geven. De rebellen van weleer leveren er hun wapen in. Ze mogen het daarna onmiddellijk weer opnemen en ermee weglopen, want over eigen dienstpistolen beschikt de politie-in-wording nog niet.

De uniformen en hoedjes, een geschenk van bevriende Arabische landen, zijn legergroen. Maar dat was vroeger ook al zo, legt kolonel Ab dul kadir Adam Gaidee uit. Hij is de baas van de opleiding en trots op zijn mannen. 'Zeven maanden geleden waren dit nog allemaal straatvechters. We hebben al drieduizend militieleden omgeschoold en er komen er nog drieduizend bij. Aan een geregeld leger werken we ondertussen ook.'

Abdul Karim was zo'n straatvechter, al zal hij moeite hebben gehad om in het heetst van de strijd zijn enorme bril recht op de neus te houden. Vier jaar lang waagde hij zijn leven voor krijgsheer Ali Mah di, die overigens zelf ook tot inkeer is gekomen en zich tot lid van het overgangsparlement heeft laten benoemen.

'Ik wil nu alleen nog maar vrede', zegt agent Karim, om dan snel de overgang te maken naar een zeer praktische reden waarom hij zich bij de politie heeft aangemeld. 'Hier krijg ik fruit, melk, een uniform, een opleiding. En nog wat geld toe ook.'

Plots schiet hem de ernst van zijn taak weer te binnen. 'Ooit was ik een strijder, nu zal ik nooit meer vechten. Of wel, als het moet, maar dan alleen voor mijn land. Geen oorlog meer. We hebben voedsel, ik bedoel, vrede nodig.'

Aan voedsel is tegenwoordig in Somalië weinig gebrek. In het begin van de jaren negentig bezorgde de combinatie van droogte en geweld het land een grote hongersnood. Het was een van de redenen waarom de Amerikaanse president George W. Bush sr., die in die tijd soms droomde van een 'vriendelijker en zachtmoediger wereld' na het einde van de Koude Oorlog, besloot het puikje van zijn mariniers naar het strand van Mogadishu te sturen voor de operatie Restore Hope.

Het verhaal van wat uiteindelijk de Amerikaanse nachtmerrie werd, is bekend. Al joegen de soldaten hun zwaarste helikopters over de huizen van de hoofdstad, zodat de armoedige golfijzeren daken eraf waaiden, de warlords kwamen niet te voorschijn om zich over te geven. De kwaadste genius bleek de Somalische generaal Mohamed Aideed Farah. Pas na het vertrek van de Amerikanen en de al even roemloze aftocht van de leden van de vn-macht Unisom vond Aideed zelf zijn meerdere, in een gevecht met de militie van Ali Mahdi. De naam van wijlen de krijgsheer doet nog menig Somaliër sidderen.

Generaal Aideed beschouwde zichzelf graag als de heerser van het land, een titel die ook anderen met gemak voor zichzelf opeisten. An no 2001 kent Somalië een overgangsregering, met dus ook een overgangspresident. Maar nog steeds zijn er ook anderen die zichzelf de titel van leider van de natie hebben toebedeeld.

Zoals Hussein Aideed, de zoon en vaandeldrager van de generaal. Hij heeft een erfenis hoog te houden, meent hij. De erfenis als krijgsheer krijgt bij hem gestalte in de sporadische gevechten in Mogadishu waarin hij zich nog waagt. Aideed is een spent force, meent menigeen, maar hij lijkt nog niet door zijn munitie heen te zijn.

De erfenis als leider van de natie draagt hij op een al even bizarre manier uit. Vaak is Aideed te vinden in een van de huizen waar zijn eerste en zijn tweede vrouw wonen. Hij lummelt wat, hangt voor de buis, of belt met vrienden in het buitenland. Maar soms lijkt de plicht hem te roepen naar het presidentieel kantoor. Dat is gehuisvest in Vil la Somalia, het vroegere verblijf van Siad Barre.

Het is een groot complex, dat net als de meeste andere gebouwen in het noorden van Mogadishu voor een groot deel aan flarden is geschoten. In de tuin zijn nog de brokstukken van het voormalige presidentiële zwembad te zien en de muren van het grote hok, waarin Bar re een leeuw hield opgesloten waarmee hij zijn gasten zeer onder de indruk kreeg.

Het eigenlijke kantoor is nu uiteraard ingericht voor 'president' Ai deed. Hij is druk, druk. Bezig, zo vertelt hij, met het ondertekenen van de presidentiële papieren die nodig zijn om zijn militieleden, die een goede week eerder flinke klop hebben gekregen, voor medische verzorging naar het buitenland te sturen. 'Ze hebben geprobeerd ook mij te vermoorden', zegt Aideed.

Aan de muur hangt, tussen twee Somalische vlaggen, zijn eigen portret. Maar het fraaiste bewijs voor het feit dat hij president speelt, biedt het bordje dat hij heeft laten maken voor op de rand van zijn bureau. Een bordje met zijn naam, en met zijn titel: 'President van de Republiek Somalië'. Zodat toch maar geen enkele bezoeker, na uitvoerige bodychecks door de bewakers en uren antichambreren, het vermoeden zal krijgen dat hij bij een clown is binnengestapt. Clowns tekenen geen papieren. En voor hun deuren staan geen pantserwagens en tanks.

Gevaarlijke malloten als Aideed maken zich over de ontwikkeling van hun Somalië geen echte zorgen. De overgangsregering doet dat wel. Zij heeft nu een paar huizen in de hoofdstad in bezit. Zoals het pand naast het tijdelijke presidentiële verblijf van Abdikassim Salad Hassan, waar binnenkort de nieuwe centrale bank moet worden geopend. Want een land is ook een natie door zijn eigen munteenheid.

De echte, zij het officieuze, centrale bank bevindt zich op de markt van Mogadishu. Een man houdt twee biljetten van ieder 1000 Soma li sche shilling omhoog en vraagt zijn gast te raden welk van de twee vals is. Het is moeilijk kiezen. Vooruit dan, de linker. 'Haha, fout!' De rechter dus. 'Nee, weer fout. Ze zijn alle twee vals, haha!'

Op dit moment zijn in Somalië vier typen bankbiljetten in omloop, waarvan er drie vals zijn. Een aantal Somalische zakenlieden heeft eigen geld laten drukken, in landen als Indonesië en Pakistan. Eenmaal op de markt, jaagt het de inflatie naar ongekende hoogten. Was een paar maanden geleden een dollar nog zo'n tienduizend shilling waard, nu moet je er al bijna het dubbele voor neertellen. Enig voordeel: bijna iedere Somaliër is miljonair, al is het maar voor een dag.

Abdul Ajadora is geldwisselaar. Achter hem staat een forse kluis, met daarin een fotootje van een jonge Saddam Hussein. Op de tafel vóór hem liggen de stapels bankbiljetten, met elastiekjes bijeengehouden en opgestapeld als stukken zeep bij Dirk van den Broek. Iemand sjouwt op zijn rug een zware postzak naar binnen. Het blijkt een nieuwe lading Somalisch geld te zijn.

Nog even, en de wisselaar kan ertoe overgaan het geld te wegen in plaats van te tellen. Maar de zaken gaan prima. 'Hier vind je op zo'n honderd vierkante meter', zegt Ajadora, 'toch al gauw het geld ter waarde van een miljoen dollar.' En dan kun je er ook nog balpennen kopen, drie voor een dubbeltje.

Mocht de overgangsregering erin slagen de geldmarkt weer onder controle te krijgen, dan wacht haar nog een reeks andere problemen. Het verwoesten van een staat gaat stukken sneller dan de wederopbouw ervan. Hoe bijvoorbeeld kan zij bewijzen dat Somaliërs die naar het buitenland gaan échte Somalische onderdanen zijn en geen schuinsmarcheerders uit een of andere schurkenstaat?

Het antwoord lijkt zo simpel: door een paspoort uit te geven, een nationaal en internationaal geldig identiteitsbewijs. Maar haast geen Somaliër kan zich nog herinneren welk ministerie het was, in welk gebouw ook alweer, dat dergelijke paspoorten verstrekte.

Gelukkig zijn er in Somalië altijd nog mensen die bij officiële, grote problemen kunnen zorgen voor informele en ingenieuze oplossingen. Zoals Ali Adam Ibrahim, beter bekend als Deg Deg. Deze 65-jarige man met henna-ringbaard en wat moeilijke ogen achter brillenglazen voorziet al sinds 1993 in het paspoortgat dat in de So malische staat is geslagen. Wie wil reizen, kan bij hem terecht. Binnen een kwartier en voor een paar tientjes maakt hij een paspoort. En, volstrekt uniek in de wereld, ook een buitenlander kan zijn kelderwinkeltje binnenstappen om even later als heuse Somaliër weer naar buiten te komen en met zijn paspoort op reis te gaan. Want dat is nog het mooist van al: het paspoort heeft geen enkele rechtsgrond, maar talloze Somaliërs gebruiken het met succes.

'Ik heb zelfs het paspoort voor de president gemaakt', beweert Deg Deg niet zonder trots. De juistheid van die mededeling valt moeilijk te controleren, maar je gelooft hem graag. Inmiddels heeft de overgangsregering officieel contact met hem gezocht. Zij hoopt over enige tijd zelf paspoorten te gaan uitgeven, maar zal daarbij dankbaar gebruikmaken van zijn jarenlange ervaring.

'Natuurlijk ben ik blij dat de regering het zelf gaat doen. Een land hoort regels te hebben en daar hoort dit ook bij. Ik voel me eigenlijk zelf ook een beetje lid van de regering, alle Somaliërs zijn lid van de regering. Een prima zaak. En ik ga hier gewoon door, hoor. Niet meer met paspoorten, maar als fotowinkel.'

Allemaal lid van de regering, allemaal in hetzelfde schuitje, het zo wankele schip van staat. Zonder de moed op te geven, al is het dan vaak de moed der wanhoop. Veel Somaliërs snakken niet alleen naar rust en vrede, maar ook naar rust en eenheid, en naar de symbolen die dat gevoel van eenheid kunnen vertolken. Dat bijna heel Nederland staat te juichen als elf van onze jongens Duitsland verslaan in een partijtje voetbal, vertolkt een sentiment dat ook in de Hoorn van Afrika heel goed wordt begrepen.

Noor Hussein is de vice-voorzitter van het Somalisch Olympisch Comité. Vorig jaar in Sydney was zijn land nog met twee atleten van de partij, al zullen weinig buitenlanders zich dat herinneren. Nee, een medaille hebben ze nog nooit gehaald, maar wie weet. Trouwens, wacht even, vergeet Abdi Bile niet. Die won, het moet in 1988 zijn geweest, goud tijdens kampioenschappen in Rome. Ja, dat was ontroerend. Toen hij op de luchthaven aankwam, was heel het land op de been. Zelfs president Barre kwam hem verwelkomen. Daarna heeft hij nog een maand door het land moeten toeren, want iedereen wilde hem feliciteren. Ja, Abdi Bile.

'En nu zijn we weer helemaal terug bij af.'

Noor Hussein zou het geweldig vinden als ooit op de Olympische Spelen het volkslied van Somalië voor de wereld zou klinken. 'Ver rukkelijk, ja, wat dacht je.' Dat volkslied kennen ze trouwens nog wel, de Somaliërs, ook al is het dan voor de laatste keer in het openbaar gespeeld op 21 oktober 1990, tijdens wat toen nog de Dag van de Revo lu tie heette. 'Ontwaakt, Somaliërs, en helpt elkaar.' Wakker zijn ze sinds die tijd allemaal geworden. Maar de wederzijdse hulp is meestal uitgebleven.

Hussein droomt nog even verder, over een nieuwe Abdi Bile, een nationale held, die met de Somalische vlag om zijn schouders het ererondje door het volle Olympische Stadion zou maken. Die vlag is inmiddels een andere in Somaliland, het gebied in het noorden dat zich jaren geleden afscheidde. Een slechte zaak, want de vijf punten van de witte ster doelen wel degelijk ook op Somaliland. Ze doelen op alle hoeken in de Hoorn van Afrika waar het Somalische volk woont; So ma lië in noord en zuid, Somaliland, Djibouti, Oost-Ethiopië en Noord -Kenia. 'Groter Somalië', daar moeten voldoende sporters te vinden zijn. Maar wie denkt er nog aan zoiets gewoons als sport?

Onlangs is er voor het eerst sinds lange tijd in Mogadishu weer een sportwedstrijd gehouden. Basketbal voor dames, al dan niet met hoofddoek en natuurlijk allemaal in lange trainingsbroek. Het team van Ida tegen dat van Tanzanie, beide uit de hoofdstad. De minister van Sport was zelf op de kleine betonnen tribune van de partij. 'Zie je!', riep hij. 'Zie je hoe ze spelen?! En zie je het publiek lachen? De mensen zijn blij!'

Dat was geen woord te veel gezegd. Het niveau van de wedstrijd mocht dan geen naam hebben, spelers en toeschouwers hadden pret voor tien. Totdat op de tribune iemand, al dan niet uit enthousiasme of puur voor de grap, met zijn zwaard in het rond begon te zwaaien. Waarop een ander, misschien ook wel als aardigheidje, met zijn stok op hem in begon te slaan.

Binnen tien minuten was haast iedereen het stadion uit, inclusief de minister. Want sport mag dan verbroederen en het gevoel van eenheid geven, voorlopig is het trauma van het geweld nog veel sterker.

Het verdriet van Somalië, het is bitter en schrijnend. Iidi Muqtaar weet er alles van. Als in de Hoorn van Afrika ooit een variant op het Eurovisie Songfestival zou worden gehouden, zou hij zijn land vertegenwoordigen. Want Muqtaar is de man die al bijna 22 jaar het gevoelige hart van de natie in klank weet te vatten.

Hij heeft zijn nieuwste, in eigen beheer uitgegeven, cassette meegenomen. Oh my people, heet het album, O mijn volk. Want al zie je het niet af aan zijn blauwe baseballcap, zijn kleine bril, bruine tanden en dikke buik, Iidi Muqtaar heeft heel wat met zijn volk, met zijn land te stellen.

'Het is hard en zuur', zo citeert hij uit zijn Klaagzang voor Somalië, 'met overal vampiers om je heen.' Volgens hem is alle hoop vergeefs, zelfs de hoop die een groot deel van de bevolking nu richt op de overgangsregering. 'Helaas, het is erger dan ooit. We hebben een regering in naam, een figuur, iets dat geen enkele kracht bezit. Hopeloos. Ik ben een bedroefd man. Er is te veel gebeurd. We vormen een getraumatiseerde samenleving.'

Och, hij kan het beter zingen dan zeggen. Zijn zachte, hoge gospelgeluid neemt bezit van de ruimte. Lang nadat hij is opgestaan en in het niets lijkt te zijn verdwenen, klinkt zijn stem nog na.

'Geniet van je leven. Ver weg van de machinegeweren.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden